Deel 2

Het toneel voor revolutie wordt ingericht

Dit artikel is de vertaling van het Engelstalige artikel “The Truth Behind the Protestant Reformation” door Roderick C. Meredith, verschenen in het Tomorrow’s World magazine van mei-juni 2017.

De oorzaken van de protestantse Reformatie worden door veel mensen niet begrepen – en zijn helemaal niet wat velen denken!

De eerste aflevering van deze serie onthulde het verrassende feit dat kort na de dagen van de oorspronkelijke apostelen het officiële christendom een radicale verandering onderging. Heidense ceremoniën, gebruiken en tradities werden al snel in de belijdende christelijke kerk geaccepteerd.

We hoorden over de corruptie en losbandigheid van de katholieke kerk gedurende de middeleeuwen. We hoorden over hoe mannen als Wycliffe, Huss en Savonarola niet in staat waren dit zedelijk bederf vanuit de georganiseerde kerk van hun tijd uit te bannen. Velen betaalden met hun leven!

Laten we nu de werkelijke factoren beschouwen die de mannen ertoe brachten tegen de autoriteit van de rooms-katholieke kerk in opstand te komen. Laten we onszelf nogmaals de vraag stellen: Was dit een oprechte, door de Geest gemotiveerde terugkeer naar het “... geloof dat eenmaal aan de heiligen overgeleverd is” (Judas 3)?

Onmiddellijke oorzaken van de Reformatie

Veel hedendaagse protestanten gaan ervan uit dat de Reformatie een zuiver godsdienstige beweging was. Zij zien beelden van menigten eerlijke mensen door heel Duitsland en Europa die oprecht een terugkeer naar het geloof en de praktijk van de apostelen nastreefden.

Maar dit is geen nauwkeurig beeld.

Het is een historisch feit dat er veel zelfzuchtige en materialistische redenen waren waarom de Reformatie plaatsvond en wanneer en hoe dat gebeurde. Vele daarvan stonden geheel los van zuiver godsdienstige beweegredenen.

Het staat wel vast dat politieke, intellectuele en financiële overwegingen een voorname rol speelden in de totstandkoming van de Reformatie in de zestiende eeuw. Een opkomend gevoel van nationalisme bracht mensen tot de overtuiging dat zij, als Duitsers, Fransen of Engelsen, gemeenschappelijke belangen hadden tegen alle buitenlanders, inclusief de paus zelf.

Naarmate de steden in Europa groeiden in omvang en invloed, bereidden de toegenomen ontwikkeling, welvaart en politieke invloed van de middenklasse hen voor op het spelen van een beslissende rol in de op komst zijnde opschudding. Ze begonnen rusteloos te worden onder de voortdurende kerkelijke bemoeienis in tijdelijke zaken (Walker, Reginald F., An Outline History of the Catholic Church [Een overzichtshistorie van de katholieke kerk], Newman Press, 1944, p. 289).

Samen met dit nationale gevoel had de groei van het absolutisme de diverse machthebbers meer onafhankelijk gemaakt van de Heilige Stoel van Rome, en zij probeerden vaak onbelemmerde controle te krijgen over kerkelijke benoemingen in hun gebieden. Dit was het begin van een trend die later in veel landen uitliep op door de staat gecontroleerde kerken. De uitgesproken vriendschap tussen de pausen en de koningen van Frankrijk gedurende de Avignonperiode gaf voedsel aan een algemeen wantrouwen over de pauselijke motieven in andere landen. Deze ergernis werd verhevigd door de toename van de pauselijke belasting in deze periode, toen “de verplaatsing van het pausdom naar Avignon grotendeels de inkomsten van de pauselijke landgoederen in Italië afbrak zonder de luxe of hoge kosten van het pauselijke hof te verminderen” (Walker, pp. 292, 296).

Er werden veel klachten geuit, niet alleen door individuele mensen, maar door de machtigste koningen en door hele naties, tegen de dwingende heerszucht van de pausen, de fraude, het geweld, de gierigheid en het onrecht van Rome. De schaamteloosheid en tirannie van de pauselijke legaten, samen met de misdaden, onwetendheid en morele verdorvenheid van priesters en monniken, maakten dat de mensen overal een hervorming van de kerk wensten “van het hoofd en de leden” (Mosheim, John L., Institutes of Ecclesiastical History [Instituten van kerkelijke geschiedenis], Deel 3, p. 24).

Samenwerkend met al deze krachten was de opmerkelijke beweging die bekend is onder de naam  Renaissance, of het ontwaken van Europa voor een nieuwe belangstelling voor wetenschap, literatuur en kunst. Het was een beweging die de verandering bracht van middeleeuwse naar moderne idealen, cultuur en denkmethoden.

Als we de reformatie die volgde willen begrijpen, moeten we eerst de wisselwerking tussen en de inwerking van elk van deze factoren onderzoeken die zo’n belangrijke rol speelden in de richting ervan en de uiteindelijke uitkomst.

Politieke en financiële oorzaken van de hervorming

Zoals we hebben gezien bereikte de pauselijke macht haar hoogtepunt onder Hildebrand (1073-1085) die, zelfs nog meer dan zijn voorgangers, de volledige ondergeschiktheid van het Heilige Roomse Rijk aan de roomse kerk beoogde. De uitvoering hiervan veroorzaakte een langdurige strijd om de macht tussen het pausdom en het rijk. In deze strijd hadden de pausen grote voordelen boven de keizers – wier eigenlijke gebied bij lange na niet gelijkwaardig was aan het gebied dat door de kerk werd beheerst. Eén heel doeltreffende steun was de opstelling van de Duitse vorsten zelf om de macht van de keizers te beperken. En in de kruistochten hadden de pausen de gelegenheid het religieuze enthousiasme van het gewone volk in alle landen richting te geven (Fisher, George P., The Reformation, Scribner, 1873, pp. 26-28).

Uiteindelijk triomfeerde het pausdom in deze strijd en werd de boetvaardige keizer Hendrik IV gedwongen zich te vernederen voor paus Hildebrand teneinde de loyaliteit van zijn onderdanen te behouden. Zo zien we het spektakel van de kerk die heerst over de staat, en die haar wil dicteert aan koningen en keizers.

Inderdaad had de kerk lange tijd tot op zekere hoogte over het keizerrijk geheerst, maar nooit zo volledig. “In de achttien jaar (1198-1216) waarin Innocentius III regeerde vertoonde het pauselijke instituut zich in volle glorie. De handhaving van het celibaat had het gehele lichaam van de geestelijkheid in een nauwere relatie tot de soevereine opperpriester gebracht. De plaatsvervanger van Petrus was de plaatsvervanger van God en van Christus geworden … De koning stond tot de paus als de maan tot de zon – een kleiner lichtgevend lichaam dat schijnt met geleend licht’’ (Fisher, pp. 29-30).

Zo zien we dat de pausen zichzelf tot God op aarde maakten. Zij onderwezen dat Jezus Christus Zijn duizendjarige regering door hen aan het opzetten was.

Voordat echter deze pauselijke macht lang kon worden uitgeoefend, werd het duidelijk dat er nieuwe krachten in Europa opkwamen die haar oppergezag betwistten. In veel landen leidde het patriottisme van het volk tot een onwilligheid zich te onderwerpen aan vreemde overheersing van hun eigen nationale kerken, en een aversie om Petruspenning te betalen voor de bouw van schitterende kathedralen in Rome (Hurlbut, Jesse L., The Story of the Christian Church [Het verhaal van de christelijke kerk], Zondervan Publishing House, 1970, p. 118).

Misbruik van het godsdienstige ambt

In de uitoefening van haar politieke en financiële macht was de katholieke kerk op weg naar een val. De pausen schenen een onverzadigbare hunkering naar geld te hebben. Deze rijkdom werd niet alleen gebruikt voor hun streven naar een wellustig en gemakkelijk leven, maar ook om vrienden en macht te kopen. De roomse opperpriesters waren in staat dit geld te onttrekken aan hun onwetende onderdanen door verscheidene middelen onder het mom van godsdienstigheid.

John Mosheim beschrijft dit machtsmisbruik: “Onder deze listige streken namen aflaten – dat wil zeggen, vrijheid om de straffen voor hun zonden af te kopen door geld bij te dragen aan vrome doelen – een vooraanstaande plaats in. En hier nam men zijn toevlucht toe zo dikwijls als de pauselijke schatkist uitgeput raakte, tot enorme schade van het publieke belang. Onder sommige plausibele, maar grotendeels valse voorwendsels werden de onwetende en bange mensen door de aflaatventers, die in het algemeen lage en lichtzinnige karakters waren, voor de gek gehouden met het vooruitzicht op groot voordeel.” (Mosheim, p. 88).

Deze schandalen verschaften een zeer adequate reden in de ogen van bijvoorbeeld veel Duitse vorsten om het pauselijke juk af te werpen – door “hervorming” of door opstand – teneinde zich te bevrijden van pauselijke belasting en bemoeienis, en om de rijkdom van de kerken en kloosters te bemachtigen. Luthers latere aanval op het financiële beleid en de belastingheffing van de paus maakte hem onmiddellijk tot voorvechter van de Duitse middenklasse en indirect van al zijn landgenoten, die allang gevoelens van wrok tegen de listige en gemakkelijk levende Italianen koesterden.

In Engeland bestond min of meer dezelfde situatie. Koning Hendrik VIII had de koninklijke schatkist die hij van zijn meer scherpzinnige vader had geërfd grotendeels verkwist. Tegelijkertijd was er een toenemende onvrede onder de edelen in het bijzonder over de buitensporige pauselijke belasting, en de overvloedige rijkdom van de kloosterorden zou voor het grijpen zijn als het pauselijke gezag werd afgeworpen. Het is veelzeggend dat een van Hendriks eerste daden, nadat hij zichzelf had erkend als het hoogste hoofd van de kerk en de geestelijkheid van Engeland, was de confiscatie  te bevelen van de rijkdom van de kerk, in het bijzonder die van de kloosterorden.

Door koninklijke veronachtzaming en buitensporigheid stond er een klasse van deelgenoten in de kloosterbuit op wier gevestigde belangen in de blijvende scheiding van de kerk van Rome lagen. Deze partij was een krachtige garantie tegen alle latere bewegingen voor verzoening met het pausdom (Walker, p. 56).

Gezien deze vele verleidingen met de nationalistische gezindheid reeds onderweg zou het de belangrijkste interesse van de pausen moeten zijn geweest de politieke en financiële bezwaren van de verschillende landen te verzoenen. Maar dat was niet het geval.

Terwijl het pausdom al het mogelijke had moeten doen om te voorkomen dat de volken van Europa door zijn meedogenloze financiële beleid werden geïrriteerd, deed het juist het tegenovergestelde. Pausen gebruikten vaak de rijkdom die zij uit aflaten en de verkoop van kerkelijke ambten ontvingen om hun eigen verwanten te verrijken of de staten van de roomse kerk te versterken.

Fisher beschrijft het belabberde karakter van sommige van deze pausen: “Innocentius VIII ontving, naast het vermeerderen van de vermogens van zeven onrechtmatige kinderen, en het voeren van twee oorlogen met Napels, een jaarlijkse bijdrage van de Sultan voor het gevangen houden van zijn broer en rivaal, in plaats van deze juist aan het hoofd van een leger tegen de Turken te zenden, de vijanden van het christendom. Alexander VI, wiens kwaadaardigheid de donkere dagen van het pausschap in de tiende eeuw in herinnering brengt, hield zich bezig met het opbouwen van een vorstendom voor zijn favoriete zoon, dat monster van verdorvenheid, Caesar Borgia, en in het ophopen van schatten, met lage en wrede middelen, ter ondersteuning van het losbandige roomse hof. Hij stierf naar verluidt door het gif dat hij liet klaarmaken voor een rijke kardinaal, die de hoofdkok omkocht om het de paus zelf voor te zetten” (Fisher, pp. 44-45).

Zo is het duidelijk dat toen de hervormers hun pleidooien begonnen om te breken met het pauselijke gezag, de brede reactie vaak niet voortkwam uit eerlijke godsdienstige motieven als wel uit de praktische en natuurlijke wens van velen zich de politieke en financiële vergoedingen toe te eigenen die tot dan toe door de roomse kerk werden achtergehouden of beheerd.

De Renaissance

Een andere belangrijke factor in het voorbereiden van de weg voor de Reformatie was de heropleving van kennis, literatuur en kunst die de Renaissance wordt genoemd. De leiders van deze beweging waren doorgaans geen priesters of monniken, maar leken. Het begon als een literaire beweging en was nog niet openlijk antireligieus, maar alleen sceptisch en onderzoekend. Ze werd sterk geholpen door de uitvinding van de boekdrukkunst in 1455, door Gutenberg. Voor het eerst konden nu boeken worden verspreid bij duizenden tegelijk, en het is veelzeggend dat het eerste boek dat werd gedrukt de Bijbel was.

De Renaissance stimuleerde patriottisme en diende als inspiratiebron voor de productie van een nationale literatuur. Ze bemoedigde onafhankelijkheid van denken en nationale politiek, en leidde tot de ontwikkeling van de moderne Europese nationalistische opvattingen zoals we die nu kennen. Toen er sterke nationale regeringen opkwamen, leidde dit natuurlijkerwijze tot intoming van het gezag van wat werd beschouwd als de universele kerk. De invloed van de paus en de geestelijkheid werd steeds meer beperkt tot de godsdienstige sfeer, en het diplomatieke beleid van elk land volgde een meer onafhankelijke koers.

De groeiende belangstelling voor de heidense klassieken oefende een uitgesproken invloed uit op de ontwikkelde klassen, en bracht hen ertoe te breken met de middeleeuwse scholastiek , en in veel gevallen met alle serieuze betrokkenheid bij religie als zodanig.

De middeleeuwse idealen waren op het hiernamaals gericht en moedigden zelfverloochening aan. De Renaissance introduceerde het humanisme  en het uitdrukken van de inherente neigingen in de mens. De houding van ascetische afzondering maakte plaats voor de zoektocht naar volledig genieten van alles wat de wereld kan bieden.

Een rationeel onderzoek van de geschiedenis en literatuur van het verleden bracht veel documenten van de kerk onder kritische beschouwing. Een school van historische kritiek werd begonnen door Lorenzo Valla (1405-1457), die de valsheid van de Schenking van Constantijn aan het licht bracht en de apostolische oorsprong van de apostolische geloofsbelijdenis ontkende. Al dit onderzoek en deze heropleving van menselijke belangen hielpen het gezag en de invloed van de katholieke kerk te ondermijnen.

Gedurende twee generaties voor de protestantse Reformatie trachtten de pausen zelf aan te knopen bij de geest van de Renaissance, en de pausen van die tijd werden veeleer gekarakteriseerd door cultuur dan door godsdienstig geloof. Dit zorgde er uiteraard voor dat het pauselijk hof zelfs nog wereldser werd, en bracht een groeiende vraag naar een hervorming van de kerk teweeg.

“Eén zeer gunstig gevolg van de Renaissance was de herleefde belangstelling voor de studie van Hebreeuws en Grieks. Dit bevorderde een beter begrip van de Bijbel waarop het .

grote reformatorische werk van Luther, Zwingli en Calvijn was gebaseerd. Zonder deze voorbereiding zou hun werk niet mogelijk zijn geweest” (Qualben, Lars P., History of the Christian Church [Geschiedenis van de christelijke kerk], Wipf and Stock Publishers, 2008, p. 199).

Misschien was de meest prominente geleerde van de Renaissance Desiderius Erasmus, die ervan werd beschuldigd het ei te hebben gelegd dat door Luther werd uitgebroed. Hij studeerde in diverse Europese landen. Hoewel hij in de eerste plaats een rooms-katholiek was, hadden zijn provocatieve satires op de misbruiken door de geestelijkheid van zijn tijd en zijn oproep terug te keren naar de eenvoud van het oorspronkelijke christendom een diepgaand effect op de ontwikkelde klassen van zijn tijd, en bereikten deze, door hen, de massa van Europa’s bevolking.

Erasmus was ervan overtuigd dat het roomse systeem vol bijgeloof en corruptie was. Toch had hij niet de wens met het katholicisme te breken. Hij keek er op een sentimentele wijze naar als de moeder van de maatschappij en de kunsten. En hij was te intellectueel om te sympathiseren met de Lutherse opstand, waarvan de brutale uitwassen  hem tegenstonden.

“Vandaar dat geen van de partijen in de strijd, die in het laatste deel van zijn leven begon, hem begrepen, en zijn nagedachtenis is veroordeeld door polemische schrijvers, protestanten en katholieken. Zijn eigen overtuiging was dat onderwijs, een terugkeer naar de bronnen van de christelijke waarheid en een geseling van onwetendheid en immoraliteit door onbarmhartige satire de kerk tot zuiverheid zouden brengen. Voor dit doel werkte hij” (Walker, p. 329).

Zo zien we dat de humanisten de weg voor de Reformatie hielpen voorbereiden. Zij brachten veel van de katholieke theologie in diskrediet. Zij moedigden de mensen aan de Bijbel en de vroege kerkvaders te bestuderen vanuit een nieuw gezichtspunt. Zij hielpen de geesten van mensen zich te bevrijden van middeleeuws traditionalisme, en begonnen een tijdperk van onafhankelijke wetenschap en denken met als centrum de wensen en behoeften van de mens.

Met de opkomst van het nationalisme, de uitvinding van de boekdrukkunst en de groeiende verspreiding van kennis zou deze intellectuele beweging uiteindelijk enorme veranderingen in het middeleeuwse katholicisme en in de vrijheid van het individu teweeg hebben gebracht, zelfs als er geen Luther, Zwingli en Calvijn waren geweest. Dus toen de Reformatie begon, werd ze geholpen een succes te worden door krachten die zuiver intellectueel waren en vaak niet religieus van aard.

Godsdienstige misbruiken roepen om hervorming

De details van de gedegenereerde moraal en kerkelijke corruptie in de periode onmiddellijk voorafgaande aan de Reformatie zijn zo bekend dat ze hier slechts een korte samenvatting en analyse behoeven. Er komt echter een zeer belangrijke vraag op – een die gewoonlijk over het hoofd wordt gezien of terzijde geschoven. Dat is de fundamentele vraag of de verheidenste, radicaal veranderde en corrupte religieus-politieke machine die de landen van Europa overheerste, en de rooms-katholieke kerk werd genoemd, in feite de gerechtigde en wettige opvolger was van de oorspronkelijke apostolische kerk – de enige ware Kerk waarvan Jezus Christus zei dat Hij die zou opbouwen.

Want zoals we later zullen zien baseren de protestantse kerken als geheel hun claim van historische eenheid met de apostolische kerk op hun directe afkomst van de rooms-katholieke kerk, hun moeder-kerk.

Was deze kerk de Kerk die Jezus bouwde? Waren de leiders en leden ervan vervuld van de Geest van God en werden ze erdoor geleid? Dit is een wezenlijk punt, want de apostel Paulus zei: “… Maar als iemand de Geest van Christus niet heeft, die is niet van Hem” (Romeinen 8:9).

We kunnen het beste onze conclusies trekken uit de verklaringen van erkende historici op dit gebied. Een directe vergelijking wordt gemaakt door Plummer: “En zodra de herontdekking van brieven ervoor zorgde dat de inhoud van het Nieuwe Testament en de leer van de Vaders bekend werd, werd zichtbaar dat wat aan het einde van de vijftiende eeuw voor christendom doorging nauwelijks als zodanig herkenbaar was, als het werd geplaatst naast wat we weten van het christendom aan het einde van het apostolische tijdperk” (Plummer, Alfred, The Continental Reformation in Germany, France and Switzerland from the Birth of Luther to the Death of Calvin [De continentale Reformatie in Duitsland, Frankrijk en Zwitserland vanaf het optreden van Luther tot de dood van Calvijn], Scribner, 1912, p. 11).

Een aanschouwelijke en begrijpelijke beschrijving van deze stand van zaken zoals die het dagelijks leven van de mensen beïnvloedde wordt gegeven door de bekende historicus D’Aubigne: “Laten we nu zien wat de staat van de kerk was vóór de Reformatie. De christelijke naties keken niet langer naar een heilige en levende God voor de vrije gift van eeuwig leven. Om dat te verkrijgen waren zij verplicht hun toevlucht te nemen tot alle middelen die een bijgelovige, angstige en gealarmeerde verbeelding kon verzinnen. De hemel was vol met heiligen en middelaars, wier plicht het was dringend om deze genade te verzoeken. De aarde was vol met vrome werken, offers, vieringen en ceremonies waarmee het [eeuwig leven] moest worden verkregen” (D’Aubigne, Jean H.M., History of the Reformation [Geschiedenis van de Reformatie], R. Carter, 1850, p. 17).

Christus werd afgebeeld als een strenge rechter die klaar stond iedereen te veroordelen die niet de tussenkomst van de heiligen inriep of zijn toevlucht nam tot pauselijke aflaten.

Vele middelaars verschenen in de plaats van Christus. Allereerst de Maagd Maria, zoals de Diana van het heidendom, en vervolgens de heiligen – wier aantal voortdurend door de pausen werd vergroot.

Godsdienstige pelgrimstochten werden voorgeschreven als boetedoening voor de zonde. Er waren bijna evenveel godsdienstige oorden voor pelgrims als bergen, bossen en valleien. Op deze pelgrimstochten brachten de mensen geld en alles wat ook maar van enige waarde was naar de priesters: kippen, eenden, ganzen, was, stro, boter en kaas.

D’Aubigne vervolgt: “De bisschoppen preekten niet langer, maar zij wijdden priesters, klokken, monniken, kerken, kapellen, beelden, boeken en begraafplaatsen; en dit alles zorgde voor veel inkomsten. Beenderen, armen en voeten werden bewaard in gouden en zilveren kisten; ze gingen tijdens de mis rond om door de gelovigen te worden gekust, en ook dit was een bron van groot gewin. Al deze mensen hielden vol dat de paus, ‘zittend als God in de tempel van God’, niet kon dwalen, en dat zij geen enkele tegenspraak dulden” (ibid.).

Er wordt verteld dat in dezelfde kerk waar Luther preekte te Wittenberg er een fragment was van de ark van Noach te zien zou zijn, een stukje hout van de kribbe van Jezus, wat haar van de baard van St. Christoffel, en negentienduizend andere relikwieën.

Deze religieuze relikwieën werden op het platteland aangeboden en verkocht aan de gelovigen voor de geestelijke verdiensten die ze werden verondersteld  te schenken. De rondtrekkende verkopers betaalden een percentage van hun winsten aan de oorspronkelijke eigenaars van de relikwieën. “Het koninkrijk der hemelen was verdwenen, en in de plaats ervan was er een markt van gruwelen geopend op de aarde” (ibid.).

De losbandige geestelijkheid

Al kunnen de leden van dit belijdende christendom deels worden verontschuldigd – zoals veel historici trachten te doen, wegens de heersende onwetendheid en het gebrek aan de goede geestelijke leiding – geen van deze verontschuldigingen heeft enig gewicht als die wordt toegepast op de hogere geestelijkheid en op de pausen zelf. Want deze mannen hadden alle voordelen van het onderwijs en de kennis, als ze oprecht van zulke voordelen gebruik hadden willen maken.

De betreurenswaardige corruptie van de roomse kerk gedurende de eeuw juist voor de Reformatie is verbijsterend. Van de pausen waren vele niet meer dan respectabele gangsters.

In hun woorden en daden is geen spoor van de heilige Geest van God te vinden. Toch stonden zij aan het hoofd van en vertegenwoordigden zij wat werd verondersteld de enige kerk van God op aarde te zijn!

Betreffende twee van deze pausen constateert Wharey: “Sixtus IV had zestien onwettige kinderen, voor wie hij speciaal zorgde, en die hij verrijkte. Maar van alle pausen van dit tijdperk overtrof wellicht Roderick Borgia, die de naam Alexander VI aannam, allen in slechtheid. Hij wordt wel de Catilina [een beruchte Romeinse senator uit de eerste eeuw v. Chr., red.] van de pausen genoemd; en de schurkenstreken, misdaden en blunders die van hem zijn vastgelegd, zijn zo veel en zo groot, dat het zeker moet zijn dat hij verstoken was van niet alleen godsdienst, maar ook van fatsoen en schaamte” (Wharey, James. Church History [Kerkgeschiedenis], 1840, pp. 211-212).

Het was in die tijden een gewone praktijk dat de priesters aan hun bisschoppen de prijs van chantage moesten betalen wegens de onwettige concubines met wie zij het bed deelden en voor ieder bastaardkind dat zij zo voortbrachten (D’Aubigne, p. 18). De roomse godsdienst had niet langer iets dat zou zorgen voor respect door degenen die waarlijk vroom waren, en bijna de gehele eredienst aan God bestond uit uiterlijke heidense ceremonies. Preken zoals die af en toe tot het volk werden gericht waren niet alleen vrij van elke smaak en gezond verstand, maar zaten vol met fabels en walgelijke verzinsels (Mosheim, p. 547).

Was Gods ware kerk corrupt geworden?

En toch trachten dezelfde protestantse schrijvers, nadat zij zelf de verslagen hebben gegeven van de geestelijke stank, de uiterst verdorven moraal, en de totale onwetendheid of veronachtzaming van alle christelijke waarheid en deugd die de roomse kerk generaties lang kenmerkten, in één adem dit afvallige systeem de kerk van Christus te noemen – de kerk of gemeente waarvan Jezus zei dat Hij die zou bouwen, het van de Geest vervulde lichaam waarvan Hij het levende Hoofd is! (Efeze 1:22).

Let op de jammerklacht van D’Aubigne: “Het kwaad had zich door alle rangen verspreid: ‘een sterke leugen’ was onder de mensen gezonden; het corrupte gedrag kwam overeen met het corrupte  geloof. Een mysterie van ongerechtigheid verdrukte de tot slaaf gemaakte kerk van Christus” (D’Aubigne, History of the Reformation [Geschiedenis van de Reformatie], p. 20).

Over het feit dat er een zuivering en opruiming van deze organisatie nodig was, daarover bestaat geen twijfel. Maar het veronderstelde feit dat dit totaal heidens geworden systeem de kerk van God op aarde was, daarover bestaat grote twijfel.

In feite is de beschrijving van de ware kerk zoals die in het Nieuwe Testament wordt gegeven totaal in strijd met het geloof, de praktijk en het leven van het rooms-katholicisme zoals het honderden jaren heeft bestaan!

Het geïnspireerde gebod van Petrus zich te bekeren en te worden gedoopt (Handelingen 2:38) was vervangen door het roomse dringend verzoek boete te doen – de zonde belijden en geld betalen aan de priester. De apostolische levenswijze van liefde en gehoorzaamheid aan Gods geestelijke wetten was vervangen door een patroon van angst en bijgelovige inachtneming van speciale vastentijden, feesten en kerkfestiviteiten die volkomen vreemd zijn aan Christus en de vroege ware kerk.

In plaats van de geïnspireerde vorm van kerkbestuur die Christus instelde en door de apostelen werd voortgezet, zien we een corrupte hiërarchie van priesterambten, die niet eens in de Bijbel worden genoemd. En over het gehele corrupte systeem zien we de Roomse paus, die “als God in de tempel van God” zou zitten (2 Thessalonicenzen 2:4), vaak zelf niet gehoorzamend aan alle wetten van God en de mens, maar toch sprekend met gezag als de Plaatsvervanger van Christus, en die mensen toestond en aanmoedigde voor hem te knielen in een soort aanbidding die Petrus en de andere apostelen nooit zouden hebben durven toelaten (Handelingen 10:25-26).

Vertegenwoordigde dit uitermate gedegradeerde religieus-politieke systeem de rechtmatige afstamming van de kerk die Jezus en de apostelen stichtten? Zou een reformatie dit valse systeem tot een voortzetting van de ware kerk maken?

Dit zijn de werkelijk fundamentele vragen die we moeten beschouwen. En laten we niet onze ogen sluiten voor het onontkoombare feit dat het direct uit het rooms-katholieke systeem was dat de protestantse kerken zijn ontstaan.

Zoals we nu hebben gezien waren politieke, economische, sociale, intellectuele en religieuze factoren in de landen van Europa een voorbode van een algemene omwenteling. En politieke en financiële overwegingen speelden een zeer belangrijke rol in de komende reformatie.

Wat was daarvan, toen die kwam, de ware betekenis in het algehele plan en doel van de eeuwige God? Was het een herovering van het “... geloof dat eenmaal aan de heiligen overgeleverd is” (Judas 3)? We moeten deze vragen eerlijk onder ogen zien.

In de volgende aflevering zullen we direct bij het begin  van de protestantse Reformatie onder Maarten Luther beginnen. Veel van de verborgen feiten over wat er eigenlijk plaatsvond en waarom zijn waarlijk onthullend!