Gods Kerk heeft zich door de eeuwen heen gehandhaafd. Het is een "klein kuddeke" (Lucas 12:32), maar God is Zijn belofte altijd trouw gebleven, dat "de poorten van het dodenrijk haar niet zullen overweldigen". (Matteüs 16:18)

In dit onthullende boekje vindt U een beknopt verslag van de fascinerende geschiedenis van de ware Kerk van God.

 

Hoofdstuk 1: Wat gebeurde er met de Kerk?

Jezus Christus zei: "Ik zal mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen". (Matteüs 16:18)

  • Welke kerk bouwde Jezus?
  • Wat gebeurde met de Kerk die Jezus bouwde?

Als de Bijbel over de Kerk spreekt, heeft zij het nooit over een gebouw of een menselijke organisatie, die onder een seculiere autoriteit verenigd is. Het woord in de Griekse taal, dat in het Nederlands vertaald wordt met "kerk" is ekklesia. Het is afgeleid van twee basiswoorden in het Grieks en betekent letterlijk "uitgeroepen" of "geroepen door". In seculier gebruik verwijst het naar een vergadering van burgers, die "uitgeroepen" waren uit de inwoners van de stad om over een belangrijke zaak na te denken. Het werd vaak gebruikt in de Griekse vertaling van het Oude Testament om te verwijzen naar de gemeente Israël of naar de samenkomst van Gods volk. "Gemeente" of "samenkomst" drukt ook de betekenis uit van het gebruik in het Nieuwe Testament.

Het aspect van "uitgeroepen" of ekklesia is echter essentieel om de Kerk te begrijpen. In Genesis lezen wij, dat Abraham door God was "geroepen" uit Ur der Chaldeeën. In Exodus 12 lezen wij over de afstammelingen van Abraham, de kinderen Israëls, die door God uit Egypte werden "geroepen". Zij werden toen de gemeente van Israël of "de vergadering in de woestijn". (Handelingen 7:38)

één van Gods laatste waarschuwingen aan Zijn volk is een oproep om uit Babylon "te komen". (Openbaring 18:4) De heiligen van God mogen niet deelnemen aan de zonden van die corrupte eindtijd cultuur, zodat zij geen deel zullen hebben aan de goddelijke straffen, die "Babylon" zal ontvangen.

Jezus maakte duidelijk, dat iemand niet tot Hem kan komen en een deel zijn van Zijn Kerk, zonder door de Vader geroepen te zijn. (Johannes 6:44) Alleen zij, die reageren op de roeping van de Vader door bekering en doop, zullen Gods Heilige Geest ontvangen. (Handelingen 2:38) en alleen door Gods Heilige Geest worden wij een deel van de Kerk, die Jezus bouwde. (Romeinen 8:9; 1 Korintiërs 12:13)

  • Wat gebeurde met de Kerk, waarvan Jezus Christus zei, dat Hij deze zou bouwen?
  • Is zij door de tijden heen aangepast en veranderd door progressieve openbaring?
  • Kwam zij "op een dwaalspoor" en moest het een reformatie ondergaan door mannen zoals Martin Luther en John Calvin?
  • Of bestaat er een groep van gelovigen, die door de eeuwen heen dezelfde leerstellingen geloven en praktiseren, die Jezus Christus en de Apostelen uit de eerste eeuw onderwezen?

Als wij naar het verhaal van de heersende, belijdende Christelijke kerk door de eeuwen heen kijken, lijkt het een zeer verschillende kerk te zijn ten opzichte van die, welke in de bladzijden van Uw Nieuw Testament wordt beschreven. In het boek Handelingen zien wij dat Gods Kerk "Joodse" heilige dagen vierde (Handelingen 2:1; 13:14, 42, 44, 18:21; spreekt over de terugkeer van Jezus Christus om de wereld te oordelen (Handelingen 3:20-21; 17:31) en geloofde in de letterlijke vestiging van Gods Koninkrijk op aarde. (Handelingen 1:3, 6; 28:23) Toch zien wij, in minder dan 300 jaar later een kerk, die aanspraak maakt op Apostolische afkomst, maar de "eerbiedwaardige dag van de Zon" viert in plaats van de zevende dag Sabbat. Toen die kerk haar bisschoppen vergaderde om doctrinaire zaken te bespreken op het Concilie te Nicea, werd de vergadering voorgezeten door een Romeinse Keizer - Constantijn!

  • Hoe kon een dergelijke verbazingwekkende verandering hebben plaatsgevonden?
  • Wat was er gebeurd?

In zijn boek, The Story of the Christian Church - De geschiedenis van de Christelijke kerk - erkent de Protestantse schrijver Jesse Lyman Hurlbut de dramatische verandering, die plaatsvond. Hij schreef: "Vijftig jaar lang, na het leven van Paulus, hing er een gordijn over de kerk, waar wij tevergeefs doorheen trachten te kijken; en toen het uiteindelijk wegtrok in ongeveer 120 n. Chr. door de geschriften van de vroegste kerkvaders, vonden wij een kerk, die in vele aspecten zeer verschilt van die, in de dagen van St. Petrus en St. Paulus". (pag. 41)

De geschiedenis van de Christelijke kerk tussen het Pinksterfeest van 31 n. Chr. en het Concilie van Nicea in 325 n. Chr., bijna 300 jaar later, is echt verbazingwekkend.

  • Het is het verhaal van hoe orthodoxie van gisteren de dwaling van vandaag werd en hoe oude ketterijen als orthodoxe Christelijke leerstelling werden beschouwd.
  • Het is het verhaal van hoe kerktraditie en het onderwijs van bisschoppen het Woord van God verdrongen als een bron van leerstellingen.
  • Het is een verhaal, dat vreemder is dan fictie, maar historisch te verifiëren is.

Simon en "een ander Evangelie"

In Handelingen 8 maken wij kennis met een man, die door Satan werd gebruikt om in Gods Kerk te infiltreren en deze te ondermijnen. Deze man was Simon, de tovenaar uit Samaria, in de seculiere geschiedenis beter bekend als Simon Magus. Simon werd door de Samaritanen beschouwd als de goddelijk gekozen vertegenwoordiger van God. (Handelingen 8:9-10) Eduard Lohse, die The New Testament Enviroment - [De Nieuwtestamentische Leefwereld] - schreef, verklaart dat de uitdrukking "de grote kracht Gods", de bewering van Simon weergeeft "de drager van goddelijke openbaring te zijn". (pag. 269) Simon was gedoopt en werd in naam een Christen, samen met de overige Samaritanen. De Apostel Petrus doorzag de ware motieven van Simon. In Handelingen 8:22-23 berispte Petrus hem in zeer sterke bewoordingen en zei, dat hij "tot een gal van bitterheid en een warnet van ongerechtigheid" was.

Wie waren de Samaritanen? Het boek 2 Koningen zegt ons, dat toen de noordelijke tien stammen van Israël gedeporteerd werden door de koning van Assyrië, Babyloniërs er in hun plaats gingen wonen. Deze Babylonische Samaritanen gingen door met het praktiseren van oud Babylonisch heidendom, maar met toegevoegde bestanddelen van bijbelse terminologie om te versluieren wat zij deden. (2 Koningen 17:33, 41) Alhoewel zij aanhankelijkheid aan de God van Israël voorwendden gehoorzaamden zij niet echt Gods wet. (v. 34) In feite werden zij vijanden van het ware Werk van God, zoals duidelijk wordt gemaakt in de boeken van Ezra en Nehemia.

Net zoals de Joden waren de Samaritanen, in de nasleep van de veroveringen van Alexander de Grote, verspreid over de toen bekende wereld. Er waren Samaritaanse koloniën in verschillende belangrijke centra van het Romeinse Rijk, inclusief Alexandria, Egypte en Rome. Simon had bewonderaars en aanhangers bij deze mensen.

De Samaritaanse godsdienst, een mengeling van Babylonisch heidendom en lippendienst aan de God van Israël, werd ook sterk beïnvloed door de Griekse filosofie. Simon Magus voegde hieraan de erkenning toe van Jezus Christus als de Verlosser van de mensheid. Jezus legde evenwel uit: "Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is". (Matteüs 7:21) Simon gebruikte de naam van Jezus, maar stelde een andere boodschap in de plaats - een boodschap, die de noodzaak afschafte om God werkelijk te gehoorzamen en Zijn geboden te houden!

Eerdman's Handbook to the History of Christianity - [Handboek voor de geschiedenis van het Christendom] - zegt: "De eerste Christelijke schrijvers beschouwen Simon als de bron van alle dwaalleren". (pag. 100) In haar artikel over Simon Magus identificeert The Encyclopaedia Britannica (11e editie) hem als de "stichter van een school voor Gnostici en als een vader van dwaalleer". De bekende historicus Edward Gibbon zegt, dat de Gnostici "vele sublieme, maar duistere grondbeginselen, die zij ontleenden aan oosterse filosofie, vermengden met het geloof van Christus". (The Triumph of Christendom in the Roman Empire - [De triomf van het Christendom in het Romeinse Rijk] - pag. 15)

Gnosticisme (de term is afgeleid van het Griekse woord voor wetenschap) was een hoogst intellectuele manier van leven. Het vertegenwoordigt een mengeling van Babylonische mysterie religie, Grieks filosofische speculatie en bedekking van bijbelse terminologie. Bij de Gnostici werden bijbelse uitleggingen niet letterlijk genomen, maar zij werden beschouwd als zinnebeelden om deze te gebruiken bij het onderwijzen van diepgaande "waarheden". "Met het Mozaïsche verslag van de schepping....... werd door de Gnostici met grove spot omgegaan". (Gibbon, pag. 13) Gnosticisme plaatste het heidense dualisme (tweeslachtigheid) op de voorgrond met de nadruk op de onsterfelijkheid van de ziel en het ingewortelde kwaad van materie. Het introduceerde ook veel zelfingenomen speculaties over de natuur van God en van de geestelijke wereld. Diverse nieuwtestamentische boeken - inclusief het Evangelie van Johannes, Kolossenzen en 1 Johannes - waren geschreven om de gnostische dwaalleringen te weerleggen, die Simon Magus en vele anderen begonnen te verspreiden.

De Hellenistische cultuur, die was doorgedrongen in het Midden-Oosten en de gebieden van de Middellandse zee, was een alternatieve wereldbeschouwing - een tegenstrever van de standpunten en waarden van de Bijbel. Het benadrukte de superioriteit van het denken en de logica in plaats van goddelijke openbaring. De latere Grieken, in verlegenheid gebracht door de spottende grappen over hun oude goden en helden in de geschriften van Homer en Hesiod, trachtten deze weg te redeneren als grove zinnebeelden. Deze benadering van hun "geïnspireerde" geschriften werd door Hellenistische Joden, zoals Philo van Alexandrië eigen gemaakt en toegepast op de Bijbel. Dit gebruik van het Oude Testament als een zinnebeeld was een handig middel voor Gnostici en anderen, die gehoorzaamheid aan duidelijke geboden wilden ontwijken.

Ongeveer 15 jaar na de doop van Simon Magus vond de Apostel Paulus het nodig om de Kerk in Thessaloniki te waarschuwen: "het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking". (2 Tessalonicenzen 2:7) Vijf jaar later waarschuwde Paulus de Korintiërs, dat zij in gevaar waren om door valse apostelen te worden verontreinigd, die "een andere Jezus" en "een ander evangelie" onderwezen. Simon en zijn volgelingen waren in werkelijkheid dienaren van Satan en deden zich voor als dienaren van Christus. (2 Korintiërs 11:3-4, 13-15)

In de jaren 60 n. Chr. riep de Apostel Judas, broer van Jacobus en Jezus Christus, Christenen op tot de noodzaak om "het uiterste te strijden voor het geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd" is. (Judas 3) Hij waarschuwde verder, dat er bepaalde mannen waren, die heimelijk in de kerkorganisatie waren geslopen en trachtten om genade in wetteloosheid te veranderen door te onderwijzen, dat Gods wet niet langer nodig was. (v. 4) In de tijd van Judas was het ware geloof reeds voor eens en altijd overgeleverd. Moderne wetenschappers, die beweren dat het voor theologen uit de tweede en derde eeuw bleef bestaan om een nauwkeurig begrip van Gods natuur te formuleren, zouden er goed aan doen om Judas 3 te herlezen. Het is duidelijk, dat Judas geen "progressieve openbaring" toestaat!

Toen hij aan het einde van de eerste eeuw schreef, bijna 30 jaar nadat de rest van het Nieuwe Testament was voltooid, had de bejaarde Apostel Johannes te kampen met dwaalleringen, die veel meer wijdverspreid waren dan in de dagen van Paulus en Judas. Johannes benadrukte herhaaldelijk de noodzaak van het houden van Gods geboden. (1 Johannes 2:3; 3:4, 22; 5:3) Hij benadrukte in 2 Johannes 7: "Want er zijn vele misleiders uitgegaan in de wereld". In 3 Johannes 9-10 had een leider, Diotrephes genaamd, toezicht gekregen over enkele gemeenten in Klein Azië en deze plaatste ware Christenen, die loyaal bleven aan de bejaarde Apostel Johannes en zijn leerstellingen, wezenlijk uit de Kerk.

De Kerk in de Overgang

Ongeveer 25 jaar vóór de geschriften van Johannes had een gebeurtenis met verstrekkende gevolgen voor de Nieuwtestamentische Kerk plaatsgevonden. Deze gebeurtenis was de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinse legers onder Titus in 70 n. Chr. De Jeruzalem Kerk van God, onder leiding van de opvolger van Jakobus, Simeon (volle neef van Jakobus en Christus), ontvluchtte Jeruzalem kort voor 70 n. Chr. en ging naar Pella, een afgelegen woestijn gemeenschap. Na de dood van Simeon beleefde de Jeruzalem Kerk van God grote instabiliteit en had 13 leiders in de daarop volgende 28 jaar.

Vele dwaalleringen, die eerder verspreid waren, kwamen nu tot volle bloei. Bovendien waren velen in de Kerk ontmoedigd en verward. De gebeurtenissen liepen niet zoals in het algemeen werd verwacht. De Kerk werd in toenemende mate een mengeling van nieuwe bekeerlingen uit de Heidenen en tweede of zelfs derde generatie leden.

Tijdens het laatste deel van de eerste eeuw en het begin van de tweede werd de Romeinse wereld in toenemende mate vijandig tegen de Joden. Als straf werden buitengewone onderdrukkende wetten en zware belastingen aan hen opgelegd door het Romeinse Rijk. Tussen de eerste (66-73 n. Chr.) en tweede (132-135 n. Chr.) Joodse opstand waren er vele gewelddadige anti-joodse pogroms in plaatsen zoals Alexandrië en Antiochië. In reactie hierop gingen de Joden oproer stoken in Mesopotamië, Palestina en Egypte.

Regelmatig leden de Christenen als slachtoffers van deze uitbarstingen, omdat zij door de autoriteiten gezien werden als een Joodse sekte. Zij werden door de Joodse revolutionisten echter beschouwd als verraders van het Judaïsme en van de Joodse politieke ambities, omdat zij niet wilden strijden tegen de Romeinen. In die tijden kwamen honderdduizenden leden van synagoge enkerk om - degenen, die de Sabbat vierden en de Schriften bestudeerden - onder Romeinse handen of door bendes.

Tijdens dit gevaarlijke tijdperk begon de Roomse kerk onder haar bisschop Sixtus (ca. 116-126 n. Chr.) zondagsdiensten te houden en maakte een einde aan het vieren van het jaarlijkse Pascha en verving dit door paaszondag en "de eucharistie". Dit staat in een duidelijk verslag, dat bewaard werd door Eusebius van Caesarea, een wetenschapper uit de late derde en vroege vierde eeuw n. Chr., die bekend werd als de "vader van de kerkgeschiedenis". Eusebius citeerde zijn informatie uit een brief van Irenaeus, de bisschop van Lyon (ca. 130-202 n. Chr.) aan bisschop Victor van Rome. Dr. Samuele Bacchiocchi bevestigt in zijn boek From Sabbat to Sunday - [Van Sabbat naar zondag], "Er is een grote overeenstemming bij wetenschappers, dat Rome inderdaad de geboorteplaats van paaszondag is. Sommige bestempelen het in feite terecht als "Romeins-Pasen". (pag. 201) Wat natuurlijk in het algemeen niet gerealiseerd wordt door sprekers van niet-Latijnse talen is, dat de Romeinen niet de naam "Pasen" voor hun nieuwe viering gebruikten; zij bleven het noemen naar het Latijnse woord voor Pascha, paschalis.

Deze officiële breuk met de wet van God was het natuurlijke gevolg van het "mysterie van ongerechtigheid", die genade verward met wetteloosheid en onderwees dat de wet niet nodig was. Als een wet niet geacht wordt nodig te zijn, is het slechts een kwestie van tijd totdat gemak zal voorschrijven of het gewijzigd of afgeschaft moet worden. Toen het conflict tussen het Judaïsme en het Rijk verhevigde, ondernamen vele "Christenen" in Rome onder de leiding van bisschop Sixtus stappen om elke mogelijkheid te vermijden, dat zij als Joden werden beschouwd en daardoor met hen vervolgd zouden worden.

In 135 n. Chr., aan het einde van de tweede Joodse opstand nam de Romeinse keizer Hadrian (Publius Aelius Hadrianus) drastische stappen tegen de Joden. Hij gaf Jeruzalem een andere naam en noemde haar naar zichzelf en de "god" Jupiter Capitolinus - Aelia Capitolina - en legde de doodstraf op aan iedereen, die "Jood" genoemd werd en de stad durfde binnen te gaan.

Op dat moment werd Marcus, een Italiaan, bisschop van Jeruzalem, zoals Edward Gibbon optekende in het vijftiende hoofdstuk van zijn bekende Decline and Fall of the Roman Empire, [Het Verval en de Val van het Romeinse Rijk]: "Door zijn [Marcus] overtuigingskracht deed een aanzienlijk groot deel van de gemeente afstand van de Mozaïsche wet, van de gebruiken waarin zij meer dan een eeuw hadden volhard. Door dit prijsgeven van hun gebruiken en rechten verwierven zij vrije toegang tot de kolonie van Hadrian en versterkten meer hun éénheid met de Katholieke kerk". (deel 1, pag. 390)

Hoe zat het met degenen, die de wet van God bleven beschouwen als bindend voor Christenen? Gibbon schrijft: "De misdaden van dwaalleer en scheuring werden toegeschreven aan het onbekende overblijfsel van de Nazareners, die weigerden samen te gaan met hun Latijnse bisschop..... Binnen een paar jaar na de terugkeer van de kerk van Jeruzalem werd het een kwestie van twijfel en discussie of een persoon, die Jezus oprecht erkende als de Messias, maar die de wet van Mozes bleef respecteren, mogelijkerwijs kon hopen op verlossing". (pag. 390)

Het was slechts een kwestie van tijd voordat traditionele Christenen, die de viering van de Sabbat hadden beëindigd "hun broeders, die het Judaïsme aanhingen, uitsloten van de hoop op verlossing.... [en] elke omgang met hen afwezen in de algemene betrekkingen van vriendschap, gastvrijheid en sociaal leven".

Ongelooflijk! Dit gebeurde alhoewel zij een paar jaar eerder gezamenlijk Gods Feesten hadden gevierd. Toch sloten de meeste traditionele Christenen zich aan bij bisschop Marcus toen hij "nieuwe waarheid" inbracht en de trouwe Christenen veroordeelde, die vasthielden aan het historische geloof, dat hen allen onderwezen was. Degenen, die trouw bleven aan de waarheid werden spoedig gemeden als een bron van "scheuring" door een meerderheid, die historisch Christendom wilden vervangen door iets anders.

Een Theologie van "Nieuwe Waarheid"?

Veel van de "Christelijke" geschriften, die bewaard zijn vanaf de tweede eeuw, brengen een totaal andere theologie naar voren dan die van de Apostel Johannes, die 10 of 20 jaar eerder schreef. Zoals Bacchiocchi beweert: "Ignatius, Barnabas en Justin, wiens geschriften onze belangrijke bron van informatie vormen over de eerste helft van de tweede eeuw, waren getuigen en namen deel aan het proces van afscheiding van het Judaïsme, die de meeste Christenen geleid heeft tot het verwerpen van de Sabbat en de zondag aan te nemen als de nieuwe dag van aanbidding". (pag. 213) In ongeveer 110 n. Chr. schreef Ignatius van Antiochië: "Het is schandelijk om over Jezus Christus te spreken en Judaïsme in praktijk te brengen". (Magnesians, 10) Hij sprak ook over "het niet langer vieren van de sabbatten". Johannes, die zijn evangelie nauwelijks 20 jaar eerder schreef, benadrukte evenwel dat Jezus dezelfde Feestdagen vierde, die de Joodse gemeenschap vierde. (Johannes 7:2; 11:55)

Barnabas van Alexandrië, niet te verwarren met de Apostel Barnabas, beweert in zijn epistel geschreven in ongeveer 130 n. Chr., dat het Oude Testament een allegorie is en niet bedoeld was om letterlijk te begrijpen. Hij beschouwt de verbodsbepalingen van de wet tegen het eten van onrein vlees als een allegorie van het soort mensen, die door Christenen gemeden moesten worden. (Epistle of Barnabas - [Epistel van Barnabas], 10) Hij trachtte ook de Sabbat te allegoriseren en verklaart: "Wij houden de achtste dag om ons te verheugen, de dag waarop Jezus ook opstond uit de doden". (Epistle of Barnabas - [Epistel van Barnabas], 15)

Twee prominente theologen uit de tweede eeuw, die een belangrijke rol speelden in de overgang van de verandering van bijbelse theologie naar Rooms Katholieke theologie, waren beide in gemeenten gedoopt onder leiding van de trouwe Polycarp. Polycarp (ca. 69-155 n. Chr.) was een persoonlijke discipel van de Apostel Johannes en was één van de weinige kerkleiders in zijn dagen, die vasthielden aan de Waarheid. Deze twee mannen, Justin Martyr (ca. 95-167 n. Chr. ) en Irenaeus (ca. 130-202 n. Chr.) probeerden zich ook aan te passen aan de nieuwe richting van Roomse theologie in de naam van "kerk éénheid", terwijl zij enige waarheden, die zij onder Polycarp geleerd hadden, behielden. Alhoewel hij veel van Polycarps onderwijs had verlaten behield Irenaeus levenslang respect voor Polycarp als een groot man van God.

Justin was een Griek uit Samaria, die een platonische filosoof werd en toen onder invloed van Polycarp en zijn discipelen tot Christen werd gedoopt in Efeze in ongeveer 130 n. Chr. Hij kwam naar Rome in 151 n. Chr., stichtte een school en stierf vervolgens in 167 n. Chr. de marteldood. Na aankomst in Rome trachtte Justin de middenweg te bewandelen aangaande de wet. Henry Chadwick schrijft:

"Justin geloofde, dat een Joodse Christen volledig vrij was om de Mozaïsche wet te houden zonder een compromis te sluiten met zijn christelijk geloof en zelfs, dat een Christen uit de Heidenen, Joodse gebruiken kan houden als een Joodse Christen hem beïnvloed had om dit te doen; het moest alleen gehouden worden, als dergelijke vieringen onbelangrijke zaken en persoonlijke gewetenskwesties waren. Maar Justin moest erkennen, dat andere Christenen uit de Heidenen niet een dergelijk ruimdenkende kijk hadden en geloofden, dat degenen, die de Mozaïsche wet hielden niet behouden zouden worden". (The Early Church - [De vroege Kerk] - pag. 22-23)

Irenaeus groeide op in Klein Azië en hoorde als teenager Polycarp prediken. Hij kwam als jonge man naar Rome en werd later in 179 n. Chr. bisschop van Lyon in Frankrijk. Irenaeus werd beschouwd als de eerste grote Katholieke theoloog en schijnt zich veel moeite te hebben getroost om vrede en een verzoeningsgezinde geest te bevorderen. Zijn wens voor vrede was echter zo groot, dat hij bereid was omeen compromis te sluiten met de Waarheid om éénheid van de kerk te behouden. De kerken in Klein Azië onder leiding van Polycarp vierden de Sabbat en de Heilige Dagen. Toen Irenaeus echter naar Rome kwam schikte hij zich dadelijk naar de Roomse praktijken in het vieren van zondag en paaszondag. In Lyon hielden sommige het Pascha op Abib 14 en sommige hielden paaszondag. Irenaeus hield de paaszondag, maar probeerde tolerant te zijn voor degenen, die nog het Pascha vierden.

Er vond inderdaad een theologische revolutie plaats in de Kerk van de tweede eeuw. Merkt U op: "Justin Martyr nam een centrale plaats in binnen de geschiedenis van het christelijk denken van de tweede eeuw....... Justin vormde ook de denkwijze van Irenaeus, de bisschop van Lyon". (Chadwick, pag. 79) Alhoewel Justin een belijdende Christen werd in Efeze, "begreep hij niet, dat dit betekende, dat hij afstand moest doen van zijn filosofische onderzoekingen, evenals de verwerping van alles wat hij had geleerd van het Platonisme". (pag. 75) Hij geloofde, dat de God van Plato ook de God van de Bijbel was. "Justin maakt geen onbuigzame en exclusieve aanspraken op goddelijke openbaring aan de Hebreeën om de waarde van andere bronnen van wijsheid te ontzenuwen. Abraham en Socrates zijn dezelfde Christenen voor Christus". (pag. 76) Deze benadering bereidde de weg voor om Christelijke theologie een nieuwe vorm te geven en veel van de Griekse filosofische denkwijze betreffende de natuur van God te omarmen.

Ondanks dit alles erkende Justin de autoriteit van het boek Openbaring en geloofde "dat Christus zou terugkeren om Jeruzalem te herbouwen en om duizend jaar met Zijn heiligen te regeren". (pag. 78)

Irenaeus, zwaar beïnvloed door Justin, bewaarde ook stukken en brokken van de Waarheid ondanks het zich onderwerpen aan Roomse praktijken. Hij dacht terecht:"het doel van ons bestaan is het ontwikkelen van karakter door het beheersen van moeilijkheden en verleidingen". (pag. 81) Hij hield ook vast aan de letterlijke hoop op een aards millennium, tijdens welke Christus zou regeren op aarde en onderwees tegen het uitleggen van de hoop op het millennium als een symbool voor de hemel, ofschoon hij in zijn latere werken zijn aandrang op dit punt afzwakte.

De Waarheid prijsgeven ten gunste van éénheid en Traditie

Er bestonden twee fundamentele dwalingen, die traditionele Christenen onderscheiden van degenen, die de voortzetting van de Kerk, die Jezus bouwde, werkelijk vertegenwoordigden. Deze dwalingen hielden in of Gods wet nog bindend was voor Christenen en wie en wat God is. Dwalingen op deze twee punten leidden tot het steeds breder uiteenlopen van de traditionele Christelijke kerk en de ware Kerk van God.

Het belang van de wet was het belangrijkste gebied van controverse van ongeveer 50 n. Chr. tot 200 n. Chr. Het werd uiteindelijk niet opgelost tot het Concilie van Nicea (325 n. Chr.) en Laodicea (363 n. Chr.) toen de Romeinse staat er bij betrokken was. De essentie van het conflict werd bewaard in de confrontatie tussen Polycrates van Klein Azië en Victor, bisschop van Rome in ongeveer 190 n. Chr.Polycrates was de opvolger van Polycarp, die zelf een discipel van de Apostel Johannes was. Irenaeus tekent op, dat Polycarp in het midden van de tweede eeuw naar Rome was gereisd om Anicetus, bisschop van Rome trachten te overtuigen van het juiste tijdstip van het Pascha. Anicetus verklaarde, dat hij was gebonden door de traditie van zijn voorgangers vanaf bisschop Sixtus, terwijl Polycarp beweerde: "Hij heeft het [Pascha] altijd gevierd met Johannes, de discipel van onze Heer en de rest van de Apostelen, waar hij mee omging". (Eusebius xxiv)

Ongeveer 50 jaar na de reis van Polycarp trachtte Victor van Rome de kerken van Klein Azië te intimideren door zich aan te passen aan de praktijk van de Roomse paaszondag. Polycrates schreef aan Victor:

"Wij vieren daarom de ware dag [het Pascha] en voegen daar niets aan toe, noch nemen er niets van af. Aangezien in Azië de grote lichten gestorven zijn, die op de dag van de verschijning van de Heer weer zullen opstaan en waarop Hij in glorie zal komen vanuit de hemel en alle heiligen zal doen opstaan; Philip, één van de twaalf Apostelen, die in Hierapolis rust..... Johannes, die rustte aan de boezem van onze Heer..... Polycarp van Smyrna..... Deze vierden allen op de veertiende dag het Pascha, volgens het evangelie, in geen enkel opzicht afwijkend, maar het voorschrift van het geloof volgend..... en mijn familieleden vierden altijd de dag, waarop de mensen altijd het gezuurde wegdeden. [Abib 14] Daarom broeders, ik ben nu 65 jaar in de Heer en heb met de broeders in de wereld beraadslaagd en alle heilige Schriften bestudeerd en ben helemaal niet verontrust over die dingen waarmee ik word bedreigd om mij te intimideren. Want degenen, die groter zijn dan ik hebben gezegd, "Wij moeten God gehoorzamen in plaats van mensen". (Eusebius, xxiv)

Toen verschillende controverses door de tweede eeuw heen raasden had een nieuwe benadering van kerkbestuur enorme consequenties tot gevolg. Deze benadering was de nadruk op wat werd aangeduid als "Apostolische Opvolging".

In de eerste eeuw had Paulus de mensen van Berea geprezen om hun benadering van "hem na te trekken" door dagelijks de Schiften te onderzoeken om te zien of hij de waarheid onderwees. (Handelingen 17:11) Hij spoorde de Tessalonicenzen aan om: "toetst alles en behoudt het goede". ( 1 Tessalonicenzen 5:21) De hele eerste eeuw zien wij voortdurend, dat er een beroep gedaan werd op de Schriften.

Maar, te beginnen met de geschriften van Clement, bisschop van Rome, zien wij een nieuw accent. Clement schreef in ongeveer 100 n. Chr. een brief aan de kerk in Korinte, waarschijnlijk zeer kort na de dood van Johannes. De redacteuren vanMasterpieces of Christian Literature - [Meesterwerken van Christelijke Literatuur] - vatten de voornaamste ideeën van Clement samen als: "De weg naar vrede en harmonie is door gehoorzaamheid aan gevestigde autoriteiten, de oudsten. Christus bestuurt de kerken door de Apostelen, de bisschoppen, die door hen zijn benoemd en de erkende opvolgers van de bisschoppen".

Ongeveer tien jaar later onderstreepte Ignatius hetzelfde punt: "éénheid en vrede in de kerk en de geldigheid van de kerk worden verkregen door trouwe aanhankelijkheid aan de bisschop". (Masterpieces - Meesterwerken)

In het midden van de daarop volgende eeuw waren de beweringen zo sterk gegroeid, dat Cyprian van Noord Afrika verklaarde: "Het middelpunt van éénheid is de bisschop. Door hem te verlaten, verlaat men de kerk en men kan God niet als zijn Vader hebben als men de kerk niet als zijn moeder heeft". (Chadwick, pag. 119)

Deze beweringen werden gemaakt om broeders in een organisatie te houden, die zich snel ontwikkelde tot wat wij tegenwoordig kennen als de Rooms Katholieke Kerk. Hoe anders zijn deze beweringen dan die van Paulus en de andere nieuwtestamentische leiders, die voor bevestiging naar de H. Schrift verwijzen en naar de vruchten van hun dienaarschap. (verg. 1 Korintiërs 11:1; Handelingen 17:2)Omdat zij niet langer in staat waren om op duidelijke beweringen van de H. Schrift te steunen, baseerden kerkleiders uit de tweede en derde eeuw in toenemende mate hun recht op de loyaliteit van de broeders op hun verklaring, dat zij terecht geordineerde opvolgers van de Apostelen waren en van de bisschoppen, die hen opvolgden. Alhoewel zij in toenemende mate verlietenhetgeen de Apostelen onderwezen, trachtten deze misleiders de broeders bijeen te houden door beroep te doen op éénheid en op de nagedachtenis van de Apostelen.

Hoofdstuk 2: Een Dramatische Overgang

Hoe konden zovele zo snel veranderen? Dit is de vraag, die bij ons opkomt als wij de geschiedenis van de vroege Kerk bestuderen.

Ofschoon duidelijk omringd door vele problemen en valse leraren vertoonde de Christelijke beweging ten tijde van de dood van de Apostel Johannes aan het begin van de tweede eeuw n. Chr. tenminste een herkenbare gelijkenis met de Kerk van God uit het boek Handelingen. Maar aan het begin van de derde eeuw n. Chr. toonde het merendeel van dezelfde gemeenten, ofschoon zij zich nog "Kerk van God" noemden, veel meer doctrinaire gelijkenis met de middeleeuwse Katholieke Kerk dan met de Kerk van God tijdens de dagen van Apostelen Petrus, Jakobus, Paulus en Johannes.

Tijdens de tweede eeuw vonden er een aantal geleidelijke verschuivingen plaats in zowel de leerstellingen als de praktijk van het grootste deel van de gemeenten. De weg voor die verschuivingen was bereid door enige ideeën, die slechts een paar jaar na de opstanding en Hemelvaart van Christus werden verspreid. Ideeën hebben altijd gevolgen!

Een Ander Evangelie

Christus wijdde Zijn dienaarschap aan het verkondigen van het "Goede Nieuws" van een komende goddelijke regering, die de onderdrukkende menselijke regeringen zou vervangen, die de luisteraars van Jezus allen te goed kenden. De discipelen vroegen Hem om tekens om te laten zien wanneer die tijd nabij zou zijn. (Matteüs 24:3) De laatste vraag, die zij stelden toen Hij zich klaarmaakte om ten hemel op te gaan, betrof of het tijd was om het Koninkrijk te vestigen. (Handelingen 1:6) In de laatste fase van Paulus' dienaarschap, waarvan wij enig verslag hebben, zien wij dat Paulus nog "predikende het Koninkrijk Gods [was] en onderricht gevende aangaande de Here Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, zonder enige belemmering"! (Handelingen 28:31) Zelfs in het laatste geïnspireerde boek van de nieuwtestamentische lijst van erkende heilige boeken inspireerde Jezus Christus de Apostel Johannes door visioenen over de letterlijke vestiging van het Koninkrijk van God op deze aarde. (Openbaring 19:11-21; 20:4-6; 21)

Ondanks dit heldere verslag van het duidelijke onderwijs van Jezus Christus, lezen wij in 2 Korintiërs 11:3-15, dat valse dienaren in de Kerk waren geslopen en binnen 25 jaar na haar stichting predikten wat Paulus noemde "een ander evangelie". Tegen de tweede eeuw werd het ware Evangelie, dat Jezus had onderwezen een "twijfelachtige opinie" genoemd door de leiders van de ontluikende "orthodox" Christelijke kerk. Tegen de derde eeuw werd het eigen voorbeeld en onderwijs van Christus beschouwd als onmiskenbare ketterij. Gedurende de tweede en derde eeuw richtte het "evangelie" wat toen werd gepredikt zich bijna uitsluitend op depersoon van Jezus. Tegelijkertijd nam ook de aanvaarding toe van heidense denkbeelden over de onsterfelijkheid van de ziel, alsook over hemel en hel.

Het juiste begrip van het Koninkrijk van God werd in de tweede eeuw goed behouden, zelfs door mensen zoals Justin Martyr en Irenaeus. Natuurlijk waren zij op andere gebieden op het verkeerde pad, zoals hun onderwijs betreffende Gods wet. Edward Gibbon schrijft over deze periode:

"De zekerheid van zo'n millennium werd zorgvuldig ingeprent door..... [degene] die zich met de directe discipelen van de Apostelen onderhielden..... Maar toen het bouwwerk van de kerk bijna was voltooid werd de tijdelijke steun terzijde gelegd. De leerstelling van de regering van Christus op aarde werd eerst als een diepzinnige allegorie opgevat en werd gaandeweg beschouwd als een twijfelachtige en nutteloze mening en werd op den duur afgewezen als het belachelijke bedenksel van ketterij en fanatisme". (Decline and Fall - [Verval en Val] - deel 1, hoofdstuk 15)

Het merendeel van deze ontwikkeling was het gevolg van de invloed van Origen. Origen was, zoals wij in het kort zullen zien, één van de minst te vertrouwen personen, die ooit aanvaard moet worden als een Christelijke theoloog. Hij speelde een belangrijke rol in het formuleren van het Katholieke onderwijs aangaande de Drie-eenheid, de onsterfelijkheid van de ziel en het Koninkrijk van God.

Omdat het fundamentele begrip van het ware karakter van het Evangelie en het Koninkrijk van God was prijsgegeven, waren er rampzalige gevolgen. één ervan was de deelname van kerkleden aan politiek en in het leger. Historici waren praktisch unaniem in het erkennen, dat de vroege Christenen dergelijke betrokkenheid vermeden: "Maar alhoewel zij doordrongen waren van de regels van passieve gehoorzaamheid, weigerden zij elke actieve deelname aan het burgerlijke bestuur of in de militaire verdediging van het rijk". (Gibbon, The Triumph of Christendom in the Roman Empire - [De Triomf van het Christendom in het Romeinse Rijk] - pag. 41) Aan het einde van de derde eeuw waren er echter "Christelijke" legioenen in het Romeinse leger. Aan de traditionele Christenen werd gezegd, dat politieke deelname acceptabel was.

De Onsterfelijke Ziel

De leerstelling van de onsterfelijkheid van de ziel, praktisch algemeen in het heidendom, wordt noch in het Oude, noch in het Nieuwe Testament onderwezen. Let op de erkenning van the Interpreter's Dictionary of the Bible - [het Verklarend Woordenboek van de Bijbel], op dit punt:

"In de Statenvertaling van het O.T. [de aanwijzing is deels verdwenen uit de moderne vertalingen] staat "ziel" bijna uitsluitend voor het Hebreeuwse nephesh. Het woord "ziel"..... draagt regelmatig bijbetekenissen, die in nephesh ontbreken en komt uiteindelijk uit het filosofische Grieks (Platonisme) en uit het Orfisme en het Gnosticisme. In het O.T. betekent het nooit de onsterfelijke ziel, maar is in wezen het grondbeginsel van het leven of het levende wezen..... psuche in het N.T. komt overeen met nephesh in het O.T.". (deel 4, pag. 428)

Hoe kwam het denkbeeld van een onsterfelijke ziel in het Christendom? Al in de jaren 200 v. Chr. begonnen sommige Joodse sekten dit denkbeeld op te nemen; dit is toe te schrijven aan Griekse invloed en zij trachtten dit te vermengen met de bijbelse lering van de opstanding. Dit wordt toegelicht door tussen-testamentaire apocriefe geschriften zoals het Boek Jubilee en Vier Macabeeën en ook door zowel Philo en Josephus. De Gnostici, met hun accent op heidense tweeslachtigheid, leggen de nadruk op de onsterfelijkheid van de ziel in tegenstelling tot de opstanding van het lichaam. De International Standard Bible Encyclopedia - [Internationale Standaard Bijbel Encyclopedie] - verklaart: "Er is een onderscheid tussen alleen een Platonisch geloof in de onsterfelijkheid van de ziel en bijbels onderwijs met betrekking tot de opstanding van de doden". (deel 2, pag. 810)

Schrijvers van de late tweede en vroege derde eeuw, zoals Tertullian en Origen speelden een belangrijke rol in het vormen van de toekomstige Katholieke leerstellingen met betrekking tot hemel, hel en de onsterfelijkheid van de ziel. De ISB Encyclopedia gaat verder met bekendmaken: "De vroege Christenen werden vaak beïnvloed door zowel Grieken als Joodse gedachten. Velen werden bijvoorbeeld beïnvloed door de leerstellingen van Pythagoras over de splitsingen van de ziel in diverse delen en de zielsverhuizing: Platonische en Neoplatonische (vooral van Plotinus) begrippen liggen achter het denkbeeld van Origen op de ziel..... Tertullian volgde stoïcijnse ideeën". (deel 4, pag. 588) The Encyclopedia of Religion - [de Encyclopedie van Religies] - brengt naar buiten, dat vele latere invloedrijke Katholieke theologen "allen de bijbelse concepten van de ziel verklaarden langs de Platonische lijnen en in de algemene traditie van Origen en zijn school".

De Drie-eenheid

Er was niet slechts één dwaalleer betreffende de aard van God, maar vele verschillende tegenstellingen. Er leken bijna net zoveel verschillende ideeën te zijn als filosofische scholen en leraren. De gedachte van de heersende Katholieke stroming, waaruit de Orthodoxe Protestante leerstelling over het onderwerp ontsprong, vertegenwoordigt de specifieke soort dwaalleer, die het won van de concurrenten. Omdat deze leerstelling het, met enige wijziging, heeft overleefd tot in onze tijd, zullen wij deze nader onderzoeken.

De achtergrond van de orthodoxie van de derde eeuw over het onderwerp van de Drie-eenheid wordt niet in de bijbelse tekst gevonden, maar in de Griekse filosofische geschriften. The Roman Catholic New Theological Dictionary - [Het Rooms Katholieke Nieuwe Theologische Woordenboek] - maakt op dit punt een aantal openhartige bekentenissen. Wat betreft het bijbelse onderwijs over de aard van de Heilige Geest erkent het in haar artikel "Drie-eenheid": "Als zodanig is de Geest nooit een nauwkeurig bepaald onderwerp van N.T. aanbidding geweest, noch is de Geest ooit beschreven in een N.T. tekst als in wisselwerking staand op een intermenselijke manier met de Vader en de Zoon".

Verder in hetzelfde artikel erkennen moderne Katholieke wetenschappers, sprekend over de achtergrond van de orthodoxe leerstelling over de Drie-eenheid, de heidense invloeden op hun theologie:

"Christenen..... vertrouwd met de toen overheersen defilosofie van Midden-Platonisme, grepen de gelegenheid aan om de Christelijke boodschap te verkondigen en toe te lichten in een gedachtevorm, die gewichtig was voor de ontwikkelde klasse van de wijdvertakte Hellenistische gemeenschap. Deze beweging, die in het algemeen positief beoordeeld werd door de Katholieke theologie, zou een enorme invloed hebben op de ontwikkeling van de Christelijke theologie..... Ervan overtuigd, dat de God die zij [de heidense Griekse filosofen] predikten, de Vader was van Jezus Christus en dat het behoud wat zij verkondigden die van Jezus was, pasten de geloofsverdedigers veel van de Hellenistische wereldbeschouwing aan..... [Tertullian maakte] als eerste gebruik van de term "drie-eenheid".

Origen eigende zich de filosofie van het Midden-Platonisme meer stelselmatiger toe dan de geloofsverdedigers en Tertullian hadden gedaan. Feitelijk was zijn 'denkbeeld van de eeuwige generatie' een aanpassing van de Midden-Platonische leerstelling, dat de hele wereld van geestelijke wezens eeuwig was. De Zoon is voor eeuwig voortgekomen (of ontstaan) uit het ware wezen God en bestaat daarom uit de vaders' Geest, maar tweede na de Vader..... Evenals Tertullian verzon Origen een geslachtsterm voor de "drie" van de goddelijke drie-eenheid. De Vader, de Zoon en Heilige Geest zijn 'drie goddelijke wezens (hypostasen)'..... De belangrijkste bijdrage van Origen aan het formuleren van de trinitaire leerstelling is het begrip van de eeuwige generatie. Zijn geslachtsterm voor de 'drie' (hypostasen) zou in de vierde eeuw aangenomen en verfijnd worden". (pag. 1054)

Als wij naar de ontwikkeling van de "Christelijke" theologie in de late tweede en vroege derde eeuw kijken, komen de namen van Tertullian en Origen steeds ter sprake. Tertullian (ca. 150-225 n. Chr. ), de vader van de Latijnse theologie genoemd, was "één van de meest krachtige schrijvers van die tijd en bijna net zo invloedrijk als Augustinus in de ontwikkeling van de theologie in het westen". (Eerdman, Handbook to the History of Christianity - [Handboek voor de Geschiedenis van het christendom] - pag. 77)

Tertullian woonde in Carthago en was één van de eerste, die onderwees dat een vurige hel bij de dood begon. In zijn latere jaren brak hij met Rome en werd een Montanist. Dit betekent, dat hij de stellingen aanvaardde van twee, door de duivel bezeten vrouwen, zie zichzelf profetessen noemden. Zij kwamen in staat van vervoering en "spraken in tongen" en beweerden de "Paraclete - [Parakleet]" te zijn (een term voor de Heilige Geest in het Evangelie van Johannes) en onderwezen een boodschap, die de "Nieuwe Profetie" werd genoemd.

Origen (ca. 185 - 254 n. Chr. "was de grootste wetenschapper en de meest vruchtbare schrijver van de vroege kerk". (Eerdman, pag. 104) In ± 203 n. Chr. volgde Origen, Clement van Alexandrië op als leider van een beroemde school, die bedoeld was om Christenen voor te bereiden op het doopsel en die cursussen aanbood in filosofie en natuurwetenschappen voor het grote publiek. Gezien zijn reputatie als een grote wetenschapper en leraar theologie; hoeveel begreep Origen werkelijk? Niet lang nadat hij de school in Alexandrië had overgenomen castreerde Origen zichzelf, volgens de kerkhistoricus Eusebius uit de vierde eeuw! Deze daad was gebaseerd op zijn begrip (of liever onbegrip) van de woorden van Christus in Matteüs 5:29-30.

Dit uiterste gebrek aan gezond begrip van de juiste betekenis en bedoeling van de Bijbel wordt pijnlijk getoond in vele van zijn theologische geschriften. "Origen introduceerde de mogelijkheid van een helende hel [vagevuur]". (International Bible Encyclopedia - [Internationale Bijbel Encyclopedie] - "Hel") Hij speelde ook een belangrijke rol in wat zich later ontwikkelde tot Katholieke Mariaverering, door als eerste het denkbeeld voor te leggen, dat Maria na de geboorte van Jezus maagd is gebleven.

Religieuze Kunst in de Eredienst

één van de meest drastische veranderingen, die de kerk na de eerste eeuw aantastte was de invoering van religieuze kunst in de eredienst. Deze vernieuwing, die zo duidelijk rook naar de beeldendienst en verboden werd door het tweede gebod, sloeg langzaam aan. Merk op:

"Zowel Tertullian als Clement van Alexandrië beschouwden dit verbod als absoluut en bindend voor Christenen. Beelden en sektische standbeelden behoren tot de demonische wereld van het heidendom. In feite waren radicale Gnostici de enige bekende Christenen uit de tweede eeuw, die beelden van Christus hadden..... Maar voor het einde van de tweede eeuw brachten Christenen openlijk op artistieke manieren hun geloof tot uitdrukking". (Henry Chadwick, The Pelican History of the Church - [de "Pelikaan" Geschiedenis van de Kerk], pag. 277)

Het vroegste voorbeeld van een kerk, die afbeeldingen aan de muur had was een gebouw uit de derde eeuw in Dura aan de Eufraat. Zelfs toen waren het voornamelijk oudtestamentische taferelen. Nog tot aan keizer Constantijn toe waren vele leiders van de traditionele Christelijke kerk geschokt bij de gedachte om afbeeldingen of beelden van Christus te hebben. Wij lezen:

"In ± 327 [n. Chr.] ontving de wetenschappelijke historicus Eusebius van Caesarea een brief van de zuster van de keizer, Constantia, die hem om een afbeelding vroeg van Christus..... Eusebius schreef haar een zeer streng antwoord. Hij besefte goed dat men afbeeldingen van Christus en de Apostelen kon vinden. Zij waren in de bazaars van Palestina te koop en hij had ze zelf gezien. Maar Eusebius dacht niet dat de schilders en winkeliers, die deze berinneringen aan pelgrims verkochten, Christenen konden zijn..... [hij] nam het voor vanzelfsprekend aan, dat alleen heidense kunstenaars er aan dachten om dergelijke voorstellingen te maken". (ibid., pag. 280-281)

Epiphanius van Salamis, een kerkleider uit de vierde eeuw was geschokt toen hij een gordijn zag in een kerkportaal in Palestina met een afbeelding, die Christus voorstelde. Hij diende niet alleen een fel protest in bij de bisschop van Jeruzalem, maar rukte persoonlijk het gordijn af en vernietigde het. Tegen de tijd, dat hij in 403 n. Chr. stierf waren portretten van Christus en de heiligen echter in toenemende mate wijdverspreid. Dit werd vergezeld door de verering van Maria, die in 400 n. Chr. een steeds toenemende plaats innam in persoonlijke toewijding.

De Keizerlijke Kerk

Na bijna drie eeuwen van wisselvallige vervolging door de Romeinse regering werd in Milaan in 313 n. Chr. de Verordening van Verdraagzaamheiduitgevaardigd. Spoedig daarna ging het Christendom, van gewoon officieel toegelaten door het Romeinse Rijk, over naar daadwerkelijk de officiëlestaatsgodsdienst van het rijk.

  • Betekende dit een succesverhaal voor de Kerk, die Jezus Christus bouwde?
  • Had echt bijbels Christendom in het Romeinse Rijk gezegevierd?

Verre van dat! Wat wij hebben gezien is een door het heidendom beïnvloede religie, die zich Christelijke terminologie toeeigende, terwijl het heidense tradities vasthield - dit alles opgelegd door de Romeinse keizer Constantijn. Het was heel verschillend van de vervolgde, Joods-christelijke Kerk, die door Jezus Christus Zelf in de eerste eeuw werd gesticht. Constantijn herkende de belangrijke rol, die religie kon spelen in het verenigen van zijn rijk en in het geven van een gemeenschappelijke identiteit aan zijn bevolking. In eerste instantie gemotiveerd door deze politieke belangen sloot Constantijn een verdrag met de bisschop van Rome en begon het proces van het scheppen van een "standaard merk" voor "Christendom" door zijn hele rijk heen. Hij speelde een grote rol in het bijeenroepen van het Concilie van Nicea in 325 n. Chr. en trad zelf als voorzitter op. Onthoudt, dat Constantijn zelfs nog niet gedoopt was! In feite stelde hij het dopen uit tot op zijn sterfbed en toen was hij te ziek om ondergedompeld te worden. Zijn persoonlijk voorbeeld van besprenkeling droeg veel bij aan het opgeven van onderdompeling ten gunste van besprenkeling.

Op de eerste plaats trachtte het Concilie van Nicea twee moeilijke vraagstukken op te lossen, die eerder niet volledig waren geregeld. Het ging om verdeeldheid in strijdpunten over zowel de natuur van God als over het Pascha. Gesteund door de keizerlijke macht kregen de zienswijzen van de Roomse kerk op het concilie de overmacht. De hele oppositie werd de mond gesnoerd.

Constantijn was er ook verantwoordelijk voor, dat "de eerbiedwaardige dag van de Zon" een staatsfeestdag werd en de gerechtsgebouwen gesloten moesten zijn en de meeste zaken hun deuren moesten sluiten.

Deze Romeinse keizer was voorheen een aanbidder van Sol Invictus ["de onoverwinnelijke zon"] en met zijn "bekering" kwamen vele motieven van zonaanbidding, zoals het gebruik van het kruis en het aureool in de kunst, in het "Christendom". Op dat moment begonnen ook de massabekeringen van de bevolking. Om dit te bevorderen werden populaire feestdagen zoals de Saturnaliën en Lupercalia opnieuw gebruikt voor nieuwe "Christelijke" erediensten en nu Kerstmis en Valentijnsdag genoemd. De leiders van de kerk in Rome beweerden, dat zij slechts de weg verruimden om het Christendom meer toegankelijk te maken voor de massa en zeker veel minder "Joods". Antisemitisme was een motiverende kracht in het Roomse Christendom.

Waar was de Kerk, die Jezus Bouwde?

Wat was er gebeurd met de Kerk, die gesticht was door een uitstorting van Gods Heilige Geest op het Pinksterfeest in 31 n. Chr.?

Waar was Christus en wat deed Hij tijdens deze periode?

In het tweede en derde hoofdstuk van het boek Openbaring vinden wij boodschappen, die Jezus Christus optekende voor de zeven kerken in Klein Azië. In hoofdstuk één zag de Apostel Johannes een visioen van de verheerlijkte Christus, die in het midden van zeven gouden kandelaars stond. Deze zeven kandelaars vertegenwoordigen de Kerk van God in haar totaliteit door de tijd heen. (Openbaring 1:12-20) De zeven steden van Klein Azië, die in Openbaring worden genoemd waren natuurkundig gelegen als opeenvolgende haltes aan een Romeinse postweg.

Wat is de betekenis van deze zeven boodschappen?

Het is duidelijk, dat deze boodschap een historische toepassing heeft voor zeven letterlijke gemeenten in de eerste eeuw. Bovendien - en dit is voor ons vandaag de dag belangrijk - illustreren deze gemeenten echter houdingen en problemen, die de Christelijke gemeenschap kunnen karakteriseren, alsook individuele Christenen, in de jaren nadat Johannes geschreven heeft. (Verg. Openbaring 2:7)

Als wij naar de samenhang van het boek Openbaring kijken moeten wij erkennen dat het voornamelijk bedoeld is als een profetie. Openbaring 1:1 laat zien, dat het doel van het boek is om aan Gods dienaren dingen te laten zien, die spoedig staan te gebeuren. De zeven kerken moeten dus voornamelijk begrepen worden als een weergave van de hele geschiedenis van Gods Kerk in zeven opeenvolgende kerktijdperken.

De eerste Kerk, die in Openbaring 2 wordt behandeld is de Kerk in Efeze. Deze Kerk karakteriseerde het Apostolisch tijdperk. In vers 2 lezen wij dat de grootste beproeving van dat eerste tijdperk lag in het vaststellen wie de ware Apostelen van Christus waren en wie de leugenaars. (Verg. 2 Korintiërs 11:3-15) Dit was een tijdperk, dat lang en hard werkte om het Werk van God te doen en doorstond veel moeilijkheden en vervolging in dit proces. De ware Christenen van het Efeze tijdperk waren degenen, die de praktijken van de Nikolaïeten (volgelingen van Simon Magus) afwezen en haatten.

Na de vernietiging van de Tempel in Jeruzalem in 70 n. Chr. begon echter de ontmoediging en geestelijke apathie. De broeders hadden verwacht, dat Christus spoedig zou terugkeren na de omsingeling van Jeruzalem door Romeinse legers. Maar nu lag het grootste deel van Judea en Galilea in puin - bezet door Romeinse legioenen. De Joodse Christenen werden door hun landgenoten als verraders beschouwd en door de Romeinse autoriteiten mogelijke onruststokers. Het leven was hard en gevaarlijk.

Dit tijdperk had haar eerste liefde verlaten; de vroegere ijver om het Werk te doen. De leden begonnen de aandacht te verliezen wat betreft die leerstellingen, praktijken en prioriteiten, die hun de ware identiteit en doel gaven.

De levende boodschap van Christus aan Christenen van het Efeze tijdperk was, dat wanneer zij zich niet bekeerden en terug zouden keren naar hun eerste werken van het ijverig verkondigen van het Evangelie, Hij hun kandelaar zou wegnemen. De afvalligheid van het overgrote deel van de Jeruzalem Kerk in 135 n. Chr. (toen de tweede Joodse opstand tegen Rome totaal was verpletterd) wordt in het algemeen genomen om het einde van het Efeze tijdperk te markeren. Degenen, die trouw bleven tijdens deze zware laatste dagen werden door de grotere kerk aangeduid als "Nazireeërs" (verg. Handelingen 24:5) en "Ebonieten". [Armen] Zoals het tegenwoordig ook het geval is bestaan er naast de ware Kerk van God een uitgebreide verscheidenheid van "onafhankelijke" groepen, die waarheid en dwaling in een groot assortiment van denkbeelden vermengen. Deze groepen werden soms door de Roomse kerk tot één geheel samengevoegd als mede "ketters" met de "Nazireeërs" of "Ebonieten".

De Kerk in Smyrna is de tweede van de zeven kerken van Openbaring, die wordt behandeld. De Apostel Johannes stierf in Efeze aan het het einde van de eerste eeuw. De volgende trouwe leider in Klein Azië was, zoals opgetekend in het vorige hoofdstuk, Polycarp, bisschop van Smyrna. Als jonge man was Polycarp een persoonlijke discipel van Johannes geweest en had het Pascha verschillende keren met hem gevierd. Polycarp werd bekend tijdens de eerste tientallen jaren van de tweede eeuw. De kerken onder zijn leiderschap bleven één van de weinige plaatsen waar Gods Feesten gedurende de rest van de tweede eeuw gevierd werden. Op hoge leeftijd maakte Polycarp zelfs een reis naar Rome om de bisschop van Rome, Anicetus proberen te overtuigen van zijn dwalingen in het houden van een jaarlijkse paaszondag en een wekelijkse viering van de "Eucharistie" in plaats van het bijbelse Pascha.

In de laatste tientallen jaren van de tweede eeuw diende Polycrates zich aan, een trouwe kerkleider, die door Polycarp persoonlijk was getraind. Hij bleef de enige Christelijke leider van betekenis, die trouw was aan het voorbeeld van de Apostelen van de Jeruzalem Kerk van God. Polycrates onderwees het ware Evangelie van de letterlijke vestiging van het Koninkrijk van God op aarde; de onbewuste toestand van de doden, die op de opstanding wachten; het belang van het houden van Gods wet en het vieren van Gods bijbelse Feesten.

Tegen het einde van de tweede eeuw begon Victor, bisschop van Rome, Polycrates en degenen die zijn onderwijs volgden te bestempelen als ketters - bronnen van tweedracht en scheuring in de kerk. Polycrates bleef trouw ondanks zowel toenemende druk en isolement van zogenaamde "medechristenen" als vervolging en vijandigheid van de omliggende heidense gemeenschap. Na zijn dood kennen wij echter geen andere sterke, bekende leider van die trouwe kerken in Klein Azië.

In het algemene beeld verloren ware Christenen terrein aan de veel populairder en aangepaste Roomse Kerk. Hun aantallen slonken en zij werden in toenemende mate geïsoleerd. Veracht en bestempeld als "Ebonieten" door de heersende kerk moesten personen en groepen gezinnen, die trouw bleven zich verplaatsen naar meer verlaten gebieden van Klein Azië.

Zelfs al vroeg, aan het einde van de eerste eeuw, werden ware Christenen uit de gemeenten geplaatst, die geleid werden door afvallige leiders. (3 Johannes 9-10) In de tweede eeuw werden anderen, zoals het trouwe overblijfsel, die "nieuwe waarheid" weigerden te accepteren van bisschop Marcus van Jeruzalem, gedwongen om zich te onttrekken aan de gemeenten waarvan zij leden waren geweest. Dit gebeurt als ontrouwe leiders de zichtbare kerk steeds verder op een dwaalspoor brengen.

De grootste beproeving van het Smyrna tijdperk lag op twee gebieden. De eerste was hun vermogen om onderscheid te maken tussen de voortzetting van de ware Kerk van God en wat, in werkelijkheid, de opkomst van de Synagoge van Satan was.

De andere lag in hun bereidheid om vervolging en zelfs de dood te doorstaan om trouw te blijven aan God. (Openbaring 2:9-10)

Fysiek waren de Christenen uit dit tijdperk verarmd en vervolgd. Door de snelgroeiende "Orthodoxe" beweging werden zij als ketters verworpen, door de Joden bestempeld als afvalligen van de synagoge en door de omliggende heidense Romeinse gemeenschap bekeken met minachting en achterdocht. In Gods achting, echter, werden degenen die tijdens deze verschrikkelijke tijden trouw bleven, beschouwd als mensen, die een geestelijke rijkdom van grote waarde hadden en die uiteindelijk een kroon des levens zullen ontvangen. (Openbaring 2:9-10)

Nadat Constantijn begon met de systematische uitvoering van de naleving van de Roomse theologie in 325 n. Chr. , was het overblijfsel van de ware Kerk grotendeels gedwongen om over de grenzen van het Romeinse Rijk te vluchten naar de bergen van Armenië en later naar de Balkan gebieden van Europa. Zij waren in de minderheid en het ontbrak hun volkomen aan aanzien of rijkdom en zij werden bestempeld als vijanden van de staat door een zogenaamd "Christelijk" Romeins Rijk.

In Gods ogen waren zij echter waardevol. Het was niet Gods doel dat Zijn ware Kerk uitgroeide tot een grote, krachtige organisatie, die de wereld zou "kerstenen". Zijn ware Kerk zou een "klein kuddeke" blijven. (Lucas 12:32) Haar continuïteit zou gemeten worden naar een opeenvolging van trouwen, bekeerde mensen die, ofschoon verspreid en vervolgd, de Vader aanbaden in geest en in waarheid (Johannes 4:23-24) en niet naar een opvolging van trotse, machtige leidinghebbende bisschoppen in een bepaalde stad. (Verg. Hebreeën 13:14)

Er zouden tijden komen, dat God trouwe leiders zou doen opstaan om Zijn volk nieuwe kracht te geven en een soort Werk te doen, dat algemeen zichtbaar was, tenminste in de plaatselijke gebieden. Er waren andere tijden, dat Gods Kerk bleef bestaan in een zodanig verspreide verborgenheid, dat het slechts zichtbaar was voor God. Toch stierf het nooit uit.

De Zeven Kerken van Openbaring

In het tweede en derde hoofdstuk van Openbaring tekende de Apostel Johannes boodschappen op van Jezus Christus aan kerken in zeven specifieke steden in het westen van Klein Azië. (Nu het land Turkije) Deze steden, belangrijk door handel en communicatie, waren met elkaar verbonden door belangrijke wegen als opeenvolgende haltes op een Romeinse postroute, toen Johannes zijn visioen schreef. Merk op, dat Christus de kerken aansprak in hun exacte geografische volgorde. Als wij erkennen, dat het hele boek Openbaring bedoeld is als een profetie (Openbaring 1:1) en dat bepaalde verschillende omstandigheden in de zeven kerken niet gelijktijdig konden zijn (verg. Openbaring 2:10; 3:7-8) is het duidelijk, dat deze kerken de geschiedenis van de hele Kerk van God vertegenwoordigen als zeven Kerktijdperken, die in chronologische volgorde plaatsvinden.

  • Boodschap aan Efeze: "Gij hebt hen op de proef gesteld, die zeggen, dat zij apostelen zijn, maar het niet zijn..... Maar..... gij hebt uw eerste liefde verzaakt". (Openbaring 2:2, 4)

  • Boodschap aan Smyrna: "Gij zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees getrouw tot de dood en Ik zal u geven de kroon des levens". (Openbaring 2:10)

  • Boodschap aan Pergamum: "Ik weet uw werken..... Ik heb enige weinige dingen tegen u". (Openbaring 2:13-14 SV)

  • Boodschap aan Tyatira: "Ik weet uw werken..... uw laatste werken, die meer zijn dan de eerste". (Openbaring 2:19)

  • Boodschap aan Sardis: "Gij hebt de naam, dat gij leeft, maar gij zijt dood". (Openbaring 3:1)

  • Boodschap aan Filadelfia: "Ik heb een geopende deur voor uw aangezicht gegeven die niemand kan sluiten; want gij hebt mijn naam niet verloochend". (Openbaring 3:8)

  • Boodschap aan Laodicea: "Omdat gij lauw zijt en noch heet, noch koud, zal Ik u uit mijn mond spuwen". (Openbaring 3:16)

Het eiland Patmos

Het eiland waar Johannes naar was verbannen en waar hij zijn profetisch visioen ontving en in het boek Openbaring optekende.

Hoofdstuk 3: De Kerk in de Wildernis

In de nasleep van het Concilie van Nicea probeerden keizer Constantijn en zijn opvolgers alle niet-overeenstemmende takken van het Christendom uit te roeien. Groepen, die weigerden overeen te stemmen met de leerstellingen en praktijken van de "gevestigde" kerk, die zich nu de Katholieke (universele) Kerk van God noemde, werden niet alleen gezien als ketters, maar als ondermijnende vijanden van de Romeinse staat.

De ware Kerk, in Openbaring 12 gesymboliseerd als een vrouw, was gedwongen om naar de wildernis te vluchten voor 1.260 "dagen". In bijbelprofetie staat een "dag" vaak voor een jaar. (Numeri 14:34; Ezechiël 4:6) De ware Kerk moest dus ondergedoken blijven voor 1260 jaar na het concilie van Nicea. Historisch gezien is dat gebeurd. Ofschoon deze echte donkere eeuwen waren, was er een licht dat bleef branden. De vlam flikkerde soms, maar het werd nooit gedoofd.

Elke kerkgeleerde of historicus, die de omzwervingen van de ware Kerk tijdens deze 1260 jaar periode probeerde na te gaan werd met verschillende problemen geconfronteerd. Dit komt omdat de geschiedenis van de ware Kerk niet gaat over één continu menselijke organisatie. De bewaarde geschiedenis van de Sabbathoudende Kerk van God werd bijna geheel geschreven door haar vijanden, die haar als ketters zagen. Wij lezen over groepen, die door vijandige buitenstaanders bestempeld werden met namen zoals Paulicianen, Bogomils en Waldenzen - waarvan kleine of grotere delen op verschillende tijden, ware Christenen blijken te zijn geweest in de vorm van de Jeruzalem Kerk van de eerste eeuw. Een andere moeilijkheid is dat de leerstellingen van elk van deze groepen na een tijd in het algemeen begonnen te lijken op die van hun Katholieke en Protestantse buren.

Wij zien ook, dat schrijvers vaak diverse groepen "ketters" onder één noemer brengen, inclusief de ware Kerk en niet echt de verschillen in hun leerstellingen onderscheiden. De grote moeilijkheid in de kerkgeschiedenis is dus niet eenvoudig het identificeren van wie wat onderwees, maar te herkennen:

  • wanneer een kerk ophield een deel van de ware Kerk te zijn en
  • wanneer God die ware Kerk naar een andere plaats overbracht.

De Kerk Vlucht naar de Woestijn

Gedurende de eerste drie eeuwen van haar bestaan stond de Kerk van God tegenover afwisselende perioden van wrede vervolging. Zij werd tijdens die tijden niet afzonderlijk uitgekozen maar werd in het algemeen samengevoegd met de Joden en een grote verscheidenheid van Christusbelijdende sekten. Die vervolgingen waren van beperkte duur en plaatselijk in omvang. De Romeinse keizer Diocletian, van 303 tot 313 n. Chr. ontketende de ergste vervolgingen voorafgaand aan het Concilie van Nicea. Dit zijn de "tien dagen" waar in Openbaring 2:10 naar verwezen wordt.

Toen Constantijn zijn macht in het Rijk stabiliseerde veranderden de dingen aanmerkelijk. Gibbon zegt ons, dat Constantijns religieuze toewijding "bijzonder gericht was op de belichaming van de Zon..... en hij was verheugd om met de symbolen van de God van Licht en de Dichtkunst afgebeeld te worden. De niet aflatende lichtbundels van die godheid, zijn stralende ogen..... lijken hem naar voren te brengen als de patroon van een jonge held. De altaren van Apollo waren gekroond met geloftegiften van Constantijn; en de goedgelovige massa werd onderwezen om te geloven, dat de keizer toegestaan was om met sterfelijke ogen de zichtbare majesteit van hun beschermgod te aanschouwen..... De zon werd wereldwijd bekend als de onoverwinnelijke gids en beschermer van Constantijn". (The Triumph of Christendom - [De triomf van het Christendom], pag. 309)

Vier jaar voorafgaand aan het Concilie van Nicea vaardigde Constantijn een wet uit voor het Romeinse Rijk, die verstrekkende gevolgen voor Gods volk zou hebben. "Het vroegste teken van de viering van zondag als een wettelijke verplichting is een grondwet van Constantijn in 321 n. Chr., die bepaalde dat alle gerechtshoven, inwoners van steden en werkplaatsen op zondag moesten rusten. (venerabili die solis, d.w.z. eerbiedwaardige dag van de zon)..... Dit was de eerste van een lange serie keizerlijke grondwetten, waarvan de meeste samengevoegd zijn in de "Code van Justinianus". Ongeveer 40 jaar later zette de Katholieke Kerk deze keizerlijke verordening voort in "canon [29] van het Concilie van Laodicea [363 n. Chr.], dieChristenen verbood om de joodse leer te volgen en op de Sabbatdag te rusten en die hen dwong om op die dag te werken". (Encyclopaedia Britannica, 11e ed. , "zondag")

Alleen al het feit dat in de laatste jaren van de vierde eeuw de Roomse Kerk het nodig vond om maatregelen te treffen tegen de Sabbatviering laat zien, dat het trouwe overblijfsel, in het bijzonder in Klein Azië, vasthield aan de Waarheid. Deze in toenemende mate machtige kerk stond er op, dat allen nu het "gekerstende" merk van de Romeinse zonaanbidding moesten accepteren. Degenen, die weigerden waren eenvoudig te identificeren en konden niet langer functioneren in de stedelijke gebieden van het Romeinse Rijk. Bijgevolg verdwenen de Christenen, die in de vierde eeuw als Nazireeërs bestempeld werden, uit de dichtbevolkte gebieden van Klein Azië. Drie eeuwen lang had het overblijfsel van de ware Kerk daar vertoefd, maar door de bekrachtiging van deze zondagwet door Constantijn werden zij gedwongen om te vluchten. De Katholieke historicus Epiphanius uit de vierde eeuw beschrijft deze mensen, die afweken van "de Joden en [Katholieke] Christenen: zij zijn het niet eens met de Joden vanwege hun geloof in Christus en niet met de [Katholieke] Christenen omdat zij opgeleid zijn in de wet..... Deze ketterij van de Nazireeërs komt voor in Beroea in de omgeving van Coele Syria en de Decapolis in de buurt van Pella..... Van daaruit was het begin na de uittocht uit Jeruzalem, toen alle discipelen in Pella gingen wonen". (Ray Pritz, Nazarene Jewish Christianity - [Nazireeërs Joods Christendom], pag. 34)

De "Pauliciërs" komen voor in Armenië

In de vijfde eeuw komt de Kerk voor in de afgelegen gebieden van oostelijk Klein Azië bij de rivier, de Eufraat en in de bergen van Armenië. Deze mensen werden bestempeld door hun tijdgenoten als "Pauliciërs". Wie waren zij?

Volgens de Armeense wetenschapper Nina Garsoian in The Paulician Heresy - de Paulicinische ketterij: "Moeten de Pauliciërs klaarblijkelijk beschouwd worden als het overblijfsel van de vroege vorm van het Christendom in Armenië". (pag. 227) De schrijver verklaart ook dat de Pauliciërs beschuldigd werden erger te zijn dan andere sekten vanwege het toevoegen van Judaïsme". (pag. 213)

De boodschap van Christus aan deze derde fase van Gods Kerk (Pauliciërs) wordt gekarakteriseerd door de Kerk in Pergamos. (Openbaring 2:12-17) Het woordPergamos betekent "versterkt" en de kerkleden van dit tijdperk waren bekend vanwege het wonen in afgelegen bergachtige gebieden. In Openbaring 2:13 zei Christus over de Pergamos Kerk, dat zij wonen waar Satans troon is. Pergamum was een centrum van de oude Babylonische mysterie religie. In 133 v. Chr. stierf Attalus III, de laatste "god koning" van Pergamum en in zijn testament heeft hij zijn koninkrijk en zijn titel, Pontifex Maximus ("Soevereine Bruggenbrouwer" tussen de mens en God) nagelaten aan de Romeinen. De Romeinse heersers namen de titel aan en hielden deze totdat keizer Gratian in 378 n. Chr. het verleende aan paus Damascus. De Katholieke pausen blijven tot op de dag van vandaag deze titel gebruiken. Historisch gezien verwijst de term "Satans troon" terug naar het oude koninkrijk van Nimrod, dat in het verre verleden Armenië en de noordelijke Eufraat insloot. (Genesis 10) De Pergamos kerk - de Pauliciërs - vestigden zich geografisch gezien in datzelfde gebied nadat Constantijn de zondagviering oplegde aan het Romeinse Rijk.

Tot aan de vijfde eeuw zien wij, dat de Pauliciërs als ketters verworpen worden in Katholieke documenten. De eerste belangrijke leider onder hen waar wij mee bekend zijn, is Constantijn van Mananali. (Ca. 620-681 n. Chr. ) In ongeveer 654 n. Chr. begon hij te prediken om te helpen de Kerk nieuw leven te geven. Voorafgaand aan zijn dienaarschap bestond het grootste deel van de kerkleden uit afstammelingen van Christenen, die meer dan twee eeuwen eerder uit Griekenland en Klein Azië waren gevlucht. Zij bewaarden de namen van hun originele gemeenten en bleven naar zichzelf verwijzen als de "kerk van Efeze" of de "kerk van Macedonië", alhoewel zij honderden kilometers van de originele plaatsen woonden.

Constantijn van Mananali werd in 681 n. Chr. terechtgesteld door Byzantijnse (oost Romeinse Rijk) soldaten onder bevel van een officier, Simeon genaamd. Simeon was zo overweldigd door het voorbeeld en de leerstellingen van Constantijn, dat hij in 684 n. Chr. terugkeerde, niet als een Romeins soldaat, maar als een bekeerling. Simeon werd een ijverige Paulicische prediker en hij stierf drie jaar later in 687 n. Chr. op zijn beurt de marteldood.

In 1828 werd in Armenië het manuscript van een oud boek ontdekt, getiteld The Key of Truth - [De sleutel van de waarheid]. Delen van het boek dateren van 800 n. Chr. en het verschaft ons de belangrijkste bijzonderheden over de leerstellingen van de Pauliciërs. Rond 1900 werd het in het Engels vertaald door Fred Coneybeare en wij weten daaruit, dat de Pauliciërs het gebruik van het kruis in de eredienst en de religieuze kunst meden en noemden het een "weerzinwekkend gebruik". Zij verwierpen oorlogvoering en vierden het Pascha op de veertiende dag van de eerste maand van de heilige kalender. De Pauliciërs verwierpen het recht van de Rooms Katholieke Kerk om de "Kerk van God" te zijn en betwistten de pauselijke aanspraken als "apostolische opvolgers" en andere aanmatigingen. Zij beschouwden de drie-eenheid, vagevuur en tussenkomst van de heiligen als onbijbels.

In de introductie van zijn Engelse vertaling van The Key of Truth verschaft Coneybeare historische achtergrond van onschatbare waarde over de praktijken van de vroege Pauliciërs. "Wij weten ook van een notitie, die in Ananias van Shirakbewaard is gebleven, dat de Pauliciërs, die dezelfde mensen waren uit een vroegere periode, Quartodecimans waren en het Pascha op de oudste manier vierden op de Joodse datum. Uit de taal van John van Otzun blijkt wellicht, dat de gelovigen van weleer in Armenië tijdens de zevende eeuw Quartodecimans waren, zoals wij zouden moeten aannemen, dat zij het zijn". (Coneybeare, intro. , clii) Dr. Coneybeare verklaart verder: "De Sabbat werd waarschijnlijk gehouden en er waren geen speciale zondagvieringen". (p., cxiii) Hij vervolgt met te zeggen over de Pauliciërs, dat "zij wellicht het overblijfsel waren van een oude Joods-Christelijke Kerk, die zich verspreid heeft via Edessa naar Siuniq en Albanië". (p., clxii)

Op een bepaald moment in hun geschiedenis gaven vele Pauliciërs zich over aan een fatale vergissing. Zij veronderstelden, dat zij zich ogenschijnlijk konden aanpassen aan vele praktijken van de Katholieke Kerk om vervolging te vermijden, zo lang zij het in hun hart beter wisten. Deze weg van compromissen had als gevolg, dat velen hun kinderen lieten dopen en anderen de mis bijwoonden. Christus profeteerde hierover en waarschuwde de Kerk in Pergamos voor degenen, die zich hielden aan heidense, verdorven leerstellingen. (Openbaring 2:14-15) Het gevolg van hun compromissen sluiten was dat Christus zware vervolging, die over hen kwam, toestond. Toen de vervolgingen kwamen besloten enige zwaar op de proef gestelde Pauliciërs dat de oplossing voor hun probleem lag in het sluiten van een verdrag met de Moslim Arabieren, die op dat moment serieuze aanvallen deden op het Byzantijnse (oost Romeinse) Rijk. Verdeeldheid onder de Pauliciërs gedurende deze jaren veroorzaakte verschillende afsplitsingen in de groep.

Vóór 800 n. Chr. kwam een leidende Kerkpersoonlijkheid, een man Baanesgenaamd aan het bewind bij de Pauliciërs in Armenië en die kondigde een leerstelling van militaire vergelding af. Kort daarna werd een andere kerkdienaar bij de Pauliciërs belangrijk, Sergius genaamd. Omdat Sergius oorlog verwierp en het oneens was met de positie, die Baanes innam, werd hij beschuldigd van het veroorzaken van scheuring in de groep. Maar ondanks de moeilijkheden duurde het dienaarschap van Sergius meer dan 30 jaar. Na zijn dood begonnen zijn volgelingen echter ook deel te nemen aan oorlog.

De Opkomst van de Bogomils

In de achtste en negende eeuw werden vele Armeense Pauliciërs door Byzantijnse keizers gedwongen om naar de Balkan te verhuizen. Zij werden daar als verdediging tegen de binnenvallende Bulgaarse stammen geplaatst. Opnieuw gevestigd in de Balkan werden de Pauliciërs Bogomils genoemd.

Wat onderwezen deze Bogomils?

"Het doopsel was alleen van toepassing op volwassen mannen en vrouwen..... beelden en kruizen waren afgoden". (Encyclopaedia Britannica, 11e ed. , "Bogomils") Zij onderwezen ook, dat bidden thuis moest gebeuren, niet in afzonderlijke gebouwen zoals kerken. Zij onderwezen, dat de gemeente bestond uit de "uitverkorenen" en dat elke persoon de volmaaktheid van Christus moest trachten te bereiken. Er wordt gezegd, dat hun dienaarschap ging over genezing van zieken en het uitwerpen van demonen.

In de tiende en elfde eeuw verspreidden vele Bogomils zich westwaarts en vestigden zich in Servië. Later, aan het einde van de twaalfde eeuw namen grote aantallen hun toevlucht in Bosnië. Deze Bogomils waren "slechts één versie van een groep van verwante afvallige sekten, die door heel Klein Azië en Zuid Europa floreerden tijdens de Middeleeuwen onder uiteenlopende namen; de meest bekende zijn de "Patareners, Katharen en Albigenzen". (Encyclopedaedia Britannica, 15e ed. , hoofdstuk 29, pag. 1,098) Zij werden verworpen als ketters vanwege hun geloof, dat "de wereld wordt geregeerd door twee principes, goed en kwaad en menselijke aangelegenheden gevormd worden door het conflict tussen hen; de hele zichtbare wereld is aan Satan overgegeven". (Encyclopaedia Britannica, pag. 1098) Vanuit hun basis in de Balkan reikte de invloed van de Bogomils, in eerste instantie gevoed door een handelsnetwerk, tot in Piedmont in Italië en ook in Zuid Frankrijk. Tegen de tijd, dat de Ottomaanse Turken de macht in Bosnië overnamen had het zaad van de Waarheid zich verspreid naar de Piedmont, Provence en de Alpengebieden van Europa.

De Katharen en de Waldenzen

In het begin van de twaalfde eeuw was er met de opkomst van de volgende fase van de Kerk onder het leiderschap van Peter de Bruys in zuidoost Frankrijk een herleving van de Waarheid. Dit stadium in de kerkgeschiedenis wordt gekarakteriseerd door de Kerk in Tyatira in Openbaring 2. De Piedmont valleien van zuidoost Frankrijk werden door Paus Urban II in 1096 beschreven als "geteisterd zijn door ketterij". Het was uit één van deze valleien, het Louise dal, waar Peter de Bruys in 1104 uit voortkwam en bekering begon te prediken. Aanvankelijk verwierf hij vele volgelingen bij de Katharen en later bij het grote publiek.

De Katharen (hetgeen betekent "puriteinen"), onder wie de Bruys oorspronkelijk predikte, waren een overblijfsel van vroegere Bogomil kolonies. Ondertussen hadden de meeste echter verschillende nieuwe en vreemde leerstellingen aangenomen en waren zeer verdeeld onder elkaar. Zijn prediking en die van zijn opvolgers hadden een oplevende Kerk tot gevolg gedurende de eerste helft van de twaalfde eeuw in de dalen van zuidoost Frankrijk. De Bruys verklaarde het Christendom te herstellen naar de originele zuiverheid. Aan het einde van een dienaarschap van ongeveer 20 jaar werd hij aan het kruis verbrand. Snel achter elkaar kwamen na hem twee andere sterke dienaren op, Arnold en Henri.

Na de dood van Henri in 1149 verslapte de Kerk en scheen op de achtergrond te raken. Een paar jaar later werd een rijke koopman in Lyon, Peter Waldo getroffen door een ongebruikelijke omstandigheid en begon in 1161 het Evangelie te prediken. Geschokt, nadat hij nagedacht had over de ware betekenis van het leven als gevolg van het plotseling overlijden van een naaste vriend, bemachtigde Waldo een kopie van de Bijbel en begon Gods Woord te bestuderen. Hij was spoedig verbaasd om te ontdekken, dat de Bijbel het tegenovergestelde onderwees van het grootste deel hetgeen hij geleerd had tijdens zijn Katholieke opvoeding.

Historicus Peter Allix haalt aan uit een oud Waldenzer document The Noble Lesson - [de Indrukwekkende Les] - en zegt ons: "De schrijver, die in de veronderstelling was dat de wereld tot een einde kwam, riep zijn broeders op tot bidden, tot waakzaamheid..... Hij herhaalde de verschillende artikelen van de wet en vergat niet die met betrekking tot afgoden". (Ecclesiastical History of Ancient Churches of Piedmont - [Kerkelijke geschiedenis van oude Kerken van Piedmont], pag. 231, 236-237)

Ergens anders schrijft Dr. Allix, dat de Waldenzer leiders "beweren, dat zij de opvolgers zijn van de apostelen, apostolische autoriteit en de sleutels van binden en ontbinden hebben. Zij beschouwen de kerk van Rome als de hoer van Babylon". (Ecclesiastical History - [Kerkelijke Geschiedenis], pag. 175)

Peter Waldo maakte van 1161 tot 1180 van Lyon, Frankrijk het centrum van zijn prediking. Daarna verhuisde hij vanwege vervolging naar noord Italië. Van ongeveer 1210 tot aan zijn dood zeven jaar later besteedde Waldo zijn tijd aan prediking in Bohemen en Duitsland. "Zoals St. Franciscus [van Assisië] nam Waldo een leven aan van armoede, zodat hij vrij was om te prediken, maar met dit verschil, dat de Waldenzen de leerstelling van Christus predikten, terwijl de Franciscanen de persoon van Christus predikten". (Encyclopaedia Britannica, 11e ed.)

Wat waren die andere leerstellingen, die door de Waldenzen onderwezen werden? Is er bewijs, dat de vroege Waldenzen Sabbatvierders waren? één van de namen waardoor zij heel vroeger bekend waren, was Sabbatati! In zijn werk uit 1873History of the Sabbat - [de Geschiedenis van de Sabbat] - haalt historicus J.N. Andrews aan uit een vroeger werk van de Zwitserse Calvinist, historicus Goldastus geschreven in ongeveer 1600. Sprekend over de Waldenzen, schreef Goldastus: "Insabbatati [werden zij genoemd], niet omdat zij besneden waren, maar omdat zij de Joodse Sabbat vierden". (Andrews, pag. 410) Dr. Andrews verwees verder naar de getuigenis van Aartsbisschop Ussher (1581-1656), die erkende "dat velen begrepen, dat zij [de Waldenzen] deze namen [de namen Sabbatati of Insabbatati] kregen omdat zij op de Joodse Sabbat aanbaden". (pag. 410) Klaarblijkelijk waren zelfs bekende Protestantse wetenschappers aan het einde van de Middeleeuwen bereid om te erkennen, dat vele Waldenzen de zevende dag Sabbat hebben gevierd.

In zijn werk uit 1845, The History of the Christian Church - [de Geschiedenis van de Christelijke Kerk] - schreef William Jones:

"Onderzoekers maakten een verslag voor Louis XII [die regeerde van 1498-1516] koning van Frankrijk dat zij alle parochies hadden bezocht waar de Waldenzen woonden. Zij hadden al hun plaatsen van erediensten geïnspecteerd..... maar zij vonden geen beelden; geen teken van rituelen, die bij de mis hoorden, noch enige sacramenten van de Roomse Kerk..... zij hielden de Sabbatdag, zij hielden de voorschriften van de doop volgens de oorspronkelijke kerk; onderwezen hun kinderen de bepalingen van het Christelijk geloof en de geboden van God....."

De Waldenzen konden een groot gedeelte van het Oude en het Nieuwe Testament uit het hoofd opzeggen. Zij verachtten de uitspraken en verklaringen van heilige mannen [Rooms Katholieke Kerkvaders] en zij beriepen zich alleen op de maatstaf van de Bijbel..... De tradities van de [Roomse] kerk zijn niet beter dan de tradities van de Farizeeën en dat een grotere nadruk wordt gelegd [door Rome] op het dienen van menselijke tradities dan op het houden van Gods Wet. Zij verachtten de paaszondag en alle andere Roomse feesten van Christus en de heiligen". (A Handbook of Church History - [Handboek van de Kerkhistorie], pag. 234, 236-237)

Opnieuw een compromis sluiten

Er was echter een ernstig probleem dat de meeste Waldenzer groepen aan het einde van de Middeleeuwen trof, net zoals het de Pauliciërs had verward. Het was de neiging van velen om Katholieke priesters toe te staan om hun kinderen te kerstenen evenals hun bereidheid om deel te nemen aan Katholieke erediensten. In de wetenschap, dat dergelijke ceremonies nutteloos waren om behoud te verkrijgen,dachten velen, dat uiterlijke overeenstemming met Rome vervolging zou vermijden en hen in staat zou stellen om in beslotenheid de Waarheid te praktiseren. Deze neiging was voorspeld over de Kerk in Tyatira in Openbaring 2:20-24. Vanuit Gods standpunt stond hetgeen zij deden gelijk aan geestelijk overspel en het deelnemen aan de Katholieke communie was "het eten van dingen, die aan afgoden geofferd waren".

Wat gebeurde er met de Waldenzen?

"De Waldenzen verdwenen langzaam uit de belangrijke bevolkingscentra en zochten hun toevlucht in de afgelegen dalen van de Alpen. Daar, verborgen in de Piedmont..... werd een nederzetting van de Waldenzen gemaakt, die hun naam aan deze valleien van Vaudois gaven..... Soms werden er pogingen gedaan om de sekte van de Vaudois te onderdrukken, maar de natuur van het land dat zij bewoonden, hun onbekendheid en hun isolement maakte de moeilijkheden van hun onderdrukking groter dan de voordelen, die zij er van konden verkrijgen". (Encyclopaedia Britannica, 11e ed. , "Waldenzen")

In 1487 vaardigde paus Innocent VIII een bul uit en eiste hun uitroeiing en er werd een serieuze aanval gedaan op hun vesting. Mist, die neerdaalde en de Katholieke legers omsloot redde de Waldenzen van totale vernietiging. De meeste waren echter eenvoudig uitgeput en waren in een geest van compromissen vervallen. Toen de Reformatie een paar jaar later begon zond de Waldenzer leiding afgezanten naar de Lutherse Kerk. "Zo hielden de Vaudois op, het overblijfsel uit het verleden te zijn en werden zij opgenomen in de algemene beweging van het Protestantisme", zoals de Encyclopaedia Britannica schrijft.

Toen totale afvalligheid aan het einde van de jaren 1500 de meeste overgeblevenen van de Waldenzen in beslag had genomen, had God een trouw overblijfsel bewaard. Personen, die de vruchten waren van de laatste zeven jaren van Waldo's dienaarschap, waren in de 13e eeuw bekeerd in Bohemen en Duitsland. In afgelegen gebieden van de Karpatische berggebieden van Midden en Oost Europa overleefden personen en kleine groepen - in feite heeft een trouw overblijfsel overleefd in de afzondering in die gebieden tot op deze dag. (Verg. Openbaring 2:24-25)

Toen de zeventiende eeuw naderde was de volgende era van Gods kerk klaar om op het toneel te verschijnen. Overgeblevenen van de Duitse Waldenzen, soms door buitenstaanders Lollards genoemd, waren al vroeg in de veertiende en vijftiende eeuw doorgedrongen tot in Holland en Engeland. Het was echter pas in de laatste tientallen jaren van de zestiende eeuw, dat de Kerk openlijk kon verschijnen in Duitsland en Engeland.

Hoofdstuk 4: Vestiging in een Nieuwe Wereld

Wat gebeurde er met de Kerk, die Jezus stichtte? Het handhaafde zich en het overleefde tegen alle ongelooflijke verwachtingen in! De mannen en vrouwen, de geestelijke voorouders van Gods volk van vandaag, waren een voorbeeld van geloof en moed. Door de eeuwen heen moesten zij keer op keer verhuizen om weg te gaan vanwege vervolging van buitenaf of interne afvalligheid en compromissen. Op die momenten, wanneer het er op leek dat de vlam van Gods Waarheid zeer zwak flikkerde, deed Christus altijd een andere trouwe leider opstaan om Zijn volk te verenigen en het Werk van God nieuwe kracht te geven.

Aan het einde van de jaren 1500 kwamen gemeenten tevoorschijn uit de overgeblevenen van de Waldenzers die door de wereld bestempeld werden als "Sabbatarian Anabaptists - [Sabbattisten Anabaptisten]"; zij namen toe in Midden Europa, Duitsland en Engeland. Zij werden Sabbattisten genoemd om dat zij de zevende dag Sabbat onderwezen en vierden. Zij werden Anabaptisten genoemd, hetgeen "Wederdopers" betekent, omdat zij weigerden degenen, die als baby's slechts besprenkeld werden, als Christenen aan te nemen. Zij onderwezen dat de doop alleen voor volwassenen was, die het Evangelie geloven en zich bekeerd hadden van hun zonden. (Verg. Handelingen 2:38)

Het Verhaal van de "Anabaptisten"

Er waren onder hen opmerkelijke mannen zoals Oswald Glaidt, Andreas Fischer en Andreas Eossi. Hun gebied van dienaarschap lag voornamelijk in Duitsland, Polen, Hongarije en delen van wat later bekend werd als Tsjecho-Slowakije en Roemenië. Deze mannen onderwezen gehoorzaamheid aan de Sabbat en de Heilige Dagen alsook een afwijzing van de kinderdoop en de drie-eenheid. God gebruikte hen om het trouwe overblijfsel te versterken en om de getuigenis van de Waarheid te geven omdat de turbulente Protestantse Reformatie door hetzelfde gebied raasde.

Oswald Glaidt en Andreas Fischer ontmoetten elkaar tijdens een reis op de Donau in 1527. Zij schreven beiden boeken ter verdediging van de Sabbat. In antwoord op degenen, die hem beschuldigden van het trachten behoud te verkrijgen, omdat hij onderwees dat gehoorzaamheid aan de Tien Geboden nodig was, antwoordde Glaidt: "De morele wet zegt, 'doodt niet', en toch zal niemand serieus tegenspreken, dat dit niet langer van kracht is, noch zal iemand tegenspreken, dat het afzien van moorden een poging is om behoud te verkrijgen op basis van 'werken'". (Daniel Liechty, Sabbatarianism in the Sixteenth Century - Handhaving van de Sabbatsrust in de zestiende eeuw - pag. 31) Glaidt werd in 1546 in Wenen terechtgesteld. Kort voor zijn dood zei hij aan zijn aanklager: "Zelfs al verdrinken jullie mij, ik zal God en Zijn Waarheid niet verloochenen. Christus stierf voor mij en ik zal Hem blijven volgen en zal voor Zijn Waarheid sterven voordat ik het opgeef". (Pag. 35) Boeken en traktaten over de Sabbat en andere verwante onderwerpen werden in de late jaren 1500 ook uitgegeven door Andreas Eossi, een Hongaar van adellijke afkomst.

In het midden van de jaren 1600 werden overgeblevenen van de Kerk in Centraal Europa in toenemende mate vervolgd door een herrijzende Katholieke Kerk, die daar opnieuw gezag begon te krijgen na de onrust van de Reformatie. Ware Christenen werden geconfronteerd met of ernstige vervolging of emigratie naar een gebied, dat grotere vrijheid bood om hun geloof te praktiseren. Het afgelegen Trans-Karpatische berggebied, dat reeds het woongebied was van de overgebleven Waldenzers, werd een toevluchtsoord voor velen. In de achttiende eeuw migreerden de meeste van de weinig overgebleven Duitse Sabbatvierders naar Pennsylvania. Er waren ook een aantal mensen, die verbonden waren aan de "Anabaptisten beweging", maar dieandere Protestantse leerstellingen van de Reformatie erkenden. Daarvan stammen de tegenwoordige groepen af, zoals de Baptisten, Mennonieten en de Amish.

Intussen waren overgeblevenen van de Ware Kerk Engeland binnen gekomen. De voorbereiding voor de vijfde fase in de geschiedenis van Gods Kerk was begonnen, gekarakteriseerd door de Kerk in Sardis. Onze eerste duidelijke verslagen van gemeenten in Engeland van een Sabbatvierende kerk dateert van de jaren 1580. In het begin van de jaren 1600 werd een publiek debat gevoerd of de bijbelse Sabbat nog van kracht was. Tijdens deze periode werden over het onderwerp betreffende de Wet van God en de Sabbat nogal wat boeken geschreven, die het grotendeels hebben overleefd.

John Traske was één van de eersten, die een boek in Engeland publiceerde, die handelde over de Sabbat. Toen hij rond 1618 schreef, werd hij gevangen genomen voor zijn activiteiten. Sommige schrijven het stichten van de Mill Yard Kerk in Londen aan hem toe; de oudst bekende Sabbatvierende kerk, die nog steeds in functie is en de oorsprong is van latere Sabbatisten kerken in Amerika. Ofschoon sommige andere historici de stichting van Mill Yard dateren in de vroege jaren 1580, ver vòòr de tijd van Traske, heeft hij zeker in de vroege jaren van de zeventiende eeuw de kerk geleid. John Traske werd later gearresteerd en gevangen genomen. Toen hij daar was bleek hij zijn leerstellingen te hebben herroepen om zijn vrijlating te verkrijgen, maar zijn vrouw weigerde dit te doen; zij bleef trouw aan de Waarheid en verbleef de resterende 15 jaar van haar leven in de gevangenis.

In 1661 werd John James, een andere dienaar van Gods Kerk in het gebied van Londen, gearresteerd vanwege de prediking van de Waarheid.

"In zijn laatste woorden tot de rechtbank vroeg hij hun slechts de volgende verzen te lezen: Jeremia 26:14-15 en Psalm 116:15..... Na zijn terechtstelling werd zijn hart eruit genomen en verbrand, de vier delen van zijn lichaam vastgezet aan de poorten van de stad en zijn hoofd op een paal geplaatst in Whitechapel tegenover de steeg waar zijn ontmoetingshuis stond. Dat was in het zeventiende-eeuwse Engeland de afschuwelijke prijs, die sommige bereid waren te betalen voor gehoorzaamheid aan God". (Ivor Fletcher, The Incredible History of God's True Church - [De ongelooflijke Geschiedenis van Gods Ware Kerk] - pag. 176)

Een andere opmerkelijke leider was Francis Bampfield; een kopie van zijn autobiografie The Life of Shem Acher - [Het Leven van Shem Acher] - wordt in de Britse Museum Bibliotheek bewaard. Van 1662 tot aan zijn dood in 1683 bracht hij het grootste deel van zijn tijd door in de gevangenis of was hij op de vlucht voor de Engelse autoriteiten. Zelfs toen hij in de Dorchester gevangenis zat opgesloten verzamelden de mensen zich daar om hem te horen prediken. Het was in deze tijd van vervolging dat er een gebeurtenis plaatsvond met verstrekkende gevolgen:Stephen Mumford en zijn vrouw, leden van de Kerk, verlieten Engeland voor de Nieuwe Wereld en kwamen in 1664 in Rhode Island. In de beginjaren van 1700 was de Kerk van God in Engeland praktisch dood. Naast het prediken op de Sabbat waren de meeste dienaren in die tijd geestelijke leider van kerken op zondag om extra geld te verdienen. Compromissen sluiten eiste zijn tol.

De Kerk in het Vroege Amerika

Bij aankomst in Rhode Island sloten de Mumfords zich aan bij Baptisten in Newport, de enige Amerikaanse kolonie, die gesticht was op het principe van religieuze vrijheid. Zij hielden zich echter niet stil over hun geloof in de Sabbat. In 1665, binnen het eerste jaar van de komst van de Mumfords, begon Tacy Hubbardde Sabbat met hen te vieren en werd de eerste bekeerling in Amerika. Kort daarna sloot haar man Samuel zich bij haar aan. In 1671 begon de eerste Sabbatvierende kerk in Amerika officieel met zeven leden. William Hiscox was de eerste dienaar van de kerk en diende van 1671 tot aan zijn dood in 1704.

In 1708 werd een tweede kerk officieel in Westerly, Rhode Island (later een andere naam gegeven: Hopkinton) opgericht. Door de achttiende eeuw heen leken Rhode Island, Pennsylvania en New Jersey de voornaamste gebieden te zijn van Sabbathoudende kerken. In deze tijd immigreerden Duitse Sabbatvierders naar Pennsylvania. Peter Miller was de meest bekende dienaar van de Duitse Sabbatvierders in Pennsylvania en was een vriend van Benjamin Franklin.

De tijd van de Amerikaanse Revolutie was voor velen van Gods volk moeilijk. De geschiedenis van dat tijdperk laat ook zien hoe geestelijk dood vele dienaren en leden waren. Verschillende gemeenten waren zeer verdeeld over de kwestie van oorlog en politieke betrokkenheid. Jacob Davis, dienaar van de Shrewsbury, New Jersey kerk van God sloot zich aan bij het Continentale leger als legerpredikant. Vele leden volgden zijn voorbeeld en gingen ook in het leger. één lid, Simeon Maxson liet krachtig zijn afkeuring blijken en bestempelde elk kerklid, die de wereldse oorlog steunde als "kind van de duivel". (Richard Nickels, Six Papers on the History of the Church of God - [Zes artikelen over de Geschiedenis van de Kerk van God] - pag. 60) Hij werd vanwege zijn standpunt uit de gemeente geplaatst.

Sabbatvierders in het Shrewbury gebied waren door de oorlog verarmd en verdeeld. Velen verhuisden naar Pennsylvania na de Revolutie en voor 1800 waren de meeste van hen naar Salem, Virginia (later West Virginia) gegaan. Het gebied rond Salem werd één van de belangrijkste centra van Gods volk van ongeveer 1800 tot in de twintigste eeuw. De geschiedenis van Gods volk in dit gebied is echter niet het verhaal van eenheid en van een groot werk dat gedaan werd. Het is wat de meerderheid betreft, het verhaal van verdeeldheid, afvalligheid en geestelijke apathie - het meest in de hand gewerkt door de invloed van de vooraanstaande Davis familie, die in de achttiende en negentiende eeuw vele leidinggevende dienaren voortbracht. Het grootste deel van de broeders bleken zo geestelijk dood te zijn dat zij blindelings de afvallige dienaars volgden in het Protestantisme.

William Davis, in 1663 in Wales geboren, ging van de Kerk van Engeland naar de Quakers en werd daarna een Baptist. In 1706 aanvaardde hij de Sabbat en vroeg lidmaatschap aan bij de Newport kerk, maar werd afgewezen omdat hij verkeerde leerstellingen hield. Tenslotte werd hij in 1710 aangenomen voor het lidmaatschap en in 1713 was hij bevoegd om te prediken en te dopen. Toch geloofde hij in de Drie-eenheid, de onsterfelijkheid van de ziel en in "naar de hemel gaan" - totaal in tegenstelling met de leerstellingen, die de Kerk in die tijd onderwees! Voor de rest van zijn leven was Davis uiteenlopend in en uit de gemeenschap van de Kerk. "Davis speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van de toekomst van Sabbatvierende Baptisten". (Nickels, pag. 55)

In de vroegste dagen werd er geen speciale aandacht gegeven aan een officiële naam voor de kerk. In hun correspondentie met elkaar verwezen de gemeenten naar zichzelf als "de Kerk van Christus, die in Newport is" of "de Kerk van God, die in Piscataway woont". De meeste leden noemden het eenvoudig "de Kerk". Buitenstaanders verwezen naar hen als Sabbatisten of Sabbatvierende Baptisten. Toen de kerk in Newport in 1819 een officiële staatsakte van oprichting ontving (zij was gesticht in 1671, maar wettelijke voorwaarden waren veranderd), werd het geregistreerd onder de naam "Zevendedag Baptisten Kerk van Christus".

In 1803 werd een algemene conferentie georganiseerd door acht Sabbathoudende gemeenten in het noordoosten om hun evangelische inspanningen te coördineren en samen te werken bij het publiceren van literatuur. In 1805 namen zij de naam "De Sabbathoudende Algemene Conferentie" aan. In 1818 werd de naam veranderd in Zevende Dag Algemene Baptisten Conferentie en de organisatie was gegroeid door Sabbathoudende gemeenten buiten het noordoosten mede op te nemen.

De Kerk onderging vele veranderingen. Wij kunnen een ontwikkeling waarnemen van geen Drie-eenheids leer naar een trinitaire opstelling, gesteund door de familie Davis en anderen. Een verklaring, geschreven in 1811, handhaafde de vanouds gebruikelijke leerstelling van de Kerk en vermeldt "dat Sabbatvierende Baptisten geloven dat de Heilige Geest de functionerende kracht of Geest van God is..... er zijn een paar..... die geloven dat de Vader, Zoon en Heilige Geest, drie absoluut afzonderlijke personen zijn, gelijkwaardig..... en toch één God". (Nickels, pag. 91) Slechts 22 jaar later, in de Expose of Sentiments - [Bekendmaking van Standpunten] van 1833 was de officiële opstelling echter: "Wij geloven, dat er een éénheid bestaat tussen de Vader, de Zoon en de Heilige Geest; en dat zij even goddelijk zijn en evenveel recht hebben op onze verering". (Nickels, pag. 91) Zelfs nog tot 1866 werd erkend, dat sommige dienaren nog een sterke afkeer hadden van het gebruik van het woord "Drie-eenheid".

In deze periode waren veel dienaren en leden zo ver van de Waarheid afgeweken, dat zij nu slechts Protestanten waren, die op zaterdag bijeen kwamen. De uitgave van de Westerly Sun krant van 18 november 1983 beschreef het jubileumfeest van de oudste Sabbatvierende kerk in de Verenigde Staten met deze krantenkop: "De Kerk zal 275 jaar vieren, gekenmerkt door verandering". Het artikel in de krant zegt, dat de "kerk dit weekeinde haar 275ste jubileum zal vieren - een ervaring, die gekenmerkt wordt door verandering vanwege sociale druk, ondanks haar Sabbatvierende gewoonte".

De veranderingen, die plaats vonden worden gekenmerkt door een regelmatige uitholling van de Waarheid en een verschuiving naar het traditionele Protestantisme. Het is een feit, dat de Zevende Dag Baptisten kerken in Rhode Island van toen af onderdak geweigerd hebben aan de levende Kerk van God. Het zijn slechts oude gebouwen, musea vanwaar de Waarheid eens werd onderwezen en het Werk van God eens werd voortgezet. De gemeenten, die daar nu samenkomen geloven in de Drie-eenheid, vieren Kerstmis en Pasen en zijn zelfs teruggegaan tot het bouwen van torenspitsen - uitgesproken heidense symbolen - op sommige oude gebouwen.Terwijl het merendeel van de Sabbatvierders steeds verder van de Waarheid wegdreef waren er individuele leden en gemeenten, die trouw bleven. Wij treffen documenten aan uit de vroege jaren 1800 van de South Fork kerk in West Virginia, die het Pascha vierden en onrein vlees vermeden. Deze kleine groep werd gedwongen zich terug te trekken uit "de Algemene Conferentie en alle andere Zevende Dag Baptisten organisaties, vanwege doctrinaire verschillen". (Nickels, pag. 68) In de jaren 1870 verscheen een andere generatie op het toneel en aanvaardden het merendeel van de South Fork Kerk de Zevende Dag Baptisten organisatie.

Een andere groep, die zichzelf de Kerk van God in Wilbur noemde, werd in 1859 opgericht door Oudste J.W. Niles uit Pennsylvania. In de jaren 1930 was het nog functioneel en werd door Andrew Dugger genoemd in zijn boek A History of the True Religion - [Een Geschiedenis van de Ware Religie], "de oudste ware Kerk van God, die nu in de staat West Virginia functioneert". (Pag. 311)

De Adventisten Beweging

In de jaren 1830 kwam een beweging op uit Protestante kerken in westelijk New York, die zich richtte op de terugkomst van Jezus Christus naar deze aarde en de vestiging van een letterlijk Koninkrijk. Deze boodschap, die voor het eerst krachtig verkondigd begon te worden door William Miller was totaal verschillend van de algemeen aanvaarde Protestante leerstelling. Zijn leerstellingen over profetie trok veel belangstelling en wekte toenemende aandacht op toen zijn voorspelde datum van 1844 voor de terugkeer van Christus, naderde. Na wat bestempeld werd als "de grote teleurstelling" begon de verwarring bij deze Protestante Adventisten. Belachelijk gemaakt door de belangrijkste Protestanten, werden sommige teleurgesteld en gaven religie helemaal op. Anderen bleven de Bijbel onderzoeken om te zien waar zij fout waren gegaan.

Frederick Wheeler was een Methodisten dienaar in Washington, New Hampshire, die de Adventisten boodschap had aanvaard over de Tweede Komst van Christus en de letterlijke vestiging van Zijn Koninkrijk. Aan het begin van 1844 ontving hij een bezoeker in zijn gemeente. Mevrouw Rachel Oakes, een lid van een Zevende Dag Baptisten gemeente in Verona, New York kwam haar dochter opzoeken.

Toen zij hoorde dat de Hr. Wheeler zijn gemeente opriep om God te gehoorzamen in alles en Zijn geboden te houden, confronteerde Mevr. Oakes hem na de dienst met de waarheid dat het houden van de Sabbat een belangrijke rol speelde in het gehoorzamen van Gods geboden. Van zijn stuk gebracht beloofde hij het onderwerp te bestuderen. Hij was binnen enkele weken overtuigd van de waarheid van de Sabbat en begon dit te verkondigen. De waarheid van de Sabbat verspreidde zich als een lopend vuurtje rond de gedesillusioneerde Adventisten. Honderden anderen reageerden ook op de simpele waarheid van het ware Evangelie en op het gehoorzamen van alle Geboden van God.

Roswell Cottrell, een dienaar van oudsher en Sabbatvierder kwam in de gemeenschap van deze vurige Sabbatvierende Adventisten. Zijn familie behoorde tot de oudste leden van de Kerk van God in Rhode Island, maar de familie Cottrell trok zich terug uit de gemeenschap, die toen de Zevende Dag Baptisten Kerk werd genoemd vanwege de leerstelling. Dat was in de tijd dat veranderingen, zoals de Drie-eenheid en de onsterfelijkheid van de ziel werden aangenomen als officiële leerstellingen van de Zevende Dag Baptisten. 15 Jaar nadat hij in de gemeenschap van de Sabbatvierende Adventisten kwam was hij opnieuw verwikkeld in onenigheid. Oudste James White, die opgekomen was als de belangrijkste leider bij de Sabbatvierende Adventisten Kerken van God eiste een organisatorische conferentie en een officiële naam, Zevende Dag Adventisten Kerk. Er waren degenen, die deze verandering verwierpen als onbijbels en er ook niet mee eens waren om geloof te hechten aan de visioenen van de vrouw van Oudste White, Ellen G. White. Roswell Cottrell verwierp de organisatorische veranderingen van Mr. White. Hij schreef in de Review and Herald van 3 mei 1860: "Ik geloof niet in het pausdom noch in anarchie, maar in de rangen en discipline van de Bijbel en in bestuur in de Kerk van God". (Nickels, pag. 162)

Op een conferentie in Battle Creek, Michigan in oktober 1860 verwierp de overgrote meerderheid van de aanwezigen de naam "Kerk van God" en namen de naam Zevende Dag Adventisten aan als een naam, die hun overtuigingen beschreef. Dit was de naam die door de Whites werd geëist. De visioenen van Mevrouw White werden in toenemende mate aangevoerd als "nieuwe waarheid" voor de Kerk.

Gedurende de jaren 1860 werd de breuk tussen het merendeel, die de Whites volgden en het verstrooide overblijfsel, die dat niet deed, beslissend. Tijdens de Burgeroorlog namen leden van de Kerk van God een vastberaden standpunt in als gewetensbezwaarders in tegenstelling tot de Zevende Dag Adventisten onder het leiderschap van de Whites. Een delegatie van de Kerk van God had een ontmoeting met president Abraham Lincoln in 1863 om de status van gewetensbezwaarde in te stellen voor de jonge mannen in de Kerk.

Een aanhaling van een rondschrijven van broeders in Marion, Iowa gepubliceerd in een uitgave van The Hope of Israel - [ De Hoop van Israël] - de kerkpublicatie van 7 september 1864, geeft een vleugje van wat in die tijd gebeurde:

"Op 10 juni 1860 hebben over de 50 personen van ons een vorm van kerkverbond aangenomen, opgesteld door [M.E. Cornell]..... Bijna anderhalf jaar daarna ondersteunde dezelfde boodschapper publiekelijk enkele andere boeken naast de Bijbel..... en drong bij ons aan hun leerstelling ook te aanvaarden als een voorschrift van geloof en discipline. Een deel van ons voelde er niets voor deze nieuwe punten in het besturingssysteem van onze Kerk te accepteren..... "Het resultaat was, dat ongeveer de helft van de Kerk besliste om deze boeken als geldige heilige Geschriften te aanvaarden en gingen bij ons weg of liever gezegd verwierpen ons en maakten ons uit voor rebellen..... Toen wij beschouwd werden als rebellen, hebben wij krachtig verklaard, dat wij geen rebellen zijn. Wij zijn niet in opstand gekomen tegen de statuten, die wij aangenomen hebben, want wij staan er nog vast voor..... de beschuldiging van rebellie werpt met schaamte een licht op hen, die dit hebben gemaakt; zij zijn degenen, die hun eerste standpunt hebben verlaten en een nieuwe hebben aangenomen". (Robert Coulter, The Story of the Church of God Seventh Day - [De Geschiedenis van de Kerk van God Zevende Dag], pag. 16)

In augustus 1863 werd in Michigan begonnen met het drukken van het kleine kerkblad, genaamd The Hope of Israel - [De Hoop van Israël]. Het begon met minder dan veertig abonnees. In 1866 werd het verplaatst naar Marion, Iowa en in 1888 verhuisde het opnieuw naar Stanberry, Missouri. Met de jaren onderging de krant diverse naamsveranderingen en werd uiteindelijk The Bible Advocate - [De Bijbel Advocaat], genoemd.

één van de meest prominente figuren in de Kerk van God in deze periode wasJacob Brinkerhoff. Hij was redacteur van de krant van 1871 tot 1887 en opnieuw van 1907 tot 1914. In 1874 werd A. F. Dugger voltijds dienaar in de Kerk van God. Van 1870 tot de jaren net voor de Eerste Wereldoorlog schreven de Oudsten Brinkerhoff en Dugger vele artikelen, die ertoe bijdroegen de leerstellingen in de Kerk duidelijk te maken en te vormen. Artikelen over profetie, rein en onrein voedsel, tienden betalen, juiste viering van het Pascha en wat het betekent om "herboren te worden", werden gedrukt.

Al vroeg in de jaren 1866 onderwezen artikelen over profetie, dat de Joden teruggebracht zouden worden naar een thuisland in Palestina. Er werd enige waarheid hersteld en onderwezen, maar al met al waren de inspanningen van de Kerk zwak en werden er slechts kleine aantallen mensen bereikt, voornamelijk in de buitengebieden van het Middenwesten.

De fase van de kerkgeschiedenis waarop wij ons in dit hoofdstuk hebben geconcentreerd wordt het beste omschreven door de boodschap van Christus aan de Kerk te Sardis, opgetekend in Openbaring 3:1-6. Aan deze Kerk werd gezegd dat alhoewel zij een naam had en leefde, eigenlijk geestelijk dood was. "Wees wakker en versterk het overige, dat dreigde te sterven". (Openbaring 3:2) Alhoewel deze Kerk als geheel geestelijk slaperig of zelfs dood was, waren er enkelen van hen, waarvan Christus zegt: "die hun klederen niet hebben bezoedeld, en zij zullen met Mij in witte klederen wandelen, omdat zij het waardig zijn". (vers 4)

Hoofdstuk 5: Scheuringen, Afscheidingen en een Nieuwe Start

De twintigste eeuw was ongetwijfeld een tijd van de meest snelle verandering in de menselijke geschiedenis. De eeuw begon met paard en rijtuig als de belangrijkste vervoermiddelen en binnen de eerste 70 jaar was de mens naar de maan en terug gereisd! Deze eeuw zag twee grote wereldoorlogen en de introductie van massavernietigingswapens. Voor de eerste keer in de menselijke geschiedenis was het mogelijk om alle leven van deze planeet te vernietigen, precies zoals Jezus Christus voorspelde. (Matteüs 24:22)

Een andere profetie, die deze eindtijd bijzonder karakteriseert, is dat het ware Evangelie van Gods Koninkrijk in de hele wereld als een getuigenis gepredikt zal worden en dat dan het einde zal komen. (vers 14)

De Eerste Vijfentwintig Jaar van de Twintigste Eeuw

Aan het begin van de twintigste eeuw was de Kerk van God klein en verspreid met minder dan 1000 leden, waarvan het grootste deel in het Amerikaanse middenwesten woonde De Algemene Conferentie van de Kerk van God werd in 1900 legaal erkend in de staat Missouri. Het nieuwsblad van de Kerk onderging in datzelfde jaar een naamsverandering om, zoals het voorgaande hoofdstuk liet zienThe Bible Advocate - [De Bijbel Advocaat] te worden.

In 1903 stierf op de leeftijd van 89 jaar Gilbert Cranmer, een dienaar sinds de jaren 1850 en één van de belangrijkste bouwers van de Kerk in de nasleep van de breuk in de jaren 1860 tussen Zevende Dag Adventisten en Kerk van God. In 1910 stierf ook Alexander Dugger, die vanaf het begin gediend heeft als een leider van de Algemene Conferentie en ook als redacteur van The Bible Advocate. Een derde trouwe pionier, Jacob Brinkerhoff stierf in 1916. Hij heeft van tijd tot tijd van 1871 tot 1914 gediend als redacteur van de Advocate. De Hr. Brinkerhoff werd door velen beschouwd als de meest voortreffelijke leider van de Kerk in zijn tijd. "Jacob Brinkerhoff heeft de Kerk van God meer dan 40 jaar gediend..... In 1874 gebruikte Brinkerhoff zijn geld voor het kopen van drukkerij apparatuur voor de Advent en Sabbath Advocate in plaats van voor het kopen van een huis..... Het lijkt er op, dat hij zonder steun de totale ondergang van het Werk heeft voorkomen". (Richard Nickels,History of the Seventh Day Church of God - [De Geschiedenis van de Zevende Dag Kerk van God] - pag. 85)

Andrew N. Dugger, zoon van Alexander Dugger begon in 1906 zijn dienaarschap in de Kerk van God. Toen Jacob Brinkerhoff het redacteurschap vanThe Bible Advocate in 1914 neerlegde werd Andrew Dugger zowel voorzitter van de Algemene Conferentie als redacteur. "Tijdens zijn ambtsperiode als voorzitter en redacteur oefende Dugger veel invloed uit op de Kerk. Tijdens de eerste periode van Duggers leiderschap beleefde de Kerk van God één van haar snelste en grootste groei". (Coulter, pag. 41-42) Andrew Duggers leiderschap was van juni 1914 tot 1932.

De kwestie van organisatie en bestuur was reeds lang een bron van onenigheid in de Kerk van God. Andrew Dugger zag in dat er geen Werk van enig belang gedaan kon worden met het povere bedrag aan geld, dat bij het hoofdkantoor van Stanberry, Missouri binnenkwam (minder dan $ 1000, - in 1917) en hij ondernam stappen om de situatie te corrigeren. In 1922 deed hij een onderzoek onder de leden om te weten te komen hoeveel tienden zij over het voorafgaande jaar hadden betaald en aan wie het was betaald. Het werd duidelijk, dat de meeste tienden werden geïnd door afzonderlijke dienaren en dat één bepaalde dienaar, die "weinig werkte" het leeuwendeel had geïnd. Spoedig werd er een beleid vastgesteld, dat alle tienden betaald moesten worden aan de Staten Conferentie en dat een tiende van die tiende aan de Algemene Conferentie gezonden moest worden. In 1923 sprong het inkomen van de Algemene Conferentie in Stanberry naar meer dan $ 18.000.

In ± 1904 werd G.G. Rupert dienaar in de Kerk van God. De Hr. Rupert was eerst dienaar in de Zevende Dag Adventisten Kerk geweest en had gemeenten gesticht in Zuid Amerika. Na verschillende jaren van doctrinaire meningsverschillen verliet hij in 1902 de Adventisten. Naast andere dingen begon de Hr. Rupert te begrijpen, dat zowel de Sabbat als de jaarlijkse Heilige Dagen bindend waren voor de nieuwtestamentische Kerk. In 1913 publiceerde Jacob Brinkerhoff een serie artikelen van G.G. Rupert in The Bible Advocate, die het onderwerp van de wet van God bespraken en betoogden dat de Heilige Dagen van Leviticus 23 bindend waren voor de nieuwtestamentische Kerk. Alhoewel de Kerk in de Verenigde Staten weinig aandacht schonk aan zijn leerstelling, volgden velen van de Zuid-Amerikaanse gemeenten, die door de Hr. Rupert waren gestichte, niet alleen zijn voorbeeld door de gemeenschap van de Adventisten te verlaten, maar zij aanvaardden ook Gods Heilige Dagen. Vanwege onenigheid tussen de Hr. Dugger en de Hr. Rupert over enkele doctrinaire onderwerpen en in het bijzonder over de kwesties van kerkorganisatie en bestuur, ging de Hr. Rupert verder als een "onafhankelijke" dienaar van de Kerk van God en publiceerde tot zijn dood in 1922 zijn eigen tijdschrift, The Remnant of Israel - [Het Overblijfsel van Israël].

De Jaren 1930 en 1940 - Een Nieuw Begin

Wij zien in de late jaren 1920 en het begin van de jaren 1930, dat de Kerk van God praktisch verlamd werd door onderlinge politieke en doctrinaire strijd. De Conferentie van de Kerk in 1929 werd gekenmerkt door aanzienlijke verwarring en meningsverschillen. Onderwerpen van verdeeldheid draaiden om "wedergeboren", rein en onrein voedsel, het gebruik van tabak, de datum van het Pascha (Nisan 14 of 15) en de werking van Gods Heilige Geest. (Pinksterbeweging) Het aantal bekeerlingen nam af en het Werk van de Kerk kwam praktisch tot stilstand.

Het was op dat ogenblik, in de herfst van 1926, dat het leven van de Hr. Herbert W. Armstrong zich verstrengelde met de geschiedenis van Gods Kerk. Het dienaarschap van de Hr. Armstrong had ongetwijfeld groter invloed op meer mensen dan van enig andere dienaar van de Kerk van God sinds de eerste eeuw. Uitgedaagd door zijn vrouw betreffende welke dag de Christelijke Sabbat was, alsook door zijn schoonzuster over de evolutievraag, begon de Hr. Armstrong aan een zes maanden durende periode van intensieve studie. In het voorjaar van 1927 begon hij te begrijpen, dat veel van wat hij geloofde toen hij opgroeide, geen bijbelse Waarheid was. Hij leerde dat zowel de zevende dag Sabbat als Gods jaarlijkse Heilige Dagen vandaag de dag door Christenen gevierd moeten worden!

In de nasleep van zijn intensieve studie worstelde de Hr. Armstrong met de vraag: "Waar is de ware Kerk?" Uiteindelijk kwam hij in de gemeenschap van de broeders van Gods Kerk in de Willamette Vallei van Oregon, omdat hij zag dat zij meer Waarheid bewaarden dan enig andere groep.

In 1928 begon de Hr. Armstrong artikelen voor te leggen voor publicatie in The Bible Advocate. Omdat er op dat moment geen dienaar was in Oregon vroegen de broeders in Eugene hem regelmatig om in de gemeente te spreken. In juni 1931 werd de Hr. Armstrong geordineerd als dienaar tijdens de Oregon Conferentie van de Kerk van God en begon aldus aan een dienaarschap, dat bijna 55 jaar duurde!

Intussen stapelden zich voor Gods Kerk als geheel de problemen op. Op de Algemene Conferentie, gehouden in augustus 1933 verloor Andrew Dugger, de belangrijkste kerkleider van de afgelopen 20 jaar, zijn positie door één stem. Dit versnelde een crisis, die de Kerk in tweeën splitste. "Aan de ene kant hielden Andrew N. Dugger en anderen vast aan de "reorganisatie" van het kerkbestuur, rein voedsel, geen tabak en het Pascha op de 14e Nisan. Aan de andere kant leidde Burt F. Marrs een groep "onafhankelijken", die voor varkensvlees en tabak was en meenden, dat het Pascha op de 15e Nisan gevierd moest worden. Over de kwestie van wanneer het Pascha gevierd moest worden werd drie dagen gedebatteerd in de tijd van de splitsing". (Nickels, pag. 151) Andrew Dugger onttrok zich aan de Algemene Conferentie van de Kerk van God, die het hoofdkantoor had in Stanberry en hield in november 1933 een vergadering om de Kerk in Salem, West Virginia te reorganiseren. Er werd een nieuwe organisatorische structuur ingesteld met "Twaalf Apostelen", "Zeventig Oudsten" en "Zeven", die over de financiën gingen.

Ambten werden gekozen door loting in plaats van door te stemmen. De Hr. Armstrong werd gekozen als één van "de Zeventig". Hij en de meeste broeders van Oregon verwisselden hun banden van de Stanberry organisatie naar de nieuwe organisatie, die in Salem het hoofdkantoor had. Ofschoon de Hr. Armstrong geen salaris ontving van Salem, aanvaardde hij hun geloofsbrieven en overhandigde hij maandelijks verslagen.

"De breuk met de Kerk van God (Zevende Dag) veroorzaakte veel leed bij de leden en de leiding. Vele leden en aspirant leden waren ontmoedigd door de veelvuldige kritieken, die de ene kerk uitte tegen de andere. In sommige gevallen veranderden dienaren van organisatie en brachten hun leden in de war. In andere gevallen werden de leden pionnen in de strijd tussen dienaren, die met elkaar wedijverden om hun loyaliteit en steun. De groei van het ledenaantal van de jaren 1920 werd in de jaren 1930 en 1940 niet gerealiseerd of zelfs benaderd". (Coulter, pag. 55) In feite liep het ledenaantal terug in deze periode.

In de tijd, dat dit alles gebeurde werd het fundament gelegd voor een Werk van God, dat een ongekende wereldwijde invloed zou hebben. In plaats van zijn energie te verspillen aan de politieke onderlinge strijd in de Kerk, begon de Hr. Armstrong een regelmatige wekelijkse radio uitzending te maken gericht op het prediken van het Evangelie aan de wereld. Het programma heette: "Radio Church of God - [de Radio Kerk van God]" en werd voor het eerst uitgezonden op KORE, een 100-watt radiostation in Eugene. Het radioprogramma werd voor het eerst uitgezonden op de eerste zondag in januari 1934 en in februari begon de Hr. Armstrong met de publicatie van een gestencild "tijdschrift", getiteld The Plain Truth - [De Echte Waarheid], die naar 200 mensen werd gezonden. Hij realiseerde zich in die tijd niet, dat Christus hem gebruikte om de zesde fase van de Kerk te stichten, getypeerd door de Kerk in Filadelfia. (Openbaring 3:7-13)

Behalve de wekelijkse radio uitzending voerde de Hr. Armstrong evangelische campagnes door de hele omgeving. Ofschoon er verscheidene gemeenten werden gesticht als gevolg van zijn inspanningen, vielen deze nieuwe gemeenten uit elkaar of kwamen op een dwaalspoor vanwege het gemis aan trouwe, toegewijde dienaren om de kudde te hoeden. In deze periode kwam de Hr. Armstrong in toenemende mate in conflict met het hoofdkantoor van de Kerk in Salem vanwege zijn leerstellingen over de identiteit van Israël en de jaarlijkse Sabbatdagen. Ofschoon Andrew Dugger in een persoonlijke brief had toegegeven, dat de leerstellingen over de "verloren Tien Stammen" juist waren, weigerde de Hr. Dugger een artikel over het onderwerp te plaatsen in The Bible Advocate.

Uiteindelijk kwam de kwestie van de Heilige Dagen in 1937 tot een breekpunt. Het volgende is aangehaald uit de notulen van de zakelijke bijeenkomst, gehouden in Detroit, Michigan van 5 tot 10 mei 1937 door het Bestuur van de Twaalf Apostelen van de Kerk van God (Zevende Dag), Salem, West Virginia, het Hoofdkantoor: "7 Mei om 1.00 n.m. Het lezen van de brief van Oudste Armstrong aan de Twaalf. Het lezen in periodes van 20 minuten van elk van de artikelen van Oudste Armstrong over het Feest van Ongezuurde Broden, het Pascha, Pinksterfeest, Loofhuttenfeest enz., telkens gevolgd door besprekingen voor en tegen van de Oudsten..... Een beslissing werd genomen zoals in het volgende besluit werd vastgelegd: 'aangezien sommigen de Kerken verontrust hebben door hen te onderwijzen, dat zij het Feest van Ongezuurde Broden en jaarlijkse Sabbatten moeten vieren..... bevestigen wij opnieuw de leerstellingen van de Kerk van God op dit punt..... dat wij dergelijke gebruiken niet vieren". (Johan Kiesz, History of the Church of God - [De Geschiedenis van de Kerk van God], pag. 180) Volgens de officiële verslagen verschaft door Virginia Royer, boekhoudster van het uitgeversbedrijf in Salem: "Het was in 1938 dat hem [Hr. Armstrong] werd gevraagd om zijn geloofsbrieven in te leveren vanwege het voortzetten van het prediken in strijd met de kerkleer". (Pag. 180)

Ofschoon de Hr. Armstrong na 1938 niet langer over de geloofsbrieven beschikte van de Kerk van God (Zevende Dag) ging hij krachtiger dan ooit voort met het onderwijzen en prediken. Zoals in de Good News - [het Goede Nieuws] - van april 1939 werd geschreven, bereikte de wekelijkse uitzending van de Radio Church of God 100.000 luisteraars in het noordwesten aan de Grote Oceaan. Het was ook het jaar, dat het eerste volledige 8-daagse Loofhuttenfeest in Eugene werd gehouden, bijgewoond door 42 mensen. (Van 1933 tot 1938 werden alleen op de Heilige Dagen diensten gehouden) Behalve de Hr. Armstrong waren er andere oudsten van de Kerk van God, zoals John Kiesz, die tot 1945 gastsprekers waren op het Feest.

Half 1942 werd de naam van het radioprogramma veranderd van "Radio Church of God" in The World Tomorrow - [De Wereld van Morgen] en in de omgeving van Los Angeles begon een experimentele periode van dagelijkse uitzendingen. In de nazomer van 1942 waren 1.700 mensen aanwezig op een evangelische campagne, die de Hr. Armstrong hield in het Biltmore Theater in Los Angeles. Het Werk, dat God tot stand bracht door de Hr. Armstrong groeide en bracht vruchten voort. In augustus 1942 werd The World Tomorrow landelijk uitgezonden met een zondaguitzending van WHO in Des Moines en in 1943 werd WOAI in San Antonio toegevoegd. In 1944 had de circulatie van The Plain Truth het aantal van 35.000 bereikt.

Toen de invloed van het Werk van God, dat door de Hr. Armstrong gedaan werd, groeide bleef de Kerk van God (Zevende Dag) verder versplinteren in steeds meer onafhankelijke kerken en dienaren. Er werden pogingen gedaan naar eenheid, dat in 1949 resulteerde in het samengaan van de Salem en Stanberry groepen. Het samengaan zelf bracht nog enkele splitsingen voort en 20 jaar later in 1969 was de circulatie van de belangrijkste publicatie van die kerk, The Bible Advocate, net over de 2.000. De Kerk van God (Zevende Dag) stelde de laatste fase voor van wat in Openbaring 3 wordt beschreven als de Kerk in Sardis. Denkt U er aan dat het wordt beschreven als geestelijk dood, alhoewel er een paar zouden zijn, die in witte klederen met Christus wandelden.

Open Deuren en Indrukwekkende Groei

In 1946 begon God voor de indrukwekkende groei, de plaats te bepalen van de Radio Church of God en het Werk, dat door de Hr. Armstrong werd gedaan. Geconfronteerd met de druk van dagelijkse radio-uitzendingen (waarvoor Hollywood zeer goed uitgerust was om technische steun te verlenen) en de noodzaak erkennend voor een college om opgeleide en trouwe dienaren te trainen, onderzocht de Hr. Armstrong een verhuizing naar Zuid Californië. Hij vond een geschikt onroerend goed in Pasadena en begon onderhandelingen om het te kopen.

Tegelijkertijd maakten de Hr. en Mevr. Armstrong een reis naar Europa om de mogelijkheid te onderzoeken voor de vestiging van een tak van het college om dienaren voor te bereiden op een wereldwijd Werk. Niemand kan de Hr. Armstrong beschuldigen van bekrompen denken! Toch zouden de meeste mensen zijn denkbeeld gezien hebben als totaal onrealistisch. Per slot van rekening waren er in 1946 slechts 50 mensen aanwezig op het Loofhuttenfeest! Er was zelfs geen Amerikaanse College begonnen en in werking - slechts grote dromen en een vervallen onroerend goed met twee gebouwen, die de Hr. Armstrong probeerde te kopen. Anderen, zowel in en buiten de Kerk van God spraken over "als dit ding instort". Hoe dan ook, visie en het talent om "groot te denken" waren kwaliteiten, die de Hr. Armstrong in zeer grote mate ten toon spreidde, meer dan enig andere leider van de Kerk in zijn dagen. Ambassador College opende haar deuren in het najaar van 1947 met vier studenten en acht leerkrachten. Uitbreiding en een Europese tak van het college zouden moeten wachten - voor korte tijd.

In 1949 verzorgden studenten van Ambassador College hun eerste landelijke doop-rondreis. Veel van de vruchten van die vroege, door studenten geleide doop-rondreizen werden weerspiegeld in de stijging van het aantal aanwezigen op het Feest, van 150 in 1951 naar 450 in 1952. In december 1952 ordineerde de Hr. Armstrong de eerste evangelisten van deze fase van de Kerk van God:

  • Richard Armstrong,
  • Raymond Cole,
  • Herman Hoeh,
  • C. Paul Meredith en
  • Roderick C. Meredith.

In februari 1953 werden Marion en Raymond McNair geordineerd en dit bracht het totaal op zeven. Dit was het begin van een snelle groei en ontwikkeling in het Werk.

Nadat de eerste studenten van de 2-klassige Ambassador College waren afgestudeerd werd een Theologische Hogeschool opgericht. De Hr. Armstrong gebruikte de Theologische Hogeschool als een springplank om dieper op een aantal onderwerpen in te gaan, de meest belangrijke betrof de natuur van God en de bestemming van de mens.

Door haar geschiedenis heen is de Kerk van God tegen de leer van de Drie-eenheid geweest en heeft nooit de formulering van de vroege Katholieke concilies aanvaard als een geldige gids voor Christenen. In de nieuwe tijden duurde het echter tot het voorjaar van 1953 dat de Hr. Armstrong en de andere dienaren een duidelijk begrip begonnen te krijgen van de bijbelse leerstelling, dat God een goddelijk Gezin is, waarin bekeerde menselijke wezens geboren zullen worden bij de opstanding. Eerst probeerden zij vanuit de Bijbel dit begrip te bewijzen als vals. In plaats daarvan vonden zij deze belangrijke waarheid steeds bevestigd door heel Gods Woord heen. Alhoewel dit begrip het duidelijke voortvloeisel was van veel wat eerder onderwezen werd, vonden de Hr. Armstrong en de anderen het een uitdaging om deze eenvoudige - doch diepgaand belangrijke en overweldigende - waarheid te accepteren. Deze belangrijke leerstelling van de Bijbel - dat wij geboren kunnen worden in het Gezin van God - is wellicht de enige grootste waarheid, die God door de Hr. Armstrong herstelde in de Kerk van God.

Twee gigantische sprongen voorwaarts in de prediking van het Evangelie vonden plaats in 1953. Het jaar begon met de opening van één van de grootste deuren in de geschiedenis van het Werk. Op 1 januari begon Radio Luxemburg - op dat moment het meest krachtige radiostation op aarde - The World Tomorrow - [De Wereld van Morgen] uit te zenden naar Europa. Bovendien verwierf de Hr. Armstrong tijd voor een dagelijkse radio-uitzending, die over het hele ABC radionetwerk werd uitgezonden.

In februari 1953 opende Richard Armstrong (de oudste zoon van de Hr. Armstrong, die in 1958 bij een auto-ongeluk omkwam) een regionaal kantoor in Londen. In 1954 hield de Hr. Armstrong, vergezeld van zijn vrouw Loma, Richard Armstrong en Roderick C. Meredith evangelische campagnes in Brittannië. In 1956-57 keerde de Hr. Meredith terug voor meer campagnes. In 1958, weer terug in de V.S. werd hij benoemd tot tweede vice-voorzitter van de Kerk.

In de juni 1960 uitgave van het tijdschrift van de Plain Truth - [Echte Waarheid] stond een speciale mededeling van de Hr. Armstrong voor het Britse lezerspubliek, met de aankondiging van een serie campagnes in Brittannië door de Hr. Meredith. De Hr. Armstrong schreef: "De Hr. Meredith is toegewijd, volkomen oprecht..... Hij gaat U dingen vertellen, die U van geen enkele andere bron kunt horen..... U zult geschokt en verrast zijn - U zult in één avond van deze bijeenkomsten meer echte waarheid horen dan de meeste mensen tegenwoordig leren in jaren van prediking!" (Fletcher, pag. 256) In oktober 1960 opende het tweede Ambassador College de deuren inBricket Wood, Engeland en in 1964 werd een derde campus geopend in Big Sandy, Texas.

Naarmate het aantal dienaren toenam, die beschikbaar waren om doop-rondreizen te maken en gemeenten te leiden, werd ook de oogst, die door het Werk werd binnengehaald groter. Het aantal aanwezigen sprong van 750 in 1953 naar meer dan 2.000 in 1957. In 1961 was het aantal bijna 10.000 en in 1967 meer dan 40.000. In 1964 bereikte de oplage van The Plain Truth - [de Echte Waarheid] het getal van een half miljoen en in 1967 de één miljoen. In de laatste jaren zestig werd The World Tomorrow - [de Wereld van Morgen] dagelijks uitgezonden en door tientallen miljoenen mensen in de wereld gehoord. Tijdens deze wereldwijde explosie van interesse in Gods Woord werd de legale rechtserkende naam van de organisatie veranderd van "Radio Church of God - [Radio Kerk van God]" in "Worldwide Church of God - [Wereldwijde Kerk van God]".

Tijdens de roerige jaren '60 was Garner Ted Armstrong (een jongere zoon van de Hr. Armstrong) werkzaam als de belangrijkste spreker voor The World Tomorrowen als vice-president van de Kerk. De Hr. Roderick C. Meredith (die in januari 1966 zijn Doctor in de Theologie ontving van de Ambassador College Hogeschool voor Theologie) werd benoemd als directeur van de dienaren in de V.S.

In 1967 stierf Mevr. Loma Armstrong op de leeftijd van 75 jaar. Aan het einde van de jaren '60 waren er aan de oppervlakte reeds tekenen voor toekomstige problemen voor het Werk.

In januari 1972 was de Kerk geschokt door het ontheffen van Garner Ted Armstrong van zijn verantwoordelijkheden. Vier maanden later werd hij in zijn ambt hersteld. In de jaren '70 zag men in de Kerk, zowel in Amerika als in het geheel, het opkomen van een toenemende liberale, tolerante geest. Een aantal dienaren en leden verlieten in 1974 de Kerk; toenemende doctrinaire verwarring, gekoppeld aan beschuldigingen van schandalen, bedreigden het Werk. Na hersteld te zijn van een zware hartverlamming in 1977 ontsloeg de Hr. Armstrong uiteindelijk in het voorjaar van 1978 zijn zoon van zijn verantwoordelijkheden en verwijderde hij hem in juni uit de Kerk.

In januari 1979 werd de Kerk tijdelijk getroffen door een curatorschap, opgelegd door de Staat van Californië. Vanuit Tucson, Arizona (waar hij nog herstellende was van hartproblemen) benoemde de Hr. Armstrong Dr. Meredith in zijn oude ambt als directeur van de dienaren in de V.S. om in deze zorgelijke tijd de stabiliteit te herstellen in de Kerk en bij de dienaren. Tegelijkertijd trachtte de Hr. Armstrong "de Kerk doctrinair weer op het spoor terug te brengen" na de liberale, verwaterde doctrinaire benadering van de jaren '70. Toen hij in januari 1986 stierf had The Plain Truth - [de Echte Waarheid] - een oplage van meer dan acht miljoen exemplaren, gedrukt in zeven talen. Het aantal aanwezigen op het Loofhuttenfeest naderde wereldwijd de 150.000.

Toen Joseph Tkach (senior) het roer van de Wereldwijde Kerk van God na de dood van de Hr. Armstrong in januari 1986 overnam was de Kerk een ogenschijnlijke verenigd lichaam. Het leek gericht op het Werk van God dat in het vooruitzicht lag en verbonden met de Waarheid. Er waren echter problemen onder de oppervlakte. Zij werden in toenemende mate duidelijk, eerst nauwelijks waarneembaar en toen steeds meer duidelijk.

De Laatste Fase van de Kerkgeschiedenis

In Openbaring 3 lezen wij over de twee laatste fasen van de geschiedenis van Gods Kerk. De Kerk van Filadelfia wordt gekenmerkt door een ijver om het Werk te doen. God beloofde hun een "open deur" te geven om het Evangelie te prediken (v. 8) alsook om hen te beschermen in de komende Grote Verdrukking. (v. 10) Er wordt echter een laatste stadium beschreven, de Kerk in Laodicea. Deze Kerk wordt gekenmerkt door geestelijke lauwheid en lusteloosheid. (v. 15-17) Alhoewel de Hr. Armstrong de Kerk tijdens de laatste zeven jaren van zijn leven "weer op het spoor zette" werd het steeds duidelijker dat er vanaf de vroege jaren '70 twee verschillende "geesten" naast elkaar aanwezig waren in één organisatie.

Ongeveer een jaar na de dood van de Hr. Armstrong begon een geleidelijke tendens om terug te gaan naar de tolerante, liberale benadering van de jaren '70. 

Binnen een paar jaar verschoven de veranderingen zich echter veel verder dan die in de jaren '70 naar totale afvalligheid van de Waarheid - zelfs tot het punt, dat deDrie-eenheid werd onderwezen en dat gehoorzaamheid aan Gods Wet (inclusief de Sabbat, Heilige Dagen, betalen van tienden en onrein voedsel) niet nodig is.

In december 1992, 40 jaar nadat hij geordineerd was, werd Dr. Meredith uit de Wereldwijde Kerk van God gezet vanwege zijn weigering om compromissen te sluiten met de heersende machten van de afvalligheid. Samen met trouwe broeders en dienaren ondernam de Hr. Meredith snel stappen om het Werk van God weer tot leven te brengen onder het vaandel van "Global Church of God - [Mondiale Kerk van God]". Binnen zes weken begon de Kerk een wekelijks radioprogramma. In mei 1995 begon de Kerk een wekelijks televisieprogramma.

In januari 1995 liet de leiding van de Wereldwijde Kerk van God alle aanspraken op de voortzetting van de historische leerstellingen van Gods Kerk vallen en omarmde openlijk Protestantse theologie. Dit bracht een praktische "ineenstorting" van de organisatie teweeg en leidde tot het vertrek van zowel duizenden broeders als vele tientallen dienaren wereldwijd. Helaas bracht dit vertrek na 1995, vele wedijverende organisaties voort en een groot aantal onafhankelijke gemeenten, die zich voortdurend splitsen en verdelen. In november 1998 was er zelfs een aanval, geleid door verschillende bestuursleden van de Global Church of God om een "collectieve overname" uit te voeren. Bestuursleden zetten Dr. Meredith af, tegen de wensen van een meerderheid van de Raad van Oudsten van de Kerk, maar zagen spoedig, dat de grote meerderheid van de GCG leden en dienaren de afgezette leider steunden en dat die meerderheid van de Raad van Oudsten na zijn afzetting vertrokken. Dr. Meredith richtte het Werk weer onmiddellijk op onder het vaandel van de "Living Church of God - [Levende Kerk van God]", gesteund door duizenden trouwe broeders en dienaren en was in minder dan twee maanden terug op televisie - op hetzelfde televisiestation en op dezelfde zendtijden, die de leden van het rebellerende bestuur hadden geannuleerd!

Veertig weken nadat Dr. Meredith de vorming van de "Levende Kerk van God" aankondigde kreeg de Global Church of God te maken met faillissements-processen. Van toen af aan vormden zich splintergroeperingen van de bankroete organisatie en verspreiden en splitsen zich voortdurend. De tien mannen die na de afzetting van Dr. Meredith in het opnieuw aangestelde Bestuur van Oudsten zaten in december 1998, zijn ten tijde van het schrijven van dit boekje verspreid over zeven verschillende Kerk van God organisaties. In tegenstelling daarmee zijn alle leden van het Bestuur van Oudsten, die de Global Church of God hadden verlaten en loyaal bleven aan Dr. Meredith tot op deze dag samen in de Levende Kerk van God.

De Levende Kerk van God blijft gericht op het doen van het Werk - en tracht de wereld te bereiken met de ware Evangelieboodschap van Jezus Christus. U bent dit boekje aan het lezen, omdat de geest van samenwerking en éénheid, de Levende Kerk van God in staat heeft gesteld om de Filadelfia ijver vast te houden als haar gemeenschappelijk ideaal en om de geest van eigenwijsheid en "op de lauweren rusten" te verwerpen, die zoveel Laodiceese leden van Gods Kerk heeft aangetast. De Levende Kerk van God verplicht zich om te leven bij ieder woord van God - inclusief de "Grote Opdracht" van Jezus Christus om "de gehele wereld in te gaan, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping". (Markus 16:15)

Zoals zovele malen in het verleden gebeurde, staat Gods volk vandaag de dag op een kruispunt. Satan heeft verwarring en ontmoediging gezaaid. Als gevolg daarvan zijn vele broeders gegriefd en boos of worden bedolven onder de zorgen van dit leven. Anderen zijn misleid door valse leraren en zijn afvallig geworden. Weer anderen zijn lusteloos en lauw geworden, waardoor zij hun visie zijn verloren en liever in hun lokale gemeenten wensen te blijven en zich er niet langer iets van aantrekken om het Werk van God te doen. Dit beschrijft een vervulling van de waarschuwing van Christus aan de Kerk, die in Matteüs 24:10-13 staat.

Het Evangelie zal echter in deze eindtijd gepredikt worden aan de wereld (Matteüs 24:14) en er is een groeiende Gemeente van gelovigen, die zowel ijverig is voor de volle Waarheid alsook ijverig is om Gods Werk te voltooien. Net zoals Gods volk het vanaf de eerste eeuw heeft gedaan, zo moet Zijn volk nu "tot het uiterste te strijden voor het geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd is". (Judas 1:3) God zegt duidelijk: "Want wat Hij gesproken heeft, zal de Here doen op de aarde, volledig en snel". (Romeinen 9:28) Wie zal Hij gebruiken om dit te doen? Volgens Daniël 11:32 is "het volk dat zijn God kent, [dat] zal sterk zijn en daden doen".

Waar is de Kerk, die Jezus bouwde?

Zij is niet uitgestorven! Zij heeft de poorten van de hel getrotseerd en zij trotseert het nog steeds wonderbaarlijk. Vandaag de dag gaat de Levende Kerk van God door met de uitvoering van Gods Werk en verkondigt het ware Evangelie aan een wereld, die in een spiraal naar de vernietiging gaat.

  • Bent U degene, die door God gebruikt wordt om Zijn eindtijd Werk te voltooien?

  • Heeft U de ware geest van de de Kerk in Filadelfia, die naar de hele wereld reikt in oprechte liefde en bezorgdheid om Gods boodschap van Waarheid en hoop te delen?

  • Beschouwt U het als belangrijk, dat het huis van Israël wordt gewaarschuwd voor de op handen zijnde tijd van Jacobs beproeving, de Grote Verdrukking?

  • Is het Werk van God belangrijker voor U dan Uw eigen persoonlijk gemak?

Wij, in de Levende Kerk van God geloven, dat wij een voortzetting zijn van het Filadelfia tijdperk, dat Christus vele jaren geleden door de Hr. Herbert W. Armstrong heeft opgericht.

Wij worden in deze jaren gemotiveerd door een gevoel van urgentie, die een directe inleiding zijn tot de Grote Verdrukking.

Wij geloven waarlijk wat Jezus Christus onderwees - dat wij de werken van de Vader moeten doen terwijl het nog dag is, want de nacht komt zeker, dat niemand kan werken! (Verg. Johannes 9:4)

Zult ook U acht slaan op de woorden van Christus?