Antwoord: De handoplegging is een ceremoniële handeling waarbij een dienaar van God bidt terwijl hij zijn handen op het hoofd legt van de persoon voor wie hij bidt. Deze eenvoudige ceremonie heeft een grote spirituele betekenis en symboliseert Gods verlangen om iets of iemand apart te zetten.
We zien een vroeg voorbeeld toen “Mozes deed zoals de HEERE hem geboden had: hij liet Jozua halen en plaatste hem voor Eleazar, de priester, en voor heel de gemeenschap. Hij legde hem zijn handen op en droeg hem het bevel over, zoals de HEERE door de dienst van Mozes gesproken had" (Numeri 27:22-23). Mozes stelde Jozua niet aan – hij legde Jozua de handen op om Gods besluit te symboliseren.
In het Nieuwe Testament gaf God gezag aan diakenen via Zijn gewijde dienaren, de apostelen en "die legden hun, nadat zij gebeden hadden, de handen op" (Handelingen 6:6). Later lezen we dat de oudsten in Antiochië Paulus en Barnabas de handen oplegden en hun daarmee de opdracht gaven voor hun zendingsreis: "… de Heilige Geest [zei]: Zonder voor Mij zowel Barnabas als Saulus af voor het werk waartoe Ik hen geroepen heb. Toen vastten en baden zij, en nadat zij hun de handen opgelegd hadden, lieten zij hen gaan" (Handelingen 13:1-3). God gebruikte de handoplegging om te laten zien dat Jozua, de diakenen en Paulus en Barnabas allen apart gezet waren voor Zijn doel.
Het opleggen van handen wordt ook gebruikt om Gods zegeningen over te brengen. Toen Jezus kleine kinderen zegende, "… omarmde [Hij] hen en terwijl Hij de handen op hen legde, zegende Hij hen." (Markus 10:13-16). Deze zegen liet duidelijk zien waar en door wie God werkte.
De heilige Geest en genezing
De handoplegging na de doop schenkt de gave van de heilige Geest. "Toen de apostelen die in Jeruzalem waren, hoorden dat Samaria het Woord van God aangenomen had, stuurden zij Petrus en Johannes naar hen toe, en toen die aangekomen waren, baden zij voor hen dat zij de Heilige Geest mochten ontvangen.... Toen legden zij hun de handen op en zij ontvingen de Heilige Geest" (Handelingen 8:14-17). God stuurde een van Zijn dienaren om de pas geroepen Paulus te dopen en hem de handen op te leggen "en na hem de handen opgelegd te hebben, zei hij: "Saul, broeder, de Heere heeft mij gestuurd, namelijk Jezus... opdat u weer ziende zou worden en met de Heilige Geest vervuld zou worden (Handelingen 9:17). Paulus doopte later de Efeziërs: "En nadat Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen…" (Handelingen 19:6).
Jezus droeg zijn aangestelde dienaren op om zieken de handen op te leggen voor genezing. "En Hij zei tegen hen: Ga heen in heel de wereld, predik het Evangelie aan alle schepselen.... En hen die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn naam... [zullen zij] op zieken… de handen leggen en zij zullen gezond worden" (Markus 16:15-18).
We zien Paulus deze instructie opvolgen: "En het gebeurde dat de vader van Publius, door koorts en buikloop bevangen, op bed lag. Paulus ging naar hem toe, en nadat hij gebeden had, legde hij hem de handen op en maakte hem gezond" (Handelingen 28:8). Deze instructie geldt voor iedereen die ziek is: "… Laat hij dan de ouderlingen van de gemeente bij zich roepen en laten die voor hem bidden en hem met olie zalven in de Naam van de Heere" (Jakobus 5:14). Het is God die geneest, naar Zijn wil, en Hij gaf instructies voor de oplegging van de handen van Zijn dienaren.
Hoewel God rechtstreeks handelt, gebruikt Hij ook Zijn dienaren om Zijn wil uit te voeren, met name bij genezing, zegening en de aanstelling van zijn dienaren, van wie Hij getuigt dat zij de menselijke instrumenten waardoor Hij werkt. We moeten echter opmerken dat de kracht niet in de persoon berust, de fysieke handeling of de handen zelf, maar in God die werkt door Zijn fysieke Kerk en Zijn fysieke dienaars. God heeft Zijn Kerk aangewezen en opgedragen om de oplegging van handen te gebruiken als teken van Zijn wil, Zijn werk en Zijn gezag



