Dit artikel is de vertaling van het Engelstalige artikel: “All Things Are Possible to Him Who Believes” (Tomorrow’s Families Today) door Sheldon Monson, verschenen in het Tomorrow’s World magazine van november-december 2019.

Lang geleden bracht een man zijn door een demon bezeten zoon bij Jezus. De kwade geest die deze jongeman ellende gaf, zorgde er dikwijls voor dat hij viel, schuim op de mond had, knarsetandde en verstijfde. De vader van de jongen legde aan Jezus uit dat zijn zoon al van kindsbeen af bezeten was en dat de demon zijn zoon vaak in het vuur of het water dreef. In wanhoop smeekte de man Jezus om medelijden te hebben en de demon uit te werpen.

Dit scenario kunnen wij ons misschien in deze tijd moeilijk voorstellen, omdat we niet vaak getuige zijn van bezetenheid door een demon. Maar wij die ouders zijn, kunnen op meer manieren met deze vader meevoelen dan we op het eerste gezicht zouden denken.

Stelt u zich de narigheid van deze familie voor, te moeten leven met zo’n gevaarlijke en moeilijke situatie. Mensen vermeden waarschijnlijk dit kind en degenen die bij hem woonden. Stel u een leven voor zonder vrienden – zelfs uw familieleden willen niets met u te maken hebben. Dit gezin leefde in voortdurende angst en had regelmatig te maken met de angstaanjagende gebeurtenissen die de vader beschreef. Hoevelen van ons hebben niet te maken gehad met hartverscheurende zorgen om onze eigen kinderen, wat de reden ook was? Weinig dingen snijden zo diep in het hart van een ouder als een lijdend kind.

Jezus voelde deze pijn zeker en zei uit medelijden tegen de man: “… Als u kunt geloven, alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft. En meteen riep de vader van het kind onder tranen: Ik geloof, Heere! Kom mijn ongeloof te hulp” (Markus 9:23-24). De verzen laten verder zien dat Jezus het geloof van deze man eerde door de demonische geest te bevelen voor altijd uit zijn zoon te gaan! “En onder geschreeuw en hevig stuiptrekken ging hij uit hem weg; en de jongen werd als een dode, zodat velen zeiden dat hij gestorven was. En Jezus pakte hem bij de hand en richtte hem op; en hij stond op” (Markus 9:26-27). Dit ontroerende verhaal toont het potentieel van geloof en de kracht van God de Almachtige! Hoewel deze geest niet op de discipelen van Christus had gereageerd, was hij niet opgewassen tegen de van geloof vervulde Zoon van God. De demon had geen andere keuze dan het bevel van Christus te gehoorzamen!

GODS TUSSENKOMST VOOR ONZE FAMILIES VEREIST GELOOF

Er komen onvermijdelijk tijden dat ook wij erkennen dat we onvoldoende in staat zijn de zorgen die ons terneerdrukken aan te pakken. Er zijn momenten waarop we het uitroepen tot God om ons of een geliefde te redden. In dergelijke gevallen zal ons geloof worden getest. Voordat God ingrijpt wil Hij weten of we ‘geloven’. Wanneer we God om een wonder vragen, vereist Hij geloof.

Jakobus, de broer van Jezus, schreef dat als we echt antwoorden verlangen, we “… er in geloof om [moeten] vragen en daarbij niet twijfelen. Immers, wie twijfelt, lijkt op een golf van de zee, die door de wind voortgestuwd en op- en neergeworpen wordt. Want zo iemand moet niet denken dat hij iets ontvangen zal van de Heere. Hij is een dubbelhartig man, onstandvastig in al zijn wegen” (Jakobus 1:6-8). Twijfelen is verdeeld zijn in de geest, blijven staan tussen geloof en ongeloof, met een neiging tot het laatste. Als we het geloof van Jezus Christus hebben, zullen er geen aarzeling, twijfel of zwalkende gedachten zijn.

De twijfelaar wordt vergeleken met “een golf van de zee die door de wind voortgestuwd en op- en neergeworpen wordt.” Een golf is niet stabiel. Zij is overgeleverd aan de wind, voortgedreven en heen en weer geslingerd. Op dezelfde manier zal hij die tot God komt met nog geen vaste overtuigingen waarschijnlijk mentaal worden rondgeslingerd. Het ene moment is zijn geest vol geloof en hoop – het volgende moment vol onzekerheid en twijfel. Hoop aan de ene kant en angst aan de andere houden de geest rusteloos en zonder geloof. Innerlijk verdeeld zijn op deze manier is onstandvastig zijn, niet weten waar men staat. De Bijbel bevestigt hoe belangrijk geloof is in het leven van een christen: “Zonder geloof is het echter onmogelijk God te behagen. Want wie tot God komt, moet geloven dat Hij is, en dat Hij beloont wie Hem zoeken” (Hebreeën 11:6). Met andere woorden, we kunnen alleen op Gods gunst hopen als we vertrouwen in Hem stellen. Hij ziet het hart, en als Hij daar geen geloof in Zijn bestaan ziet, geen werkelijk vertrouwen in Hem, geen hoop op de vervulling van Zijn beloften, kunnen we Hem niet behagen. Waarom zou God ons verlenen wat we van Hem vragen als we het in zo’n gemoedstoestand vragen? Als we weifelen tussen geloof en ongeloof, moeten we niet Gods gunst verwachten, noch de gewenste antwoorden op onze gebeden.

TOEGEWIJD AAN ZIJN WIL, NIET ONZE EIGEN

Geloof is eenvoudigweg vertrouwen hebben en zekerheid in God. We kunnen erop vertrouwen dat God nooit Zijn woord breekt (Hebreeën 6:18; 10:23). Geloof is de zekerheid dat God wat Hij beloofd heeft ook in staat is uit te voeren (Romeinen 4:21). Het is de “… zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet” (Hebreeën 11:1, NBG). Geloof is het onwrikbare geloof dat God zal doen wat Hij heeft gezegd dat Hij zal doen. Maar dat geloof moet geworteld zijn in iets fundamentelers dan onze eigen verlangens – we moeten de wil van God zoeken.

In 1 Johannes 5:14-15 lezen we: “En dit is de vrijmoedigheid die wij hebben in het toegaan tot God, dat Hij ons verhoort, telkens als wij iets bidden naar Zijn wil. En als wij weten dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, dan weten wij dat wij het gevraagde, dat wij van Hem hebben gebeden, ontvangen.” God openbaart Zijn wil door Zijn geschreven woord, en echt, dynamisch, levend geloof moet daarop gebaseerd zijn. Als we willen weten wat God wel en niet heeft beloofd, moeten we de Bijbel onderzoeken (Johannes 5:39). De Bijbel laat bijvoorbeeld zien dat het Zijn wil is om ons te genezen. Hij laat echter ook zien dat als we genezen willen worden, we geloof moeten hebben, geduld moeten oefenen en in gehoorzaamheid aan Gods wetten moeten leven (1 Johannes 3:22). Wanneer we bidden voor genezing, moeten we geloven en gehoorzamen – en dan, omdat God niet heeft beloofd wanneer Hij ons zal genezen, moeten we geduldig wachten op Zijn ingrijpen. Dus naast geloof zijn gehoorzaamheid en geduld ook voorwaarden voor genezing. Soms geneest God onmiddellijk, maar vaker vraagt Hij van ons te wachten. In sommige gevallen kiest God ervoor de genezing uit te stellen tot de opstanding. We moeten geduld oefenen en erop vertrouwen dat God zal handelen wanneer Hij weet dat het de beste tijd is. Jakobus zei dat het gelovig gebed de zieken zal behouden en God hen dan zal oprichten (Jakobus 5:15) – maar hij zei niet wanneer.

ONS EIGEN GELOOF IS NIET GENOEG

Het is belangrijk te beseffen dat ons eigen geloof ontoereikend is om ons te behouden – het geloof van de Zoon van God dient aan ons beperkte, menselijke geloof te worden toegevoegd. Geloof is Gods gift (Efeze 2:8) en het komt door Bijbelstudie (Romeinen 10:17) en door gebed. Net als de vader van de door een demon bezeten jongen, moeten we vragen om kracht om onze twijfels en ons ongeloof te overwinnen. De apostelen begrepen dit en vroegen Jezus om meer geloof (Lukas 17:5). Ongeloof is het tegenovergestelde van geloof en het is als een doodlopende straat! “Maar wat betreft de lafhartigen, ongelovigen, verfoeilijken, moordenaars, ontuchtplegers, tovenaars, afgodendienaars en alle leugenaars: hun deel is in de poel die van vuur en zwavel brandt. Dit is de tweede dood” (Openbaring 21:8).

Laten wij bidden voor meer geloof. Wanneer onze families door beproevingen heen gaan, moeten we dankbaar zijn dat God ons geloof test en verdiept en ons helpt meer geduld te ontwikkelen – twee belangrijke aspecten van heilig karakter! In onze beproevingen is er niemand die we meer kunnen vertrouwen dan God. Vertrouw op Hem!