Introductie
Het mainstream christendom verkeert voornamelijk in verwarring. De voornaamste protestantse kerken verliezen leden naarmate zij zich verder van de Bijbelse waarheden verwijderen. Belangrijke nieuwsdiensten publiceren artikelen met titels als ‘Atheïsten op de preekstoel. Niet-gelovigen als geestelijken’ en ‘Atheïstische predikanten hebben moeite met leiding geven aan de gelovigen’. Grote kerkgenootschappen raken versplinterd over kwesties als abortus, het wijden van homoseksuelen en transseksuelen, het aanstellen van vrouwen als priester en bisschop, en in sommige gevallen zelfs over het ontkennen dat Jezus is opgestaan. Het lijkt erop dat in de algemene kerken tegenwoordig alles mogelijk is.
Maar waarom zou dit ons verrassen als er zo weinig respect is voor de Bijbel als het woord van God en zo weinig erkenning dat de wetten erin relevant zijn voor vandaag? Wat kan zonder een formele standaard voor verwachtingen – een wet – dan ons leidende morele kompas zijn? Een in nevelen gehulde leer van ‘liefde’, zonder enige instructie over wat liefde is vanuit Bijbels perspectief, neemt het roer weg dat we nodig hebben om ons richting te geven.
Het oordeel van de apostel Paulus over de menselijke natuur en de wet van God is accuraat en beschrijft zelfs houdingen die we in veel van de voornaamste ‘christelijke’ kerkgenootschappen aantreffen. “Immers, het bedenken van het vlees is vijandschap tegen God. Het onderwerpt zich namelijk niet aan de wet van God, want het kan dat ook niet. En zij die in het vlees zijn, kunnen God niet behagen” (Romeinen 8:7-8). Het beantwoorden van de kwestie ‘wet of genade’ is van het grootste belang – van eeuwigheidsbelang zelfs!
Eens waren de Tien Geboden een vast hoofdonderwerp voor kinderen in zondagschoolklassen. Deze eenvoudige geboden waren te zien in overheidsgebouwen, gebeiteld in rotsmonumenten, en te vinden op paneeltjes in huizen in Amerika en elders. Helaas gaat de populariteit ervan nu achteruit.
Militante atheïsten hebben in de afgelopen decennia tegen de Tien Geboden gestreden en hebben afgedwongen dat ze van openbare eigendommen werden verwijderd. Bij één bekend geval was Roy Moore betrokken, opperrechter van het Hooggerechtshof van Alabama. Hij plaatste een gedenkteken van de Tien Geboden in de hal van het Capitool in Montgomery, de hoofdstad van de staat. Dit veroorzaakte enorme deining. Na een langdurige juridische strijd werd het gedenkteken uit de hal verwijderd en werd Moore uit zijn ambt gezet.
In een ander bekend geval werd een gedenkteken met daarop de Tien Geboden in het Capitool van de staat Arkansas verwoest door iemand die, minder dan 24 uur nadat het was opgericht, er opzettelijk met zijn auto op in reed. Dezelfde persoon had al eerder een ander monument op dezelfde manier verwoest.
Helaas zijn militante atheïsten niet de enige vijanden van deze grondwet die Mozes meebracht vanaf de berg Sinaï. Volgens een verslag van Associated Press: “In 2015 beval het Hooggerechtshof van Oklahoma de verwijdering van een monument met de Tien Geboden uit het Capitool, en de kiezers van de staat verwierpen in 2016 een initiatief voor de terugkeer ervan” (“Arkansas replaces Ten Commandments monument at state Capitol”, SWTimes.com, 26 april 2018). Let wel: zowel het Hof als de kiezers van een conservatieve Amerikaanse staat verwierpen het monument!
Begrijpelijkerwijs waren sommige traditionele christenen boos door de aanval op deze fundamentele wet, die volgens de Bijbel was geschreven door de vinger van God (Exodus 31:18; Deuteronomium 9:10). Toch zijn de atheïsten of de gerechtshoven verrassend genoeg niet de grootste vijanden van deze Geboden. Misschien denkt u dat de publieke opinie dat is – maar dat is slechts de helft van het verhaal. De grootste vijand is wellicht niet wie u denkt.
Het memoriseren van de Tien Geboden
Ik ben opgegroeid in een protestants milieu en kreeg als kind de Tien Geboden onderwezen. Ik ben nooit goed in uit het hoofd leren geweest, maar kon ze toch alle tien opnoemen – in hun verkorte vorm – goed genoeg om mijn eigen exemplaar van het Nieuwe Testament te ontvangen. Op mijn tiende of elfde had ik weinig belangstelling voor lezen en heb die beloning waarschijnlijk nooit opengeslagen. In de loop van de tijd verdween die uit mijn jeugdherinneringen.
Maar stel u voor hoe verbaasd ik enkele jaren later was, toen mij werd verteld dat deze geboden, die ik met zoveel moeite uit mijn hoofd had geleerd, niet langer in werking waren. “Ze zijn afgeschaft! We hoeven ze niet meer te houden! Jezus heeft ze voor ons gehouden en ze daarna aan het kruis genageld!”
Deze ‘openbaring’ kwam niet van mijn atheïstische oom George, maar van twee volwassenen die zich christen noemden. Zij waren opgetogen over hun vrij zijn van de wet en wilden mij dezelfde vrijheid laten ervaren. Zij nodigden mij uit naar een Bijbelstudie waar hierover werd gediscussieerd en ik weet dat zij teleurgesteld waren toen ik hun uitnodiging niet aannam. Naderhand informeerden ze mij: “We hebben woensdagavond de wet afgeschaft!” Ik had dus al mijn tijd verknoeid met dat uit mijn hoofd leren. Maar was die echt verknoeid? Ik was destijds niet overtuigd door hun nauwkeurig geselecteerde Bijbelteksten – die natuurlijk uit hun verband waren gehaald – maar ik was wel in verwarring.
Eén organisatie die haar opvatting over het onderwerp deelt omschrijft het als volgt: “De sleutel tot begrip van de relatie tussen de christen en de wet is het besef dat de oudtestamentische wet aan het volk Israël werd gegeven, niet aan christenen.… Niets van het Oude Testament is vandaag bindend voor christenen. Toen Jezus aan het kruis stierf, maakte Hij een eind aan de oudtestamentische wet” (“Do Christians have to obey the Old Testament law?”, GotQuestions.org, 23 juni 2023). Het artikel vervolgt met enkele van dezelfde uitgezochte Bijbelteksten als die mij eerder waren toegeworpen.
Maar laten we ons niet vergissen: er bestaan gewichtige argumenten die onze aandacht verdienen.
Antinomianisten
Zij die beweren dat de wet van God is afgeschaft en vervangen door genade worden soms antinomianisten genoemd, d.w.z. zij die geloven “dat onder de dispensatie [of: ‘bedeling’] van genade… de morele wet van geen nut is en geen verplichting kent, omdat voor behoud alleen geloof noodzakelijk is” (“antinomian”, Merriam-Webster.com, geraadpleegd op 12 september 2023). Wanneer men het heeft over de ‘morele wet’, wordt specifiek naar de Tien Geboden verwezen.
Antinomianisten wenden zich tot de geschriften van de apostel Paulus, die volgens hen de noodzaak van het houden van de wet door ons wegverklaren. Een van hun favoriete Bijbelteksten is Romeinen 6:14: “Want de zonde zal over u niet heersen. U bent namelijk niet onder de wet, maar onder de genade.”
Het “niet onder de wet” klinkt inderdaad alsof wij ervan bevrijd zijn, maar wat bedoelt de apostel Paulus er precies mee? Deze vraag en nog veel andere vragen zal ik beantwoorden – maar het is belangrijk te begrijpen zowel wat deze tekst zegt als wat hij niet zegt.
Paulus en Jakobus lijken elkaar tegen te spreken, maar dat doen zij niet! De eerste wet van communicatie is zijn gehoor te kennen. Paulus en Jakobus schreven elk voor een ander publiek en over het geheel genomen verschaffen hun brieven een belangrijk deel van het algemene beeld van wet en genade. Paulus sprak grotendeels tot mensen die waren beïnvloed door interpretaties van de Bijbel vanuit het judaïsme – mensen die probeerden de heidenen ervan te overtuigen dat zij rechtvaardig werden gemaakt door het houden van diverse fysieke rituelen. Dit verklaart waarom Paulus schreef: “Immers, als Abraham uit werken gerechtvaardigd is, heeft hij iets om zich op te beroemen, maar niet bij God” (Romeinen 4:2). Deze gevaarlijke valstrik overkwam ook Maarten Luther in confrontatie met de katholieke rituelen. Daartegenover sprak Jakobus tot een gehoor dat in de tegenovergestelde val trapte: die van goedkope genade, de gedachte dat gedrag, in het licht van genade, onbelangrijk is. Daarom zei hij: “U ziet dus dat een mens uit werken gerechtvaardigd wordt en niet alleen uit geloof” (Jakobus 2:24).
Een groot deel van ons protestantse gehoor van vandaag valt in de kuil die door Jakobus wordt genoemd – vandaar de grotere nadruk die deze tekst op de wet legt. Maar laten we ons niet vergissen. Rechtvaardiging en behoud komen alleen door Jezus Christus – Zijn verzoenende offer en hoe Hij in ons leeft en ons door de kracht van de heilige Geest verandert (Galaten 2:20). De genadekant van de munt is Paulus’ grote bijdrage aan ons begrip.
We zullen Romeinen 6:14 en veel andere Bijbelteksten onderzoeken om de ware relatie tussen Gods wet en Zijn genade te ontdekken. Eerst moeten we twee fundamentele vragen stellen en beantwoorden: Wie is meer centraal voor het christendom, Jezus of Paulus? Wie is degene die voor onze zonden is gestorven? Het antwoord op beide vragen is duidelijk: Jezus van Nazareth is de Christus – de Gezalfde, de Messias; Paulus was dat nooit. Terwijl Paulus’ geschriften essentieel zijn voor een juist begrip van dit onderwerp, heeft hij niet zijn leven gegeven – en dat kon hij in feite ook niet – in plaats van het onze. Daarom moeten we vragen: ‘Wat was Jezus’ kijk op Gods wet?’ Kan iemand onze Verlosser tegenspreken? Dit is het punt waarmee we ons eerste hoofdstuk zullen beginnen.
Jezus en de wet
Op een dag kwam er een jongeman naar Jezus en stelde een vraag die voor ieder van ons relevant is: “… Goede Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te hebben?” (Mattheüs 19:16). Jezus moet hem verrast hebben door hem ook een vraag te stellen: “…Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed behalve Eén, namelijk God…” (v. 17). Wat bedoelde Hij daarmee? Eigenlijk bevestigde Jezus dat Hij, Jezus Christus, God in het vlees was.
En Christus’ antwoord was rechtstreeks en ondubbelzinnig: “… Maar wilt u tot het leven ingaan, neem dan de geboden in acht” (v. 17). Na de vraag welke, liet Jezus er geen twijfel over bestaan welke wet Hij bedoelde: “… U zult niet doden; u zult geen overspel plegen; u zult niet stelen; u zult geen vals getuigenis afleggen; eer uw vader en moeder…” (vv. 18-19).
Dit waren vijf van de Tien Geboden – het vijfde tot en met het negende Gebod. Christus voegde er toen het algemene gebod aan toe: “u zult uw naaste liefhebben als uzelf”. Later ga ik op dit gebod in, maar nu moeten we opmerken dat de jongeman dacht deze geboden van zijn jeugd af aan gehoorzaamd te hebben. Toch had hij het gevoel dat er iets aan zijn benadering van het behoud ontbrak en daarom vroeg hij: “… wat ontbreekt mij nog?” (v. 20). Denk aan zijn eerste vraag: “wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te hebben?” Hij wilde meer doen dan hij op dat moment al deed. Daarom schreef Jezus hem voor één grote daad te doen: “… Als u volmaakt wilt zijn, ga dan heen, verkoop wat u hebt, en geef het aan de armen, en u zult een schat hebben in de hemel; en kom dan en volg Mij” (v. 21).
Was dit advies – alles te verkopen wat hij had en het aan de armen te geven – een elfde gebod? Is dit een gebod voor u? Dat hangt ervan af of u hetzelfde probleem heeft als de jongeman had. Wat Jezus deed was hem terugverwijzen naar het eerste en het tiende gebod. Jezus merkte dat de jongeman zijn rijkdommen vóór de ene en enig ware God stelde en dat hij rijkdom begeerde. Het bewijs hiervan is te zien aan zijn reactie: “Toen de jongeman dit woord gehoord had, ging hij bedroefd weg, want hij had veel bezittingen” (v. 22).
En dat algemene gebod dat Jezus noemde – “u zult uw naaste liefhebben als uzelf” – was niet iets nieuws. In feite haalde Hij Leviticus 19:18 aan, dat een samenvatting is van de laatste zes van de Tien Geboden. We zien dit eveneens duidelijk in Christus’ latere ontmoeting met een wetsgeleerde die Hem wilde beproeven met de vraag: “Meester, wat is het grote gebod in de wet?” (Mattheüs 22:36). “Jezus zei tegen hem: U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, hieraan gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt heel de wet, en de profeten” (vv. 37-40).
De eerste vier van de Tien Geboden tonen in detail de grondslagen van oprechte liefde jegens onze Schepper: Stel geen andere god vóór Hem, beperk Hem niet door iets dat van hout of steen is gemaakt, gebruik Zijn naam niet lichtzinnig, en respecteer de dag die Hij apart heeft gezet. De laatste zes zeggen ons onze ouders te eren en tonen specifiek hoe we liefde jegens onze naaste kunnen uitdrukken: vermoord hem niet, pleeg geen overspel met zijn vrouw, besteel hem niet, lieg niet tegen hem en begeer zijn bezittingen niet.
Het verruimen of vergroten van de wet
Jezus’ instructies over de wet begonnen eerder met Zijn Bergrede, te vinden in de hoofdstukken 5-7 van Mattheüs. Hier zien we Jezus met een directe stelling – die moeilijk verkeerd is uit te leggen – over het permanent zijn van de wet: “Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen; Ik ben niet gekomen om die af te schaffen, maar te vervullen” (Mattheüs 5:17). Maar antinomianisten leggen dit toch verkeerd uit! Vervullen, zeggen zij, betekent dat Jezus de wet ‘vervulde’ voor ons en wij deze daarom niet in acht hoeven te nemen. Hebt u niet iemand horen zeggen dat het allemaal voor u is gedaan? Maar is dit wat Jezus bedoelde? Hoe kunnen we het zeker weten?
Het vers dat volgt werpt licht op de stelling. “Want, voorwaar, Ik zeg u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota of één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles geschied is” (v. 18). Dus wat Jezus ook bedoeld mag hebben, Hij zei ons dat geen jota of tittel – geen perfecte parallel, maar geen punt op een i of een streepje door een t – zou verdwijnen zolang de hemel en de aarde bestaan. Jezus vervulde Zijn missie in vlees en bloed in 31 n. Chr., en de laatste keer dat ik keek, bestonden de hemel en de aarde nog steeds. Dus de wet is er nog steeds. Wat bedoelde Hij dus met het woord vervullen?
Door de profeet Jesaja voorspelde God dat Christus met Zijn komst “… de wet [zou] verruimen en eerbiedwaardig maken” (Jesaja 42:21, vertaald uit de King James Version). De New King James Version zegt (vertaald in het Nederlands): “… Hij zal de wet verhogen en hem eerbiedwaardig maken.” Is dit niet precies wat Jezus deed: de wet verruimen en verhogen? Geloof mij niet – geloof wat u leest in uw Bijbel! Wat zeggen de verzen die volgen op Jezus’ dogmatische stelling over het permanent zijn van de wet?
Jezus ging verder met te laten zien dat tenzij de gerechtigheid van Zijn volgelingen groter zou zijn dan die van de religieuze elite van Zijn tijd, zij niet in het Koninkrijk van God zouden komen (Mattheüs 5:20). Hij begon toen met het verruimen van de wet en verklaarde dat Zijn volgelingen aan een hogere norm zijn gehouden, door twee voorbeelden te geven:
U hebt gehoord dat tegen de ouden gezegd is: U zult niet doden; en: Wie doodt, zal door de rechtbank schuldig bevonden worden. Maar Ik zeg u: Al wie ten onrechte boos is op zijn broeder, zal schuldig bevonden worden door de rechtbank. En al wie tegen zijn broeder zegt: Raka! zal schuldig bevonden worden door de Raad; maar al wie zegt: Dwaas! [in feite ieder, die een medemens als waardeloos beschouwt] die zal schuldig bevonden worden tot het helse vuur. (Mattheüs 5:21-22)
U hebt gehoord dat tegen het voorgeslacht gezegd is: U zult geen overspel plegen. Maar Ik zeg u dat al wie naar een vrouw kijkt om haar te begeren, in zijn hart al overspel met haar gepleegd heeft. (Mattheüs 5:27-28)
Dat is zo duidelijk als maar kan. Jezus verwachtte een hogere standaard van gehoorzaamheid aan Gods wet. Hij verhoogde – verruimde of vergrootte – de wet. Wij moeten ons niet alleen aan de letter van de wet houden, maar ook aan de geest of de bedoeling van de wet, die bestaat om ons te helpen meer als onze Schepper te worden. “Want”, inderdaad, “de wet is door Mozes gegeven” en later zijn, teneinde de wet te verruimen en ons in staat te stellen hem te houden, “de genade en de waarheid… er door Jezus Christus gekomen” (Johannes 1:17).
Er zijn veel belijdende christenen die, ongeacht zulke duidelijke stellingen en voorbeelden, om de wet heen redeneren. En zij proberen zelfs nog een andere stelling van onze Verlosser weg te verklaren.
Wat gebeurde er na de kruisiging?
Sommigen beweren dat het gebod voor de rijke jongeman ‘de geboden te houden’ van toepassing was omdat Christus de straf op de zonde nog niet had ondergaan, maar dat Jezus’ gebod na Zijn kruisiging niet langer geldig was. Dit is een voorbeeld van menselijke redenering die onze Verlosser tot de volgende berisping bracht: “Waarom noemt u Mij: Heere, Heere, en doet niet wat Ik zeg?” (Lukas 6:46).
Was deze uitspraak alleen van toepassing toen Hij hem deed – tot aan de tijd vóór Zijn kruisiging? Stierf de wet samen met Hem aan het kruis? En zijn mensen van vandaag ontvankelijker dan degenen die gedurende Zijn tijd leefden – voor of na Zijn opstanding? Het zijn geen moeilijke vragen en in de volgende hoofdstukken zullen we de antwoorden geven. In het nu volgende hoofdstuk zullen we zien hoe de indeling van het Nieuwe Testament essentieel is voor het begrip van ons onderwerp, en dat die heel anders is dan wat de meeste mensen denken.
De juiste volgorde van het Nieuwe Testament
We nemen allemaal in dit leven veel dingen voor vanzelfsprekend. Als we eenmaal iets op een bepaalde manier hebben gezien, is het normaal dat te aanvaarden als ‘dat de dingen nu eenmaal zo zijn’. Als we eenmaal ons abc kennen, weten we dat de a aan het begin komt en de z aan het eind. Zo hebben de meeste mensen het alfabet geleerd. Maar is dit de manier waarop het moet zijn? Kan het alfabet niet beginnen met een t en eindigen met een k, met alle andere letters ergens daartussenin? Of alle klinkers eerst en daarna alle medeklinkers? De meeste mensen hebben hier waarschijnlijk nooit zo over nagedacht. Dus waar gaat het over?
In de meeste Bijbels begint het zogenoemde Nieuwe Testament met het boek Mattheüs en eindigt het met het boek Openbaring – en dat is zoals het altijd is geweest. Maar tussen die twee boeken is het niet zoals het altijd is geweest.
Een deel van de uitdaging bij het oplossen van de kwestie ‘wet of genade’ komt door iets wat de meeste mensen niet weten – iets wat bijna 1700 jaar geleden gebeurde. Om de dingen eenvoudig te houden verwijs ik naar The Companion Bible van Bullinger voor uitleg:
Onze Engelse [en ook de Nederlandse] Bijbels volgen meestal de volgorde zoals die is gegeven in de Latijnse Vulgaat. Deze volgorde hangt daarom af van het willekeurige oordeel van één man, Hiëronymus (382-405 n.Chr.). Alle theorieën die op deze volgorde zijn gebaseerd berusten op de autoriteit van de mens en hebben derhalve geen waar fundament.
De oorspronkelijke Griekse manuscripten stemmen onderling niet overeen over enige speciale volgorde van de afzonderlijke boeken en enkele ervan bevatten zeer merkwaardige verschillen.
We kunnen echter veilig stellen dat de boeken in het algemeen zijn verdeeld in vijf welomschreven groepen. (Appendix 95, “The New Testament and the Order of Its Books”)
Wat de individuele boeken binnen elk van de vijf groepen betreft observeert Bullinger dat in de meeste oude manuscripten alleen de Brieven van Paulus altijd in dezelfde volgorde zijn te vinden. Maar alle vijf groepen staan altijd in dezelfde volgorde, met slechts zeer zeldzame uitzonderingen, vóór de wijziging door Hiëronymus:
- De vier evangeliën (Mattheüs, Markus, Lukas en Johannes)
- De Handelingen van de Apostelen (één boek, beter bekend als Handelingen)
- De Algemene Brieven (geschreven door Jakobus, Petrus, Johannes en Judas)
- De Paulinische brieven (geschreven door Paulus)
- Het boek Openbaring
Bullinger wijst erop dat, hoewel de vier evangeliën niet altijd in dezelfde volgorde stonden, Handelingen wel altijd volgde op de vier en altijd werd gevolgd door de Algemene Brieven. Voor meer over dit belangrijke onderwerp, zie de Wereld van Morgen Bijbelstudiecursus, les 1. De cursus is gratis op aanvraag.
Lezers die bekend zijn met modernere Bijbelvertalingen kunnen verrast zijn de Algemene Brieven te vinden vóór de brieven van Paulus. Ziehier waarom dit belangrijk is: Petrus en Johannes waren twee van Christus’ meest vooraanstaande apostelen. Van hen was Petrus de leider; Johannes was de laatst levende van de oorspronkelijke twaalf apostelen. Behalve van drie algemene brieven is Johannes tevens de auteur van een van de evangelieverslagen en van het boek Openbaring. Algemeen bekend is dat Jakobus en Judas halfbroers van Jezus waren. Hoewel zij geen vroege volgelingen waren (Johannes 7:5), werden zij overtuigd door de opstanding en hadden zij een persoonlijke kennis van hoe hun oudere Broer dacht en leefde.
Als we dit vergelijken met de apostel Paulus, dan zouden we die een nakomertje kunnen noemen. Zelf bevestigt Paulus dit door te verklaren: “Ik immers ben de minste van de apostelen, die niet waard ben een apostel genoemd te worden, omdat ik de gemeente van God vervolgd heb” (1 Korinthe 15:9). Later beschreef hij zichzelf als “… de allerminste van alle heiligen…” (Efeze 3:8). Terwijl de meeste geleerden hem identificeren als de auteur van enkele van de vroegste brieven, was hij de ‘apostel voor de heidenen’ en vaak presenteerde hij zijn materiaal op een manier dat zelfs Petrus, zijn mede-apostel, die beschreef als “… moeilijk te begrijpen…” (2 Petrus 3:16).
Bijgevolg kunnen de mensen die het Nieuwe Testament lezen in de volgorde van Hiëronymus veel eerder verward raken over de christelijke leer – met inbegrip van de relatie van wet en genade. En dit brengt ons tot een zeer belangrijke sleutel om ons verstand te openen voor dit onderwerp van wet en genade. We begrijpen het Nieuwe Testament het meest helder als we het lezen in de volgorde waarin het stond voordat Hiëronymus die wijzigde.
Twee van de ‘Algemene Brieven’ werden geschreven door Petrus en drie door Johannes. Petrus en Johannes waren twee van de drie apostelen (samen met Jakobus, de zoon van Zebedeüs) die getuige waren van de transfiguratie [‘verheerlijking’, lett. ‘gedaanteverandering’] (Mattheüs 17:1-2), die de opstanding van een kind zagen (Markus 5:37-42) en die in Jezus’ nabijheid waren in de tuin [Gethsémané] in de nacht dat Hij werd verraden (Mattheüs 26:36-37). Jezus’ halfbroers Jakobus (niet te verwarren met de zoon van Zebedeüs met dezelfde naam) en Judas schreven elk één brief. Dit is veelbetekenend. In de oorspronkelijke volgorde van het Nieuwe Testament kwamen de zeven brieven van deze vier mannen onmiddellijk na de evangeliën en Handelingen. Ze gingen vooraf aan wat Petrus beschreef als de “moeilijk te begrijpen” brieven van Paulus (2 Petrus 3:16). Het was de kerk in Rome die de volgorde later veranderde teneinde het boek Romeinen als eerste na Handelingen te plaatsen.
Wanneer we het Nieuwe Testament met de verslagen van Christus’ leven en onderricht eerst lezen, vervolgens het verslag van de groei van de nieuwtestamentische Kerk, en dan de gemakkelijk te begrijpen brieven van Jakobus, Petrus, Johannes en Judas, allemaal vóór de ‘moeilijk te begrijpen’ brieven van Paulus, dan krijgen we een beter overzicht van het onderhavige onderwerp. Let op de ondubbelzinnige uitspraken van deze vier schrijvers, te beginnen met Jakobus, waar hij de Tien Geboden “de volmaakte wet van de vrijheid” noemt (Jakobus 1:25) en zegt dat wij “… geoordeeld zullen worden door de wet van de vrijheid” (2:10-12). Die wet is duidelijk de Tien Geboden, zoals blijkt uit vers 11.
Maarten Luther noemde Jakobus’ brief minachtend een brief van stro, die volgens hem niets van doen had met het Evangelie – dat wil zeggen, niets met de ‘geloof alleen’-stelling waar Luther zich sterk voor maakte! Maar wat zegt Jakobus – de halfbroer van Christus – zelf? “Maar wilt u weten, o nietig mens, dat het geloof zonder de werken dood is? Is Abraham, onze vader, niet uit de werken gerechtvaardigd, toen hij Izak, zijn zoon, op het altaar offerde? Ziet u wel dat het geloof samenwerkte met zijn werken en dat door de werken het geloof volmaakt is geworden?” (Jakobus 2:20-22). Welnu, naar wie zullen we luisteren: naar Christus’ halfbroer, of naar een verwarde en losgeslagen rooms-katholieke priester?
Luther had gelijk dat de uitwassen van de aflaten en andere werken van de katholieke kerk een dwaling waren, maar met zijn oplossing van genade los van de wet had hij absoluut geen gelijk!
‘Kent u de Heer?’
Dit is niet alleen op Jakobus van toepassing. Elk van de algemene brieven heeft veel over de wet van God te zeggen. U heeft wellicht wel eens iemand horen zeggen: “Kent u de Heer?”. Dat is een redelijke vraag, ook al is die nogal persoonlijk en is het misschien niet zo beleefd die te stellen. Maar hoe moeten we erop antwoorden? Hoe antwoordt u? Belangrijker is: hoe beantwoordt God deze vraag? Johannes, de apostel van de liefde, zegt ons: “En hierdoor weten wij dat wij Hem kennen, namelijk als wij Zijn geboden in acht nemen. Wie zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet in acht neemt, is een leugenaar en in hem is de waarheid niet. Maar ieder die Zijn woord in acht neemt, in hem is werkelijk de liefde van God volmaakt geworden. Hierdoor weten wij dat wij in Hem zijn” (1 Johannes 2:3-5).
Dit is zo duidelijk dat het geen uitleg nodig heeft. Maar antinomianisten rationaliseren om Johannes’ woorden heen door te beweren dat er een verschil is tussen Jezus’ geboden en wat zij zien als de ‘hardvochtige’ oudtestamentische wet (een onderwerp waarop we nog zullen terugkomen). Johannes’ uitspraak moet op zichzelf voldoende zijn, maar ik haal hier over deze verzen een zeer gerespecteerd modern Bijbelcommentaar aan om te laten zien dat wij van de Wereld van Morgen en de Levende Kerk van God niet de enigen zijn die Johannes’ duidelijke uitspraak begrijpen:
Nu komt er een test waardoor mensen kunnen weten of zij, in weerwil van hun tekortkomingen, in de juiste relatie tot God staan en met Hem in gemeenschap leven. De test is of zij Zijn geboden houden. Het is onmogelijk voor mensen die God werkelijk kennen om in hun dagelijks leven geen invloed te ondergaan van deze kennis.… Voor Johannes is de kennis van God niet een of andere mystieke visie of een intellectueel inzicht. Deze blijkt uit of we Zijn geboden houden. Gehoorzaamheid is geen spectaculaire deugd, maar de grondslag van alle ware christelijke dienstverlening. Degene die beweert deze kennis te hebben, maar Zijn geboden niet gehoorzaamt, is, zegt Johannes eerlijk, een leugenaar. Hij onderstreept dit met de toevoeging: de waarheid is niet in hem. (The New Bible Commentary: Revised, red. Donald Guthrie et al., 1970, p. 1263)
Johannes gaat in deze passage verder met deze uitspraak die absoluut niet over het hoofd mag worden gezien: “Wie zegt in Hem te blijven, moet ook zelf zo wandelen als Hij gewandeld heeft” (1 Johannes 2:6). Hoeveel belijdende christenen ‘wandelen zoals Hij gewandeld heeft’?
Nog twee aanhalingen uit Johannes dragen bij aan een juist begrip van dit onderwerp. De eerste openbaart iets van groot belang dat bij antinomianisten verloren is gegaan: de Bijbelse definitie van zonde. “Ieder die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid; want de zonde is de wetteloosheid” (1 Johannes 3:4).
Als wij berouw hebben van de zonde, betekent dat dan niet dat we ons moeten afkeren van het breken van de wet? Precies! Toch beweren antinomianisten – zij die tegen de wet zijn – dat het houden van de wet van God een last is en dat liefde alles is wat wij nodig hebben. Maar is dit wat de Bijbel zegt? Volgens de apostel Johannes niet. “Want dit is de liefde tot God, dat wij Zijn geboden in acht nemen; en Zijn geboden zijn geen zware last” (1 Johannes 5:3).
Na een van onze presentaties van Tomorrow’s World vlak bij Vancouver in British Columbia kwam er een jongeman naar me toe. Hij had mij 1 Johannes 5:3 horen citeren en vroeg: ‘Mijn predikant zegt dat de geboden wel een last zijn. Wat zegt u dat ik moet doen?’ Mijn antwoord was hetzelfde als wat ik u nu geef: ‘Je kunt Johannes geloven, een van Christus’ oorspronkelijke apostelen die twee boeken en drie brieven in de Bijbel heeft geschreven, of je kunt jouw predikant geloven. Zo eenvoudig is het’. Dus wie gelooft u?
En we moeten de vraag stellen: Wat zien de mensen als een last bij de Tien Geboden?
Het eenmaal overgeleverde geloof
Tegen het einde van de eerste eeuw schreef Jezus’ halfbroer Judas een van de kortere brieven in de Bijbel. Daarin voelde hij zich genoodzaakt het te hebben over wetteloos gedrag, aangezien er al mensen bezig waren de ware leer aan te tasten:
Geliefden, toen ik mij er met alle inzet toe zette u te schrijven over de gemeenschappelijke zaligheid, werd ik genoodzaakt u te schrijven met de aansporing om te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen overgeleverd is. Want er zijn sommige mensen binnengeslopen, die tot dit oordeel al lang tevoren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade van onze God veranderen in losbandigheid, en die de enige Heerser, God en onze Heere, Jezus Christus, verloochenen. (Judas 3-4)
Het “geloof dat eenmaal… overgeleverd” is, is niet het 18e- of 19e-eeuwse christendom. Het is het christendom van Christus en de apostelen. En reeds in de eerste eeuw werd dat geloof al aangetast. Goddeloze mensen verdraaiden Gods genade – Zijn onverdiende vergeving van onze schending van Zijn wetten – tot een vrijbrief om in strijd met Jezus’ voorbeeld te leven.
Judas heeft (evenals Petrus) advies voor hedendaagse kerken die steun geven aan de LHBTQIA+-beweging en zelfs priesters en predikanten van die overtuigingen aanstellen in hun corrupte organisaties:
En de engelen die hun oorspronkelijke staat niet hebben bewaard, maar hun eigen woonplaats verlaten hebben, heeft Hij voor het oordeel van de grote dag met eeuwige boeien in de duisternis in verzekerde bewaring gesteld. Evenzo is het met Sodom en Gomorra, en de steden eromheen, die op dezelfde wijze als zij hoererij bedreven hebben en ander vlees achterna zijn gegaan. Zij liggen daar als een waarschuwend voorbeeld, doordat zij de straf van het eeuwige vuur ondergaan. (Judas 6-7; vgl. 2 Petrus 2:5-6)
Als mensen die het Nieuwe Testament lezen eerst deze vier korte en gemakkelijk te begrijpen brieven zouden lezen – brieven die zijn geschreven door twee oorspronkelijke apostelen en twee van Jezus’ halfbroers – voordat zij Paulus’ brieven lezen, dan konden zij Paulus’ uitspraken in de juiste context plaatsen, uitspraken waarover zelfs de apostel Petrus zei dat zij moeilijk waren te begrijpen.
We lezen midden in een aansporing van Petrus deze verklaring van hem dat:
… zoals ook onze geliefde broeder Paulus… u geschreven heeft, zoals ook in alle brieven, wanneer hij deze dingen ter sprake brengt. Daaronder zijn sommige zaken die moeilijk te begrijpen zijn, die de onkundige en onstandvastige mensen verdraaien, tot hun eigen verderf, net als de andere Schriften. U dan, geliefden, omdat u dit van tevoren weet, wees op uw hoede, zodat u niet door de dwaling van normloze mensen wordt meegesleept en afvalt van uw eigen vastheid. (2 Petrus 3:15-17)
Lees de passage nog een keer met deze punten in gedachten: Petrus noemt Paulus’ geschriften ‘de Schrift’. Daarom moeten zij niet genegeerd worden. Ze geven ons inderdaad veel begrip van dit onderwerp. Maar Petrus zei ook dat sommige dingen die Paulus schreef moeilijk te begrijpen zijn en gaf ons een waarschuwing dat we moeten oppassen dat we “niet door de dwaling van normloze mensen… meegesleept [worden]”. Andere vertalingen spreken van ‘wetteloze mensen’ of ‘de wettelozen’. Het moet duidelijk zijn dat de “onkundige en onstandvastige mensen”, die Paulus’ geschriften “verdraaien” een probleem hebben met de wet!
Nu we begrijpen wat Jezus, Jakobus, Petrus, Johannes en Judas leerden, kunnen we in het volgende hoofdstuk overgaan naar Paulus’ geschriften, waar we beginnen te zien hoe het wet en genade is, niet het een of het ander. Terwijl Judas en de andere schrijvers van de Algemene Brieven goddeloze mensen ‘de genade van God in losbandigheid’ zagen veranderen, had Paulus te maken met Joodse mensen die de heidenen besnijdenis en andere Israëlitische regels poogden op te leggen. Alle apostelen en schrijvers van het Nieuwe Testament, inclusief Paulus, begrepen dat gedrag ertoe doet, maar dat geen enkele mate van het nu of toekomstig houden van de wet onze vele zonden kan bedekken – dat kan uitsluitend het vergoten bloed van de Zoon van God. Dit is wat wij genade noemen, en niets in dit boekje is bedoeld die soevereine gift van God te bagatelliseren of te ondermijnen. (Voor meer informatie kunt u een ander gratis boekje van ons aanvragen: John 3:16 – Verborgen waarheden van het gouden vers, of het online lezen op wereldvanmorgen.nl) Lees verder om te zien hoe wet en genade samenkomen in een volledig beeld.
Paulus aan de Romeinen
Ik zal u een hedendaagse parabel geven. Op een avond ging een zeker iemand een bar binnen. Na te veel tijd te hebben doorgebracht met de fles, stapte hij in zijn auto op weg naar huis. Onderweg miste hij een stoplicht, botste op een andere auto en bracht de inzittende daarvan ernstige verwondingen toe. Zes maanden later verscheen hij voor de rechter, die hem vroeg: ‘Bent u schuldig of onschuldig?’
Omdat hij zich erg schuldig voelde, antwoordde hij: “Schuldig zoals ten laste gelegd, meneer de rechter.’
De rechter zei vervolgens tegen de man zijn straf te kiezen: of één miljoen boete ofwel één jaar gevangenis.
De man dacht: ik heb geen miljoen, maar als ik de gevangenis inga, wie zorgt er dan voor mijn vrouw en kinderen? Dus stelde hij, terwijl hij ondertussen zijn diepe spijt betuigde, de rechter het volgende voor: ‘Meneer de rechter, ik beloof nooit meer te drinken en auto te rijden. Ik zal alle verkeersregels naleven, iedere cent belasting betalen die ik schuldig ben en zal me vanaf vandaag aan alle wetten houden zo perfect als ik kan.’
‘Dat is wat we van alle mensen verwachten’, antwoordde de rechter, ‘maar u hebt de wet overtreden en iemand ernstig verwond. Uw inachtneming van de wet vanaf vandaag doet niet teniet wat u zes maanden geleden deed. Kies: één jaar gevangenis of één miljoen boete.’
Nu was er iemand in de rechtszaal die redeneerde: ‘Deze man heeft werkelijk spijt van wat hij heeft gedaan. Ik geloof dat hij zijn best zal doen zich voortaan aan de wet te houden. Ik zal de boete voor hem betalen.’
De betaling die deze man in onze parabel aanbood is wat Jezus deed voor u en mij, als wij spijt hebben van onze zonden en Zijn betaling voor ons aanvaarden. Maar denkt u dat de vriendelijke heer de boete zou betalen als hij dacht dat de schuldige man minachting zou hebben voor de wet waardoor hij nu terechtstond? Waarom denken mensen dat dan wel van Jezus?
Heeft het feit dat de boete was voldaan op een of andere manier de wet afgeschaft? Kon de man de rechtszaal verlaten in de mening dat, omdat de genereuze heer die genadig voor hem was opgekomen, op een of andere manier alle wetten teniet waren gedaan? Toch is dit precies wat de ‘weg met de wet’-antinomianisten onderwijzen – niet alleen dat de straf is betaald, maar dat de wet aan het kruis is genageld en dat wij die niet langer hoeven te houden!
Wat enkele van Paulus’ brieven aangaat, hebben we gezien dat Petrus terecht zei dat ze dingen bevatten “,,, die moeilijk te begrijpen zijn, die de onkundige en onstandvastige mensen verdraaien, tot hun eigen verderf, net als de andere Schriften” (2 Petrus 3:16). Maar als u de algemene brieven leest voordat u Paulus’ geschriften leest, zult u die zien door de lens van hoe wet, genade en rechtvaardiging samenwerken in plaats van elkaar te bestrijden, zoals ook het verhaal uit de rechtszaal hierboven ons toont.
Gaat Paulus boven Jezus?
Zoals we al hebben opgemerkt moeten we leven in de voetstappen van Jezus. Hij is de Rots, de voornaamste Hoeksteen, de norm om te imiteren, en Hij gebiedt ons de wet te houden – de Tien Geboden. Hij verklaarde dat de wet niet zal verdwijnen zolang hemel en aarde blijven bestaan. Zijn twee halfbroers (Jakobus en Judas) schreven met twee van de meest vooraanstaande van de twaalf apostelen (Petrus en Johannes) gezamenlijk zeven brieven waarin de wet van God staande wordt gehouden.
Dus waarom denken de mensen dat Paulus kwam om teniet te doen wat Jezus en zij die het dichtst bij Hem hadden gestaan onderwezen? Heeft God een andere norm voor Joden dan voor heidenen? Werden de Tien Geboden aan het kruis genageld’? Heeft God één wekelijkse Sabbat en één set jaarlijkse feestdagen voor Joden en een andere voor heidenen? Natuurlijk niet. Dat zou niet passen bij de nadruk die Paulus geeft aan de eenheid van het geloof (Efeze 4:4-6; Galaten 3:26-29). Zijn de wetten tegen moord, overspel en diefstal werkelijk afgeschaft? Als de Sabbatten en Heilige Dagen die door Jezus en de apostelen werden gehouden naar de prullenbak zijn verwezen, wat is dan het alternatief? Is dat om ze te vervangen door vieringen van heidense gebruiken, zoals het het mainstream ‘christendom’ heeft gedaan? Denk hierover na – heeft dit zin? En is dat wat Paulus ons zegt?
Zoals eerder genoemd is Romeinen 6:14 een lievelingstekst van antinomianisten. “Want de zonde zal over u niet heersen. U bent namelijk niet onder de wet, maar onder de genade.” Geheel op zichzelf en los van de context zou je kunnen denken dat dit de wet wegdoet – maar is dat wat Paulus bedoelde toen hij dit vers schreef? Wat zegt de context ons? Let op de teksten die volgen. “Wat dan? Zullen wij zondigen omdat wij niet onder de wet maar onder de genade zijn?...” (Romeinen 6:15).
Bedenk dat de zonde, volgens 1 Johannes 3:4, het breken van de wet is. Paulus vraagt daarom of we de wet moeten schenden omdat we onder de genade staan. Zijn antwoord? Open de Bijbel en lees het zelf:
… Volstrekt niet! Weet u niet dat aan wie u uzelf als slaaf ter beschikking stelt tot gehoorzaamheid, u slaaf bent van wie u gehoorzaamt: óf van de zonde [overtreding van de wet], tot de dood, óf van de gehoorzaamheid, tot gerechtigheid? Maar God zij dank: u was wel slaaf van de zonde, maar nu bent u van harte gehoorzaam geworden aan het voorbeeld van de leer waaraan u overgegeven bent. En, vrijgemaakt van [niet voor, maar van] de zonde, bent u dienstbaar gemaakt aan de gerechtigheid. (Romeinen 6:15-18)
Een andere favoriete tekst van antinomianisten is Romeinen 3:28: “Wij komen dus tot de slotsom dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt zonder werken [Grieks: erga] van de wet.” Dit vers raakt de kern van de controverse. Veel van de moeilijkheden met Paulus’ brieven draaien om dat ene woord ‘rechtvaardiging’.
Voor een vluchtige lezer is het gemakkelijk rechtvaardiging te verwarren met behoud. Deze twee woorden houden wel verband met elkaar, maar betekenen niet hetzelfde. We horen mensen vaak zeggen dat we worden behouden door de dood van Christus. Maar is dit Bijbels? Zonde is de wetteloosheid ofwel het breken van de wet (1 Johannes 3:4). De zonde scheidt ons van God en veroorzaakt een breuk die moet worden geheeld (Jesaja 59:1-2). Christus’ dood, Zijn vergoten bloed, betaalt de straf voor de zonde (de dood) ten behoeve van ons en wist de lijst van onze zonden van het verleden, en verzoent ons daarmee met God. Rechtvaardiging is de vergeving van zonden van het verleden.
Paulus verklaart deze termen en het verschil daartussen. “God echter bevestigt Zijn liefde voor ons daarin dat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren. Veel meer dan zullen wij, nu wij gerechtvaardigd zijn door Zijn bloed, door Hem behouden worden van de toorn. Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, hoeveel te meer zullen wij behouden worden door Zijn leven, omdat wij verzoend zijn” (Romeinen 5:8-10).
Behouden door Zijn leven?
Behoud is een proces. De stappen naar behoud zijn:
- Geloof in Christus (Hebreeën 6:1; 11:6).
- Bekering van zonde en geloof in Christus’ Evangelieboodschap (Markus 1:15).
- Doop door onderdompeling en ontvangst van de heilige Geest (Handelingen 2:38; 8:35-39; 8:1-18).
- Christus’ inwoning door de heilige Geest (Romeinen 8:9).
- Overwinnen en trouw blijven tot het eind (Mattheüs 24:13; Openbaring 17:14).
Behoud is een gift van Christus aan ons, maar we moeten niet denken dat wij geen deel hebben in het proces van behoud – dat het ‘allemaal voor ons gedaan’ is – zoals velen ten onrechte prediken. We moeten groeien en precies dat karakter ontwikkelen dat onze Verlosser en Heiland heeft. Paulus legt uit: “Ik ben met Christus gekruisigd [dit proces begint bij de doop]; en niet meer ik leef [we komen uit het water-‘graf’ van de doop], maar Christus leeft in mij; en voor zover ik nu in het vlees leef, leef ik door het geloof in [moet zijn: ‘van’] de Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven” (Galaten 2:20).
Door de kracht van de heilige Geest werkt Christus in ons om ons te veranderen van wat wij eens waren in wat wij moeten zijn – maar wij hebben zelf ook een aandeel in dat proces. Merk op dat wij onze vleselijke wegen ter dood moeten brengen. “Want als u naar het vlees leeft, zult u sterven. Als u echter door de Geest de daden van het lichaam doodt, zult u leven” (Romeinen 8:13). Paulus bevestigt dit met zijn gebod aan de Kolossenzen: “Dood dan uw leden die op de aarde zijn: ontucht, onreinheid, hartstocht, kwade begeerte, en de hebzucht, die afgoderij is” (Kolossenzen 3:5). Het resultaat is dat wij anders zullen zijn dan vóór onze doop. “Daarom, als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, alles is nieuw geworden” (2 Korinthe 5:17).
Bij het bespreken van de doopceremonie licht Paulus dit veranderingsproces toe. In het besef dat sommigen zijn uitspraken over genade verkeerd zouden begrijpen, probeert hij dit te verhelderen met de vraag: “Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt?” (Romeinen 6:1). Zijn antwoord is beslist: “Volstrekt niet! Hoe zullen wij, die aan [beter: ‘voor’] de zonde gestorven zijn, nog daarin leven?” (v. 2). Hij gaat verder met te verklaren wat het betekent voor de zonde te sterven: de waterdoop begeleid door oprechte bekering van onze zonden en aanvaarding van Christus als Verlosser en Heiland.
Of weet u niet dat wij allen die in Christus Jezus gedoopt zijn, in Zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat evenals Christus uit de doden is opgewekt tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in een nieuw leven zouden wandelen. Want als wij met Hem één plant zijn geworden, gelijkgemaakt aan Hem in Zijn dood, dan zullen wij ook aan Hemgelijk zijn in Zijn opstanding. (vv. 3-5)
Verzoend met God
Mensen die een computer gebruiken begrijpen wat justification [het woord dat hiervoor steeds met ‘rechtvaardiging’ is vertaald] bij tekstverwerking betekent: ‘uitlijnen’, het recht maken langs de marge of kantlijn van alle regels, links en/of rechts.
In geestelijke zin zorgen onze zonden ervoor dat we niet op één lijn met God zitten, niet in harmonie met Hem, omdat we Zijn wet hebben geschonden. Er is een straf voor het breken van die wet, en die straf is de dood (Romeinen 3:23). We moeten daarom gerechtvaardigd worden, terug op één lijn worden gebracht, verzoend worden met Hem.
Al ons toekomstig houden van de wet kan niet onze zonden van het verleden, waarvoor de straf de dood is, rechtvaardigen. Alleen de dood van onze Schepper, wiens leven meer waard is dan al onze levens gecombineerd, kan voor ons die straf voldoen. Dit is een fundamentele waarheid die we niet over het hoofd mogen zien. Maar laten we eerst zien hoe irrationeel het is te beweren dat de wet is opgeheven.
Vergeet even wat anderen u hebben verteld over de wet die zou zijn afgeschaft, en bekijk de hele context van Paulus’ woorden. Beseft u dat als u Gods wet afschaft, u de noodzaak van Gods vergeving afschaft? Dit is heel fundamenteel om te begrijpen. Als er geen wet is, kan er ook geen schending van zijn. Dat is zuivere logica die werd opgeschreven door de apostel van wie sommigen zeggen dat hij de wet wegdeed: “Immers, als zij die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, is het geloof zonder inhoud geworden en is de belofte tenietgedaan. De wet brengt immers toorn teweeg [de doodstraf], want waar geen wet is, is ook geen overtreding” (Romeinen 4:14-15).
Zonde is het breken van de wet ofwel wetteloosheid volgens de Bijbel (1 Johannes 3:4). Dus als u de wet wegdoet, doet u noodzakelijkerwijs de zonde weg. Als er geen zonde is, kan er geen straf zijn. Als er geen straf is, is er geen noodzaak voor vergeving – geen noodzaak voor genade, geen noodzaak voor een Verlosser!
In feite vereist genade – onverdiende kwijtschelding van onze zonden – dat de wet in werking is. Is dit niet wat Paulus tegen ons zegt? “Doen wij dan door het geloof de wet teniet? Volstrekt niet, maar wij bevestigen de wet” (Romeinen 3:31).
In het volgende hoofdstuk kijken we naar Paulus’ brief aan de Galaten, een brief die veel mensen heeft verward.
Is Christus ‘het einde van de wet’?
Veel mensen zijn verward over Paulus’ uitspraak in Romeinen 10:4: “Want het einddoel van de wet is Christus, tot gerechtigheid voor ieder die gelooft.” Betekent dit dat de wet van God wordt ‘beëindigd’ met Christus?
Omdat in bijvoorbeeld de oude Statenvertaling en NBG’51 “het einde der wet” staat is dit vers vaak verkeerd begrepen. Het Griekse woord telos, dat hier als ‘einde’ is vertaald, betekent einddoel [zoals de HSV boven ook vertaalt] en wordt door Paulus op deze manier ook gebruikt in 1 Timotheüs 1:5: “Het einddoel [telos] nu van het gebod is liefde die voortkomt uit een rein hart, een goed geweten en een ongeveinsd geloof.” En ook door Petrus in 1 Petrus 1:8-9: “… Hoewel u Hem nu niet ziet, maar gelooft, verheugt u zich met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, en verkrijgt u het einddoel [telos] van uw geloof, namelijk de zaligheid van uw zielen.” Petrus sprak natuurlijk niet over het ophouden van hun geloof, maar juist over de zin of het einddoel van hun geloof.
Het wordt nog helderder door andere Bijbelverzen. In Romeinen 6:12 zegt Paulus duidelijk: “Laat de zonde dan niet in uw sterfelijk lichaam regeren om aan de begeerten daarvan te gehoorzamen.” Hij zegt ook: “… Door de wet is immers kennis van zonde” (Romeinen 3:20). En, zoals Johannes verklaart: “… de zonde is de wetteloosheid” (1 Johannes 3:4).
Nee, de wet stopt niet bij Christus en bestaat nog steeds. Moord is nog steeds een zonde. Overspel is nog steeds een zonde. Jezus maakte de wet nog bindender in de Bergrede, waarin Hij zei dat wij de geboden zelfs in onze geest en ons hart moeten houden (Mattheüs 5:21-30).
Jezus Christus is de zin of het einddoel van de wet. Gods wet benadrukt onze behoefte aan Zijn offer en wijst ons tevens naar Zijn karakter en rechtvaardigheid. Paulus legt elders uit dat het doel van ons geloof is dat “… Christus gestalte in u krijgt” (Galaten 4:19) – dat Zijn karakter en liefde in ons wordt opgebouwd naarmate wij Hem in ons laten leven door Zijn Geest (Galaten 2:20).
—Wallace G. Smith
Paulus aan de Galaten
Wanneer iemand willekeurig een paar passages uit Paulus’ geschriften kiest, kan iemand misschien concluderen dat wij bevrijd zijn van de wet. Immers, Paulus zei: “Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek van de wet…” (Galaten 3:13). Hoe kan iemand verlangen de wet te houden als de Bijbel zelf die als een vloek beschrijft? Mij werd destijds gezegd dat ik, als ik probeerde de wet te houden, mijn behoud zou verliezen. En de spottende beschuldiging luidde: U probeert uw eigen behoud te bewerken door uw werken!
Natuurlijk komen er, als de wet zelf een vloek is, vele vragen op. Als de geboden zijn afgeschaft betekent dat dan dat het oké is te moorden, overspel te plegen, te stelen, uw ouders niet te eren en andere goden te hebben vóór de ware God? Kan ik alles doen wat ik maar wil? Dit zijn geen onbelangrijke vragen.
Laten we hierbij stilstaan. Zoals we gezien hebben, zei Paulus: “… want waar geen wet is, is ook geen overtreding” (Romeinen 4:15). En de apostel Johannes definieerde zoals we zagen zonde als de schending van Gods wet: “Ieder die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid; want de zonde is de wetteloosheid” (1 Johannes 3:4).
Wat zei Paulus tegen de mensen van Galatië in Galaten 3:13? Zei hij werkelijk dat de wet zelf een vloek is? Verre van het wegdoen van wat velen denken dat de oudtestamentische wet is, haalt Paulus die juist aan! Laten we beginnen met Galaten 3:10: “Want allen die uit de werken van de wet zijn, zijn onder de vloek. Er staat immers geschreven: Vervloekt is ieder die niet blijft bij alles wat geschreven staat in het boek van de wet, om dat te doen.” Laten we naar de context kijken. Zijn aanhaling komt uit Deuteronomium 27, waar de ene helft van Israël op de berg Gerizim moest staan om de zegeningen voor gehoorzaamheid uit te spreken. De andere helft moest op de berg Ebal staan en de vervloekingen voor ongehoorzaamheid uitspreken. Let op de handelwijzen die vervloekingen over het volk zouden brengen:
- Vervloekt is de man die een gesneden of gegoten beeld maakt, een gruwel voor de HEERE, het werk van de handen van een vakman, en dat op een verborgen plaats neerzet… (Deuteronomium 27:15)
- Vervloekt is wie zijn vader of zijn moeder veracht… (v. 16)
- Vervloekt is wie de grenssteen van zijn naaste verlegt… (v. 17)
- Vervloekt is wie een blinde laat verdwalen op de weg… (v. 18)
- Vervloekt is wie het recht van de vreemdeling, de wees en de weduwe buigt… (v. 19)
- Vervloekt is wie met de vrouw van zijn vader slaapt… (v. 20)
- Vervloekt is wie gemeenschap heeft met welk dier dan ook… (v. 21)
- Vervloekt is wie slaapt met zijn zuster… (v. 22)
- Vervloekt is wie met zijn schoonmoeder slaapt… (v. 23)
- Vervloekt is wie zijn naaste in het geheim doodslaat… (v. 24)
- Vervloekt is wie een geschenk aanneemt om iemand om het leven te brengen, onschuldig bloed te vergieten… (v. 25)
Alle mensen moesten deze vervloekingen bevestigen met ‘Amen’. Het is in deze context dat Paulus in Galaten 3:10 zegt: “… Vervloekt is ieder die niet blijft bij alles wat geschreven staat in het boek van de wet, om dat te doen.”
Paulus wijst erop dat als zelfs maar één wet wordt geschonden, de schuldige partij onder een vloek staat – uiteindelijk de doodstraf. Dus als ketters beweren dat de weg naar rechtvaardiging – de vergeving van zonden uit het verleden – was door het houden van de wet, waren zij onder een vloek, omdat niemand, behalve Christus, de wet volmaakt heeft gehouden. We moeten naar een andere methode zoeken voor de vergeving van zonden. In dit opzicht zijn de woorden van Paulus heel precies: “En dat door de wet niemand gerechtvaardigd wordt voor God, is duidelijk, want de rechtvaardige zal uit het geloof leven” (Galaten 3:11). Los van het geloof en het offer van Jezus Christus is er geen rechtvaardiging.
Nu kijken we nog eens naar de zonden die in Deuteronomium 27 worden opgesomd: Is er zelfs maar één handelwijze waarvan u denkt dat die God zou behagen? Integendeel, elke eerlijke christen zou moeten erkennen dat elke genoemde handelwijze een zonde is die moet worden vermeden. Paulus vervolgt met: “Maar voor de wet is het niet: uit geloof, maar: De mens die deze dingen doet, zal daardoor leven” (Galaten 3:12). Het waren niet alleen de Tien Geboden waar Paulus over sprak. Die waarover de Galaten in verwarring waren gingen over de besnijdenis en alles wat daarmee samenhing, alsof er een wettische, ritualistische ladder voor ons kon worden samengesteld om te ontkomen aan de zonde en de doodstraf die we hebben verdiend, los van het geloof in Christus. Fysieke besnijdenis, op een speciale manier zijn handen wassen, en een hele reeks fysieke reguleringen – niets daarvan vereist geloof.
Besnijdenis
Zoals hij in Romeinen deed, zo richt Paulus zich ook in Galaten op hoe mensen kunnen worden gerechtvaardigd van zonden uit het verleden – hoe zij kunnen worden vergeven en hoe de doodstraf kan worden verwijderd. Rechtvaardiging is het hart van deze brief, omdat in dat gebied vanuit het judaïsme ketterijen de christelijke kerkgemeenschappen begonnen te infiltreren. Zelfs een oppervlakkige lezing van deze brief maakt duidelijk dat bepaalde Joden beweerden dat de heidenen moesten worden besneden en zich aan andere judaïstische regels moesten houden. Het is belangrijk op te merken dat de godsdienst die als judaïsme bekend is, met zijn vele door de mens bedachte praktijken, niet de godsdienst van de Bijbel is. We zien dit in de conflicten tussen Jezus en de farizeeën over veel van de door hen toegevoegde regels (vereisten die nergens in de Bijbel zijn te vinden), die zij schaarden onder het houden van de wet – die zij zelfs als belangrijker zagen dan de wetten van God (Mattheüs 15:3-9, 20).
Besnijdenis was zelfs zo controversieel dat Handelingen 15 geheel gewijd is aan een bijeenkomst van de apostelen en de oudsten om de kwestie voor eens en voor altijd vast te stellen. En dat besnijdenis een grote rol speelde in de ketterij in Galatië is duidelijk. “Allen die zich mooi willen voordoen naar het vlees, dwingen u zich te laten besnijden, alleen om niet vanwege het kruis van Christus vervolgd te worden. Want ook zij die besneden worden, nemen zelf de wet niet in acht, maar zij willen dat u besneden wordt om zich te kunnen beroemen op uw vlees” (Galaten 6:12-13). “Maar zelfs Titus, die bij mij was [in Jeruzalem], werd niet gedwongen zich te laten besnijden, hoewel hij een Griek was” (Galaten 2:3). De woorden besneden, besnijdenis en onbesneden worden in Galaten wel 14 keer genoemd. Paulus was zo geïrriteerd dat hij uitriep: “Maar ik, broeders, als ik nog de besnijdenis verkondig, waarom word ik dan nog vervolgd? Dan is immers het struikelblok van het kruis tenietgedaan. Lieten zij die u opruien, zich maar afsnijden!” (Galaten 5:11-12).
We moeten begrijpen dat de Joden fysieke besnijdenis als veel meer zagen dan het eenmalig snijden in iemands vlees. Het werd gezien als het symbool van iemands Joodse identiteit, waarmee deze werd verplicht zich te houden aan veel niet-Bijbelse tradities en daaraan verbonden belastende regels die aan Gods wet waren toegevoegd. Veel van die regels gingen over hoe de Sabbat moest worden gehouden, zoals we zien in de vele confrontaties die Jezus met de farizeeën had. Natuurlijk schond Jezus niet het Sabbatgebod zoals door God gegeven – als Hij dat wel had gedaan kon Hij onze zondeloze Verlosser niet zijn. Maar Hij schond wel farizeïsche interpretaties van wat wel en wat niet op de Sabbat kon worden gedaan. Evenmin volgde Hij de door de mens gemaakte ritualistische reinigingswetten, zoals het wassen van handen, kruiken, koppen etc., die nooit door God waren gegeven (Mattheüs 15:1-20). Dat Jezus farizeïsche regels tegensprak is te zien in Zijn sterke veroordeling ervan in Mattheüs 23.
Om het eenvoudig te zeggen: deze mensen die de kerkgemeenschappen ontwrichtten promootten rechtvaardiging door de fysieke praktijken van het judaïsme. Maar zij negeerden het geestelijke aspect dat door Jezus Christus mogelijk was gemaakt. Voor de volgelingen van Christus is de fysieke besnijdenis die aan Abraham was gegeven vervangen door een besnijdenis van het hart – het wegsnijden van een vleselijke instelling.
Paulus schreef: “In Hem bent u ook besneden met een besnijdenis die niet met handen plaatsvindt, door het uittrekken van het lichaam van de zonden van het vlees, door de besnijdenis van Christus. U bent immers met Hem begraven in de doop, waarin u ook met Hem bent opgewekt, door het geloof van de werking van God, Die Hem uit de doden heeft opgewekt” (Kolossenzen 2:11-12).
Er stond hier een heel pakket aan regels op het spel. En de sleutel is deze: De judaïseerders zeiden dat wilden de heidenen gerechtvaardigd worden van hun zonden, zij dezelfde tradities moesten houden als de farizeeën, die vaak werden gekenmerkt door fysieke werken zoals op een speciale manier de handen wassen (Markus 7:3-5) – vandaar de nadruk op werken van de wet.
De vloek van de wet
Paulus schrijft in Galaten 3 iets dat volkomen verkeerd is begrepen door degenen die ernaar streven de wet op te heffen. “Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek van de wet door voor ons een vloek te worden, want er staat geschreven: Vervloekt is ieder die aan een hout hangt” (v. 13). Wat betekent dit? Merk op dat dit niet zegt, zoals zovelen zouden willen, dat de wet een vloek is. Het gaat juist over de vloek van de wet. Antinomianisten begrijpen de context van deze passage niet of willen deze niet begrijpen. Waar komt deze vandaan? Wat is de beoogde betekenis ervan?
Paulus citeert opnieuw de wet – in dit geval Deuteronomium 21. Daar lezen we dat er een straf is voor de zonde, en sommige zonden zijn zo ernstig dat ze de doodstraf eisen. “Verder, wanneer iemand een zonde begaan heeft waarop de doodstraf staat, en hij gedood wordt, en u hem aan een paal hangt, dan mag zijn dode lichaam niet aan de paal overnachten, maar moet u hem beslist diezelfde dag nog begraven. Een gehangene is namelijk door God vervloekt…” (vv. 22-23). De wet wordt geen vloek genoemd; de vloek van de wet is de straf die wordt geëist als gevolg van het breken van de wet. We zien dat Paulus de Galaten precies het tegenovergestelde vertelde dan wat antinomianisten ons willen laten geloven!
Laten we Galaten 3:13 nog eens lezen, maar dan in het oorspronkelijke verband. “Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek van de wet [de ultieme doodstraf] door voor ons een vloek te worden.” Jezus voldeed de straf voor onze zonden – voor onze overtredingen van de wet. Het waren niet de geboden, maar Christus, die ‘aan het hout werd gehangen’. Petrus gebruikte tweemaal dezelfde woorden toen hij de kruisiging beschreef. “De God van onze vaderen heeft Jezus opgewekt, Die u omgebracht hebt door Hem aan een kruishout te hangen” (Handelingen 5:30). “En wij zijn getuigen van alles wat Hij gedaan heeft, zowel in het Joodse land als in Jeruzalem. Zij hebben Hem gedood door Hem aan een hout te hangen” (Handelingen 10:39).
De kern van de onenigheid
Evenals in de brief aan de Romeinen is de kern van de brief aan de Galaten het middel waardoor iemand kan worden gerechtvaardigd. “Wij, die van nature Joden zijn, en geen zondaars uit de heidenen, weten dat een mens niet gerechtvaardigd wordt uit werken van de wet, maar door het geloof in Jezus Christus. En ook wij zijn in Christus Jezus gaan geloven, opdat wij gerechtvaardigd zouden worden uit het geloof van Christus en niet uit werken van de wet. Immers, uit werken van de wet wordt geen vlees gerechtvaardigd” (Galaten 2:15-16).
Rechtvaardiging – de vergeving van zonden uit het verleden – komt door geloof in Christus, niet door werken van de wet. Geen enkele wet, zelfs niet de Tien Geboden, kan ons rechtvaardigen van zonden uit het verleden, zoals geïllustreerd door het verhaal van de rechtbank uit het begin van hoofdstuk 3. Ketters vertelden de heidenen in Galatië in feite dat zij geen christen konden worden tenzij zij eerst de wet houdende, besneden Joden zouden worden – dat zij bepaalde fysieke tradities moesten houden die afkomstig waren van hun oudsten, niet uit de Bijbel.
Paulus was heel goed bekend met de door de mens gemaakte tradities van het judaïsme, want hij was eerder een farizeeër geweest, en als christen wilde hij daar niets van weten. Maar betekent dit dat Paulus tegen de wet van God was – dat die niet langer gehouden hoefde te worden? Let op wat hij schreef aan de Korinthiërs in zijn eerste brief aan hen: “Besneden zijn is niets en onbesneden zijn is niets, maar het in acht nemen van de geboden van God” (1 Korinthe 7:19).
Schond Jezus de Sabbat?
Rabbijnse wetten waren mondelinge tradities van de rabbijnen en hun interpretaties van de Torah, de eerste vijf boeken van de Bijbel. Deze tradities, vaak de ‘mondelinge wet’ genoemd, worden in het judaïsme beschouwd als het definitieve commentaar op de Torah, en verklaren hoe de geboden ervan in praktische situaties moeten worden uitgevoerd. Deze commentaren en regels werden gecodificeerd in de Misjna en uiteindelijk in de Talmoed – het tekstuele verslag van generaties oude rabbijnse debatten over de wet, Bijbelse interpretaties en bijkomende regels. Deze mondelinge tradities en regels werden door de Joden lang vóór de eerste eeuw in acht genomen en worden erkend als de grondslag van de ‘Dertien Geloofsprincipes’ van de befaamde middeleeuwse Joodse geleerde Maimonides (1138-1204).
In de Talmoed staat een reeks wetten met betrekking tot de Sabbat en die worden de 39 melachot genoemd. De meeste gelovige Joden beschouwen de Talmoed als even belangrijk als de Torah, en orthodoxe Joden gaan zeer ver om te voldoen aan de technische vereisten en verboden van de 39 melachot. Dit zijn buiten-Bijbelse regels die door de Joodse autoriteiten werden opgelegd voordat Jezus Christus op aarde verscheen.
Waarom hebben de Joodse leraren en rabbijnen deze extra verboden aangaande de sabbat toegevoegd? Ongetwijfeld wilden zij de Torahgeboden beveiligen door er een ‘omheining’ omheen te zetten. Maar zoals duidelijk wordt in de evangelieverslagen liep de menselijke redenering uit de hand. Hoewel de meeste gelovige Joden zouden ontkennen dat deze mondelinge wetten en de 39 melachot een onnodige last zijn, begreep Jezus Christus dat anders en zei: “… zij binden lasten samen die zwaar zijn en moeilijk om te dragen, en zij leggen ze op de schouders van de mensen…” (Mattheüs 23:4).
Als Jezus de geboden van God had geschonden, hadden wij geen Verlosser gehad en de apostel Paulus zei: “… Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem” (2 Korinthe 5:21). Talloze keren werd Jezus uitgedaagd door de farizeeën en anderen in reactie op iets dat Hij of Zijn discipelen op de Sabbat deden. Maar Gods Sabbatgebod schond Hij nooit en evenmin moedigde Hij dat ooit aan. Hij schond wel verscheidene van de mondelinge tradities en de buiten-Bijbelse verboden – door de mens gemaakte wetten – die we vandaag aantreffen als de 39 melachot in de Talmoed. Het schenden daarvan betekende geen zonde, want zonde is de schending van de wetten van God (1 Johannes 3:4).
—Wayne Tlumak
Feesttijden
Een verslag van BBC Future met de titel: “Hoe leugenaars de ‘illusie van waarheid’ creëren” verklaarde: “Herhaling zorgt ervoor dat een feit meer waar lijkt, ongeacht of het dat is of niet. Begrip van dit effect kan u helpen niet in propaganda te trappen, zegt psycholoog Tom Stafford.” Het verslag vervolgde: “‘Herhaal een leugen vaak genoeg en het wordt de waarheid’, is een propagandawet” (26 oktober 2016).
We zien dit principe ook werkzaam als we een andere passage van Paulus’ brief aan de Galaten onderzoeken. Ook in het spreken over de dingen van God herhalen veel mensen wat anderen zeggen zonder de dingen voor zichzelf bewezen te hebben. De mensen is keer op keer verteld dat ‘de wet is afgeschaft’ en dat de Sabbat en de Bijbelse Heilige Dagen ‘slavernij’ zijn. Maar we moeten Petrus’ waarschuwing betreffende de geschriften van Paulus nooit vergeten – dat er in die geschriften “… sommige zaken [zijn] die moeilijk te begrijpen zijn, die de onkundige en onstandvastige mensen verdraaien, tot hun eigen verderf, net als de andere Schriften. U dan, geliefden, omdat u dit van tevoren weet, wees op uw hoede, zodat u niet door de dwaling van normloze mensen wordt meegesleept en afvalt van uw eigen vastheid” (2 Petrus 3:16-17).
Laten we, met dit in gedachten, nader kijken naar een andere vaak verkeerd begrepen passage in Galaten: “en nu u God kent, ja wat meer is, door God gekend bent, hoe kunt u weer terugkeren naar de zwakke en arme grondbeginselen, die u weer van voren af aan wilt dienen? U houdt zich aan dagen, maanden, tijden en jaren” (Galaten 4:9-10).
Om deze passage te begrijpen moeten we weten tot welke mensen Paulus spreekt. In de verzen 1-5 van Galaten 4 spreekt hij de Joden aan als wij. “Zo waren ook wij [Joden], toen wij nog onmondige kinderen waren, als slaven onderworpen aan de grondbeginselen van de wereld. Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon uit, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om hen die onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij de aanneming tot kinderen zouden ontvangen” (vv. 3-5). Paulus was een Jood, opgeleid als farizeeër (Filippenzen 3:5-6). Door het offer van Christus waren de Joden verlost van ‘onder de wet staan’ – verlost van de doodstraf wegens het breken van Gods geestelijke wet. De wet had een claim op hun leven wegens hun zonden (Galaten 4:5).
Paulus schreef over het judaïsme, een verzameling praktijken gebaseerd op wereldse gebruiken die de Joden in de loop van de eeuwen hadden aangenomen – gebruiken die waren toegevoegd aan de wetten en geboden van God. Deze waren “de overlevering van de ouden” geworden (Markus 7:5, 9). Ze omvatten honderden regels die aan Gods wetten en instellingen waren toegevoegd. Dit waren de “grondbeginselen van de wereld” – niet van God, maar van de wereld – waarnaar Paulus verwees. Verder waren Gods wetten geen slavernij of last, zoals antinomianisten ze graag afschilderen. Want overweeg: welke geboden brengen ons in slavernij? Is het een last geen andere god voor de ware God te hebben, of zijn vader en moeder te eren, of af te zien van moord, overspel, diefstal of leugen? Nauwelijks. Deze geboden besparen ons problemen – houden ons uit de slavernij!
Het addertje onder het gras is dat er één gebod is dat de mensen het meest verachten: het gebod de Sabbat van de zevende dag te houden. In feite denkt men: ‘God heeft het niet al te slecht gedaan. Negen van de tien had Hij goed!’ Maar op welke manier is het Sabbatgebod – ingesteld aan het eind van de scheppingsweek (Genesis 2:2-3) – lastiger dan de dag die de Romeinse keizer Constantijn verklaarde tot ‘de eerbiedwaardige dag van de zon’, zondag? Niet alleen is het argument van een ‘last’ onzin – zoals we hebben gezien riep de apostel Johannes deze leugen uit tot wat het is: “Want dit is de liefde tot God, dat wij Zijn geboden in acht nemen; en Zijn geboden zijn geen zware last” (1 Johannes 5:3).
Aan de heidenen
Vervolgens maakt Paulus een veelbetekenende omslag en richt hij zijn aandacht op heidense bekeerlingen, waarbij hij u gebruikt in plaats van wij. Let op Galaten 4:8: “Maar destijds, toen u [heidenen] God niet kende, diende u hen die van nature geen goden zijn.” De Joden kenden God van hun nationale geschiedenis en het Oude Testament (Johannes 4:22; Handelingen 22:14). De heidenen kenden God niet totdat zij de prediking van het Evangelie hoorden (Handelingen 11:1; Efeze 2:12-13). Daarvoor hadden zij totaal niets geweten van Gods wetten en zij vierden heidense feestdagen, dienden demonen en aanbaden afgoden.
Paulus vraagt vervolgens aan deze heidenen: “en nu u God kent, ja wat meer is, door God gekend bent, hoe kunt u weer terugkeren naar de zwakke en arme grondbeginselen, die u weer van voren af aan wilt dienen [als slaaf]?” (Galaten 4:9). En wat waren die zwakke en armelijke grondbeginselen die hen in slavernij brachten? “U houdt zich aan dagen, maanden, tijden en jaren” (v. 10).
Waren de dagen die God als heilige tijd apart had gezet – dagen die Jezus, Zijn apostelen en de Kerk van God in de eerste eeuw hielden – slavernij? Verwees Paulus eigenlijk wel naar die dagen? Gods woord is er duidelijk over dat Paulus zelf zich hield aan Pascha, de Dagen van Ongezuurde Broden, Pinksteren en de Grote Verzoendag enzovoort (zie voor een vollediger uiteenzetting en Bijbelse referenties ons boekje De Heilige Dagen: Gods meesterplan). Paulus verwees niet naar de dagen die God had ingesteld, maar naar de “dagen, maanden, tijden en jaren”. Wat waren deze tijden die geassocieerd werden met slavernij?
De heidenen wilden niet naar Gods heilige dagen ‘terugkeren’, aangezien zij die in hun heidense verleden nooit hadden gehouden. Valse dienaren trachtten juist deze nieuwe christenen te laten terugkeren naar heidense verering. Het is interessant dat de Bijbel een van de praktijken die in Leviticus 19:26 en Deuteronomium 18:10 worden veroordeeld ‘het duiden van wolken’ noemt. En zoals wordt geïllustreerd in de voortdurende astrologiebeoefening en de vele dagen die zijn verbonden met bijgelovige overtuigingen, is het gefocust zijn op ‘speciale’ dagen en feesttijden sinds lange tijd een deel van de heidense cultuur. Bij de heidenen werd er door sommigen op aangedrongen terug te keren naar heidense feesten die van lang voor het christendom dateerden. Evenals in het geval van hun judaïserende medeleden waren de corrupte ideeën van mensen de eenvoudige gehoorzaamheid aan Gods woord, dat onderdeel uitmaakt van bekering en geloof in Christus, aan het vervangen.
En als de in de Bijbel ingestelde Heilige Dagen slavernij waren, in welke zin zouden Kerstmis, Pasen en andere heidense dagen dan minder slavernij kunnen zijn? Antinomianisten zijn tegen de wekelijkse Sabbat en de Bijbels ingestelde jaarlijkse Sabbatten, maar zij hebben wel hun eigen reeks speciale dagen. Het verschil is dat de ene reeks dagen uit de Bijbel komt en werd gehouden door Christus en Zijn apostelen, terwijl de andere reeks uit heidense praktijken komt met de naam van Christus erop gestempeld. Hoe kan men anders Pasen, dat in het Engels ‘Easter’ (Ishtar), een heidense vruchtbaarheidsgodin, genoemd wordt, verklaren met vruchtbaarheidssymbolen als konijnen en eieren?
Paulus’ brief aan de kerkgemeenschappen in Galatië is een favoriet van antinomianisten die zeggen dat de wet is afgeschaft. Ongetwijfeld is Galaten een van Paulus’ geschriften die ‘moeilijk te begrijpen’ zijn. We kennen niet elk detail van de ketterijen die de kerkgemeenschappen in Galatië beïnvloedden, maar de algemene aard ervan staat wel vast.
Het boek Galaten gaat, evenals het boek Romeinen, over hoe men kan worden gerechtvaardigd – hoe mensen hun zonden vergeven kunnen worden. Buitenstaanders, zowel Joden als heidenen, kwamen binnen en brachten de kerkleden uit hun evenwicht. Men moet de context bekijken om te weten naar welke wetten Paulus in deze brief verwijst. Vaak spreekt hij over ‘de werken van de wet’ – niet-Bijbelse, door de mens ingestelde regels en tradities, Joods dan wel heidens. Op andere momenten lijkt Paulus te verwijzen naar de wet in bredere zin. Hoe dan ook, men kan nooit worden gerechtvaardigd (vergeving van zonden uit het verleden krijgen) door zich aan de wet te houden, aangezien alleen Christus zonder zonde was: “Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God” (Romeinen 3:23).
De wet definieert zonde (Romeinen 7:7). Door het volmaakte offer van Christus worden we gerechtvaardigd en met God verzoend. En door de gift van de heilige Geest neemt God onze natuurlijke vijandschap tegen Zijn wetten weg en schrijft Hij die in ons hart en verstand: “Ik zal hun één hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit hun vlees wegdoen en hun een hart van vlees geven, zodat zij in Mijn verordeningen gaan en Mijn bepalingen in acht nemen en die houden. Dan zullen zij Mij een volk zijn, en zal Ík hun een God zijn” (Ezechiël 11:19-20). Is dit niet waar het Nieuwe Verbond over gaat? “Want dit is het verbond dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven en Ik zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn” (Hebreeën 8:10). Gods wetten weerspiegelen Zijn eigen karakter, en Hij verankert die wetten in ons verstand en hart door Zijn eigen Geest.
Is de wet van God belangrijk voor Paulus? Hij beantwoordde die vraag toen hij aan de Galaten schreef: “Maar als wij, die in Christus verlangen gerechtvaardigd te worden, ook zelf zondaars [wetsovertreders] blijken te zijn, is Christus dan een dienaar van de zonde? Volstrekt niet! Want als ik dat wat ik afgebroken heb, weer opbouw, dan bewijs ik daarmee dat ik zelf een overtreder ben” (Galaten 2:17-18). Hij vervolgde: “Want ik ben door de wet voor de wet gestorven [d.w.z. het oude zondige zelf is dood], opdat ik voor God zou leven” (v. 19). En dan komen we tot de samenvatting van wat het betekent een ware christen te zijn. “Ik ben met Christus gekruisigd [de oude mens moet sterven]; en niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij [door de kracht van de heilige Geest]; en voor zover ik nu in het vlees leef, leef ik door het geloof in [beter: ‘van’] de Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven” (v. 20).
Paulus keerde zich krachtig tegen degenen die besnijdenis stimuleerden als rechtvaardiging door werken. Zoals Paulus ook elders schrijft: “Besneden zijn is niets en onbesneden zijn is niets, maar het in acht nemen van de geboden van God” (1 Korinthe 7:19). Wat zei hij tegen de Romeinen? “Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt? Volstrekt niet! Hoe zullen wij, die aan de zonde gestorven zijn, nog daarin leven?” (Romeinen 6:1-2). Paulus begreep heel goed dat sommigen zijn woorden zouden verdraaien, en daarom stelt hij en beantwoordt hij de vraag die sommigen kunnen denken: “Doen wij dan door het geloof de wet teniet? Volstrekt niet, maar wij bevestigen de wet” (Romeinen 3:31).
In ons volgende hoofdstuk zullen we kijken naar Paulus’ brief aan de Kolossenzen, ook een geschrift van hem dat sterk is verdraaid en dat van groot belang is voor ons begrip van Gods wet in het leven van Christenen in onze tijd.
Paulus aan de Kolossenzen
“En een zeker man, van wie de naam Simon was, bedreef reedshiervoor in de stad toverij en deed het volk van Samaria versteld staan, terwijl hij van zichzelf zei dat hij een groot man was. Allen, van klein tot groot, hingen hem aan en zeiden: Deze man is de grote kracht van God. En zij hingen hem aan, omdat hij hen lange tijd met toverijen versteld had doen staan” (Handelingen 8:9-11).
Over deze mysterieuze man is veel geschreven. Er is zonder twijfel een reden voor waarom het verslag van deze Simon in de Bijbel staat. In Eerdmans’ Handbook to the History of Christianity staat dat “vroege christenen Simon unaniem zien als de bron van alle ketterij” (ed. Tim Dowley, 1977, p. 100).
De Encyclopaedia Britannica merkt op dat Simon wordt genoemd als “de stichter van het postchristelijke gnosticisme, een dualistische godsdienstige sekte die het behoud door geheime kennis bepleit, en als de archetypische ketter van de christelijke kerk.… Weer andere bronnen zien hem als de persoon die verantwoordelijk is voor de eclectische vermenging van stoïcisme en gnosticisme” (“Simon Magus”, Britannica.com, 16 februari, 2023).
Ascetisme
Er kan veel tijd gaan zitten in het discussiëren over of de onruststokers die Paulus in Kolossenzen aanspreekt nu Joden of heidenen waren, maar er is nog een derde bron van onenigheid die ook in aanmerking moet worden genomen: Samaritanen. De Samaritanen komen oorspronkelijk uit gebieden ten oosten van Israël. Toen het noordelijke Huis Israël in ballingschap werd gevoerd, werden mensen uit Babylon en elders in het land gebracht. Zij brachten hun eigen religie mee die werd vermengd met een gecorrumpeerde vorm van eredienst van de ware God (2 Koningen 17:24-34). Dit werd de Samaritaanse godsdienst.
Er is nog veel wat we over de onruststokers in Kolosse niet weten, maar de aard van de ketterijen weten we wel. Die wijst op gnostische ideeën van ascetisme en het minimaliseren van Jezus Christus. Wat betreft moraliteit gingen gnosticisten naar twee uitersten. Het ene was een totale veronachtzaming van de wet, op grond van de veronderstelling dat de mens te corrupt is om te proberen moreel te zijn. Het andere uiterste was een benadering die bekend is als ascetisme, dat door ketterse Kolossenzen werd aanvaard.
Ascetisme is de praktijk van overdreven zelfontkenning – het vermijden van elk lichamelijk genoegen – zoals we zien in Kolossenzen 2:
Als u dan met Christus de grondbeginselen van de wereld bent afgestorven, waarom laat u zich dan, alsof u nog in de wereld leeft, bepalingen opleggen als: Pak niet, proef niet en raak niet aan? Dit zijn allemaal dingen die door het gebruik vergaan; ze zijningevoerd volgens de geboden en leringen van de mensen. Deze dingen hebben wel een schijnreden van wijsheid, door eigenwillige godsdienst en nederigheid, en verachting van het lichaam, maar ze zijn zonder enige waarde en dienen tot verzadiging van het vlees. (vv. 20-23)
Merk op dat Paulus het in vers 22 heeft over “geboden en leringen van de mensen”. Dit is belangrijk voor een juist begrip van deze brief. De ketterijen in Kolosse kwamen niet voort uit de wetten van God, maar uit die van mensen.
Christus minimaliseren
Behalve ascetisme zien we in Kolossenzen nog een element van vroege gnostische ontwikkeling. In The New Bible Commentary: Revised lezen we: “Het andere probleem heeft betrekking op de veronderstelde toespelingen in de brief op de gnostische ideeën van de 2e eeuw… maar er moet hier worden opgemerkt dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen beginnend gnosticisme en volledig ontwikkeld gnosticisme.… Er zijn ongetwijfeld punten van contact met de eerste, maar niet met de laatste” (p. 1139).
Aangezien er vóór de tweede eeuw nog geen volledig ontwikkeld gnosticisme bestond, wordt de term gnostisch hier gebruikt in de ruimste zin. Maar we zien in de brief aan de Kolossenzen duidelijk dat Paulus spreekt over de gnostische benadering van het minimaliseren van Christus’ offer en Zijn rol in ons behoud, zoals uiteengezet in The New Bible Commentary: Revised:
In het licht van de grote nadruk die Paulus in deze brief legt op christologie is het redelijk te veronderstellen dat de valse leer in dit opzicht gebrekkig was. Elke kijk op Christus die Hem niet de belangrijkste rol in alles toekent (vgl. 1:18) zou inferieur zijn aan Paulus’ kijk op Hem. Het is inderdaad een eerlijke gevolgtrekking dat de verheven kijk op Christus die in deze hele sectie 1:15-20 wordt gegeven, werd opgeroepen door de tegengestelde bedoelingen van valse leraren. Gnosticisme in de 2e eeuw voorziet in een parallel waarin Christus zozeer was verlaagd dat Hij niet meer was geworden dan de laatste van een lange reeks tussenpersonen die de mens met God verbinden. (p. 1140)
Het gnosticisme onderwees dat we niet rechtstreeks tot God kunnen gaan en dat Jezus niet toereikend was om ons met God te verzoenen. God is zo goed, zeiden ze, – en de mensheid zo gebrekkig – dat Hij zich van ons moest afscheiden door middel van verscheidene tussenpersonen (‘emanaties’ of engelen). Jezus, onderwezen zij, was slechts de laatste emanatie in een reeks tussenpersonen.
De term ‘gnosticisme’ komt van het Griekse woord gnosis dat ‘kennis’ betekent. Het vereiste van de volgelingen een speciale geheime ‘kennis’ te leren, zoals de namen van de tussenpersonen tussen God en de mens en die geloofden dat men, naast Christus, ook de andere emanerende machten moest kennen – een lange reeks tussenpersonen. Het kennen van de namen van deze geesten was voor de gnostici van het grootste belang. Hoewel gnostici beweerden geen engelen te vereren, baden zij wel tot hen, ongeveer zoals katholieken tot Maria en andere vereerde figuren. Dit kan heel goed de ‘engelenverering’ zijn waarnaar Paulus verwees in Kolossenzen 2:18. Paulus bestreed krachtig de ongefundeerde gnosticistische ontkenning van Christus’ toereikendheid als Middelaar tussen de mens en God de Vader:
Hij is het Beeld van de onzichtbare God, de Eerstgeborene van heel de schepping. Want door Hem zijn alle dingen geschapen die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zichtbaar en die onzichtbaar zijn: tronen, heerschappijen, overheden of machten; alle dingen zijn door Hem en voor Hem geschapen. En Hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan tezamen door Hem. En Hij is het hoofd van het lichaam, namelijk van de gemeente, Hij, Die het begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen [d.w.z. “in alle dingen”, vert. NKJV] de Eerste zou zijn. Want het heeft de Vader behaagd dat in Hem heel de volheid wonen zou, en dat Hij door Hem alle dingen met Zichzelf verzoenen zou, door vrede te maken door het bloed van Zijn kruis, ja door Hem, zowel de dingen die op de aarde zijn als de dingen die in de hemelen zijn. (Kolossenzen 1:15-20)
Voor het geval dat dit niet duidelijk genoeg is, lezen we ook: “Want in Hem woont heel de volheid van de Godheid lichamelijk. En u bent volmaakt geworden in Hem, Die het Hoofd is van iedere overheid en macht” (Kolossenzen 2:9-10). Paulus wilde niets te maken hebben met deze door mensen bedachte ideeën die Christus verlagen en hij waarschuwde de Kolossenzen voor het gevaar dat daarin stak. “Pas op dat niemand u als buit meesleept door de filosofie en de inhoudsloze verleiding, volgens de overlevering van de mensen, volgens de grondbeginselen van de wereld, maar niet volgens Christus” (2:8).
Essenen
Er zijn mensen die geloven dat de problemen in Kolosse werden veroorzaakt door Essenen – leden van een Joodse sekte die sommige ideeën gemeen hadden met het Samaritaanse gnosticisme en die een uitgebreide lijst van door de mens bedachte toevoegingen aan Gods wetten praktiseerden. De Joodse historicus Josephus gaf een lang betoog over de Essenen, waarin hij erop wees dat zij de meest extreme van alle Joodse sekten waren. Een fragment van Josephus’ commentaren is wellicht verhelderend:
De Essenen, die geboren Joden zijn, zijn in het bijzonder bekend om hun hoogontwikkelde discipline, en zij vormen een hechtere gemeenschap dan de andere [sekten]. Zij verwerpen de genoegens van het vlees als ondeugd en zien deugd in zelfbeheersing en immuniteit voor de hartstochten. Zij verachten het huwelijk.… Rijkdom is voor hen van geen belang en zij praktiseren gemeenschappelijk bezit tot een opmerkelijk niveau – u zult niet iemand vinden die het beter heeft dan zijn naasten.… Zij zien olie als ontwijding en iemand die er per ongeluk mee besmeurd is, veegt zijn lichaam schoon, aangezien hun eigen wetten te allen tijde een droge huid en witte kleding vereisen.… [Z]ij komen bijeen in een speciale ruimte die is gesloten voor iedereen die niet van hun sekte is en vervolgens gaan zij in hun eigen gezuiverde staat naar het refectorium [eetzaal] alsof het een of ander heiligdom is en nemen hun zetels in stilte in…. Geen stemverheffingen of discussies besmetten ooit hun huis, maar in gesprekken krijgen allen hun beurt om te spreken en iedereen geeft ruimte aan zijn medelid. Voor buitenstaanders lijkt deze verstilde interne atmosfeer een sinistere geheime praktijk: in feite is het eenvoudig het gevolg van een voortdurende soberheid en de toevoer van eten en drinken die niet tot overdaad overgaat. (The Jewish War, 2:119-33, Oxford University Press, pp. 103-105)
Met de beperkte historische verslagen die tot op vandaag zijn overgebleven, kunnen we niet met zekerheid zeggen of het Esseense ideeën waren of die van een andere door het gnosticisme beïnvloede sekte die problemen onder de kerkleden van Kolosse veroorzaakten. Maar zonder deze algemene context kunnen veel mensen de ernstige kwesties die Paulus behandelde niet begrijpen. Met die context kunnen we wel begrijpen wat Paulus in Kolossenzen 2 zegt – en wat hij niet zegt. Met deze achtergrond zullen we nader kijken naar één passage die Petrus beschouwd kan hebben als “… moeilijk te begrijpen…” (2 Petrus 3:16).
De werkelijkheid is Christus
Nu komen we aan een van de favoriete passages van de antinomianisten. “Laat niemand u iets voorschrijven op het gebied van eten en drinken of het vieren van feestdagen, nieuwemaan en sabbat. Dit alles is slechts een schaduw van wat komt – de werkelijkheid is Christus” (Kolossenzen 2:16-17, NBV’21). Antinomianisten halen dit uit zijn verband en beweren dat Paulus een ontkenning gaf van de wekelijkse Sabbat, van de jaarlijkse Sabbatten en feesten en van de wetten van rein en onrein vlees – allemaal wetten die door God waren gegeven!
Zonder twijfel onderwees Paulus de heidenen van Kolosse dezelfde doctrines die hij hield en die hij anderen leerde te houden. Paulus hield de wekelijkse Sabbat met de heidenen (Handelingen 13:14, 40-42; 16:13; 18:4). Hij vierde Pinksteren (Handelingen 20:16; 1 Korinthe 16:8). Hij onderwees de Korinthiërs over het Pascha en gebood hen het Feest van Ongezuurde Broden te houden (1 Korinthe 5:7-8).
Deze Bijbelse Heilige Dagen zijn tijden van vreugde (Deuteronomium 14:26; Nehemia 8:11), maar ascetische onruststokers trachtten de kerkleden in Kolosse ervan te overtuigen dat hun benadering van de Feesten gebrekkig was. In plaats van zich te verheugen en te genieten van eten en drinken verwierpen asceten elke vorm van feestelijke atmosfeer bij zulke gelegenheden.
Dat Paulus niet tegen de wetten van God sprak, blijkt duidelijk uit deze waarschuwing: “Pas op dat niemand u als buit meesleept door de filosofie en inhoudsloze verleiding, volgens de overlevering van de mensen, volgens de grondbeginselen van de wereld, maar niet volgens Christus…”, “… volgens de geboden en leringen van de mensen” (Kolossenzen 2:8, 22).
Wat er verder ook over de Sabbat en de Heilige Dagen kan worden gezegd, de oorsprong ervan is van God – niet van filosofen, niet van menselijke tradities en zeker niet van de principes van deze wereld. Moeten we de Sabbat een gebod en een leer van mensen noemen, als God die aan het eind van de scheppingsweek heeft geheiligd en later met Zijn eigen vinger heeft opgeschreven (Genesis 2:2-3; Exodus 31:18)? Paulus waarschuwde de Kolossenzen zich door geen mens (filosoof, vgl. Kolossenzen 2:8) te laten vertellen wat ze moesten eten of drinken en doen op deze dagen, maar naar een andere bron te kijken voor instructies (Kolossenzen 2:16-17).
Het lichaam van Christus
Paulus schreef over de dingen die “… een schaduw van wat komt – de werkelijkheid is Christus” (v. 17, NBV’21). Het Griekse woord voor ‘schaduw’ is skia, dat een beeld betekent dat een voorwerp weergeeft en daarvan de vorm vertegenwoordigt. Op grond van de context is een betere vertaling ‘die een voorafschaduwing zijn van de toekomstige dingen’.
Gods wekelijkse Sabbat is een voorafschaduwing van de zevende duizendjarige periode van de menselijke geschiedenis, gedurende welke de mensheid zal worden geregeerd door het Koninkrijk van God. Paulus legt uit dat er een Sabbatsrust is die de mens moet houden (Hebreeën 4:4-9). Op dezelfde manier vormen Gods zeven jaarlijkse feesten (Sabbatten) voorafschaduwingen die Zijn Plan voor de mensheid weer te binnen brengen: Pascha – Christus’ volmaakte offer; de Dagen van Ongezuurde Broden – de noodzaak te reageren op Christus’ offer door berouw en bekering, het wegdoen van de zonde uit ons leven; Pinksteren – het ontvangen van Gods Geest zodat Christus Zijn leven in ons kan leven (Galaten 2:20).
De kerkleden in Kolosse hielden de wekelijkse en jaarlijkse Sabbatten. De problemen rezen toen er onder hen ketters met gnostische en ascetische ideeën kwamen en hen trachtten te overtuigen dat zij deze feestelijke Bijbelse gelegenheden niet correct hielden.
Let nu op het laatste deel van Kolossenzen 2:17. In vertalingen, die een antiwetvooroordeel weerspiegelen, lezen we iets als: “… de werkelijkheid is Christus” (NBV21). De oude Statenvertaling en de Herziene Statenvertaling geven beiden het Grieks meer letterlijk weer en zijn binnen het verband correcter. Ze onthullen het antwoord dat door nieuwere vertalingen vaak wordt verduisterd: “… een schaduw van de toekomstige dingen, maar het lichaam is van Christus” (HSV).
Soms staat in vertalingen het woord is cursief gedrukt, wat erop wijst dat het niet in de oorspronkelijke manuscripten staat. Bovendien is het moderne gebruik van het woord “werkelijkheid” in plaats van “lichaam” een grove verkeerde voorstelling van zaken. Nergens in de Bijbel wordt het oorspronkelijke Griekse woord zo vertaald. Het oorspronkelijke woord is soma en dat betekent ‘lichaam’: ‘het lichaam [soma] van Christus’.
In het eerste hoofdstuk van zijn brief definieert Paulus het lichaam van Christus: “En Hij [Christus] is het hoofd van het lichaam [soma], namelijk van de gemeente…”, “… ten behoeve van Zijn lichaam [soma], dat is de gemeente” (Kolossenzen 1:18, 24). De ‘gemeente’, de ware Kerk van God, is het lichaam van Christus, en het Hoofd van het lichaam is Christus. “En Hij heeft alle dingen aan Zijn voeten onderworpen en heeft Hem als hoofd over alle dingen gegeven aan de gemeente, die Zijn lichaam [soma] is…” (Efeze 1:22-23). Paulus leert – niet een zelfbenoemde filosoof – dat de gemeente, Gods Kerk, bepaalt hoe de Feesten moeten worden gehouden, welk voedsel de deelnemers kunnen eten en hoe zij zich moeten gedragen. Dit is de verantwoordelijkheid van de aangestelde leiderschap van het lichaam, die over deze dingen moet beslissen (Efeze 4:11-16).
De structuur van de Griekse taal vereist dat de uitdrukking “laat dus niemand” gecompleteerd wordt door een uitdrukking die identificeert wie oordeelt of veroordeelt in deze zaak – in dit geval ‘het lichaam van Christus’, de Kerk. Een betere vertaling van deze vaak verkeerd begrepen passage zou zijn: “Laat dus niemand u (ver)oordelen inzake eten of drinken, of op het punt van een Feestdag, een nieuwe maan of de Sabbatten, die een voorafschaduwing zijn van de toekomstige dingen, maar [laat] het lichaam van Christus [deze dingen bepalen]”.
Paulus gaat verder met uit te leggen dat de onruststokers in Kolosse bezig waren de verering te bevorderen van bemiddelende geesten tussen God en de mens (de “engelenverering” van Kolossenzen 2:18). Voor christenen is Christus natuurlijk het Hoofd van de Kerk en zij moeten zich op Hem richten (v. 19). Wij moeten niet afgaan op ascetische filosofen en tradities van mensen om te weten te komen hoe Gods Sabbatten en Feesten moeten worden gevierd (vv. 20-23). Het probleem was niet Gods wetten – duidelijk uiteengezet in beide Testamenten en gehouden door Christus, Paulus en Christus’ andere apostelen. Het probleem was juist de ‘geboden en leringen van de mensen’ en de “grondbeginselen van de wereld” (Kolossensen 2:8).
Wanneer we Kolossenzen nauwkeurig lezen, zien we dat daarin helemaal geen ‘antiwet’-gedachten worden gepromoot. We zullen dit nog duidelijker zien in het volgende hoofdstuk, als we alles wat we in deze korte verhandeling hebben bestudeerd bij elkaar zullen brengen.
Wet en genade
Voordat we deze discussie over wet en genade afsluiten moeten we het grote geheel kennen. Jezus zei dat Hij niet was gekomen om Gods wet teniet te doen, maar te vervullen – ruimer te maken (Mattheüs 5:17-19; Jesaja 42:21). Tegen de jonge man die het eeuwige leven zocht, zei Hij ‘de geboden te houden’. Hij corrigeerde duidelijk de mensen van Zijn tijd omdat zij niet deden wat Hij zei (Lukas 6:46). Verder hield Hij de zevendedags-Sabbat (Lukas 4:16). Hij vierde het Loofhuttenfeest, zelfs onder doodsbedreiging (Johannes 7:1-10).
Johannes zei ons dat wij Jezus’ voorbeeld behoren na te volgen. “En hierdoor weten wij dat wij Hem kennen, namelijk als wij Zijn geboden in acht nemen. Wie zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet in acht neemt, is een leugenaar en in hem is de waarheid niet. Maar ieder die Zijn woord in acht neemt, in hem is werkelijk de liefde van God volmaakt geworden. Hierdoor weten wij dat wij in Hem zijn. Wie zegt in Hem te blijven, moet ook zelf zo wandelen als Hij gewandeld heeft” (1 Johannes 2:3-6).
Volgens Petrus schreef Paulus over “… sommige zaken die moeilijk te begrijpen zijn, die de onkundige en onstandvastige mensen verdraaien, tot hun eigen verderf, net als de andere Schriften” (2 Petrus 3:16). Hij waarschuwde vervolgens: “U dan, geliefden, omdat u dit van tevoren weet, wees op uw hoede, zodat u niet door de dwaling van normloze mensen wordt meegesleept en afvalt van uw eigen vastheid” (v. 17). Sommige vertalingen hebben het over ‘ wettelozen’ of ‘wetteloze mensen’ in plaats van ‘normloze mensen’. Het is de wetteloze, zij die tegen de wet zijn, die misleiden en worden misleid.
Het verslag is duidelijk dat Paulus zelf de wekelijkse Sabbat hield (Handelingen 13:42-44). Ook hield hij de jaarlijkse Heilige Dagen (Handelingen 20:6, 16; 1 Korinthe 16:8). Verder gebood hij de Korinthiërs dat zij, omdat Christus ons Paschalam is, op dat offer moesten reageren door het Feest van de Ongezuurde Broden te houden (1 Korinthe 5:7-8). Hij onderwees deze zelfde heidense christenen: “Besneden zijn is niets en onbesneden zijn is niets, maar het in acht nemen van de geboden van God” (7:19). Hij verhoogde de wet van God (Romeinen 7:7, 12). Paulus wist ook dat sommige mensen wat hij schreef verkeerd zouden begrijpen. Zijn standpunt over het onderwerp was ondubbelzinnig. “Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt? Volstrekt niet! Hoe zullen wij, die aan de zonde gestorven zijn, nog daarin leven?”, “Wat dan? Zullen wij zondigen omdat wij niet onder de wet maar onder de genade zijn? Volstrekt niet! Weet u niet dat aan wie u uzelf als slaaf ter beschikking stelt tot gehoorzaamheid, u slaaf bent van wie u gehoorzaamt: óf van de zonde, tot de dood, óf van de gehoorzaamheid, tot gerechtigheid” (Romeinen 6:1-2, 15-16).
Niet alleen onderwees Paulus dat Gods wet nog altijd van kracht was, maar hij verklaarde ook, terecht, dat geloof de wet niet onnodig kan maken. “Doen wij dan door het geloof de wet teniet? Volstrekt niet, maar wij bevestigen de wet” (Romeinen 3:31).
De menselijke vijandigheid jegens Gods wet
Adam en Eva verwierpen Gods geopenbaarde levenswijze door te eten van een boom die hun niet toebehoorde, waarmee zij zichzelf in de plaats van God stelden om voor zichzelf vast te stellen wat goed en kwaad is. Daarmee eerden zij hun Schepper – hun hemelse Vader – niet en braken zij ook nog andere geboden. Hun kinderen volgden in hun voetstappen en brachten onheil over zichzelf, zodat het resultaat een gewelddadige wereld was waarin “de slechtheid van de mens op de aarde groot was, en dat al de gedachtespinsels van zijn hart elke dag alleen maar slecht waren”, “Maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht en de aarde was vol met geweld” (Genesis 6:5, 11). En onze wereld ging verder met waar die oude ophield!
Een aantal jaren na de Zondvloed van Noach begon God te werken met iemand die Abram heette en wiens naam later werd gewijzigd in Abraham. Aan Abrahams zoon Izak beloofde God: “Ik zal uw nageslacht zo talrijk maken als de sterren aan de hemel en uw nageslacht al deze landen geven. In uw Nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat Abraham Mijn stem gehoorzaamd heeft en Mijn voorschriften, Mijn geboden, Mijn verordeningen en Mijn wetten in acht genomen heeft” (Genesis 26:4-5).
Ja, Gods geboden en instellingen waren al bekend lang vóór Mozes’ tijd, toen God ze op schrift stelde. De zonde van afgoderij werd begrepen (Genesis 35:1-4). Moord werd erkend als een zonde (Genesis 4:8-12). God zette de zevende dag apart bij de schepping (Genesis 2:2-3). Hij zegende en heiligde die (Exodus 20:11). Overspel was algemeen bekend als een zonde (Genesis 20:9; 26:10-11; vgl. 18:20). Noach kende al vóór de Zondvloed de wetten van rein en onrein vlees (Genesis 7:2).
We lezen dat toen God Zijn wet op de berg Sinaï Zelf opschreef, de Israëlieten niet het hart hadden te gehoorzamen (Deuteronomium 5:29) – en de geschiedenis van Israël versterkt deze waarheid. De apostel Paulus schreef: “Immers, het bedenken van het vlees is vijandschap tegen God. Het onderwerpt zich namelijk niet aan de wet van God, want het kan dat ook niet” (Romeinen 8:7). Vanaf het begin is de mensheid vijandig geweest jegens Gods wet en onze generatie is niet anders.
Jezus waarschuwde ons: “… Pas op dat niemand u misleidt. Want velen zullen komen onder Mijn Naam [Zijn gezag claimend] en zeggen: Ik [Jezus] ben de Christus; en zij zullen velen misleiden” (Mattheüs 24:4-5).
Paulus verklaarde dat Satan zijn eigen dienaars heeft die rechtvaardig lijken, maar in feite misleiders zijn. “Want zulke lieden zijn valse apostelen, bedrieglijke arbeiders, die zich voordoen als apostelen van Christus. En geen wonder, want de satan zelf doet zich voor als een engel van het licht. Het is dus niets bijzonders als ook zijn dienaars zich voordoen als dienaars van gerechtigheid. Hun einde zal zijn naar hun werken” (2 Korinthe 11:13-15).
De vijandigheid van de mensheid tegenover Gods wet kent geen grenzen. Valse, satanische predikanten staan vijandig tegenover de wet van God. Zij prediken een andere Jezus – een die de wet van Zijn Vader afschafte. Ze hebben een andere geest, en verkondigen een ander evangelie dan datgene dat Jezus verkondigde (v. 4). Deze hedendaagse antinomianisten stellen genade en geloof tegenover Gods wet, en zij stellen andere dagen en gewoonten in de plaats van die die werden gehouden door Jezus, Zijn apostelen en de Kerk van de eerste eeuw. Ze zeggen dat ‘liefde’ alles is wat nodig is, maar begrijpen niet goed wat liefde is, en ontkennen wat de apostel Johannes schreef: “Want dit is de liefde tot God, dat wij Zijn geboden in acht nemen; en Zijn geboden zijn geen zware last” (1 Johannes 5:3).
Jakobus, de halfbroer van Christus, schreef: “Hij echter die zich in de volmaakte wet verdiept, die van de vrijheid, en daarbij blijft, die zal, omdat hij niet een vergeetachtig hoorder geworden is, maar een dader van het werk, zalig zijn in wat hij doet” (Jakobus 1:25). Hij vervolgde met te zeggen dat “… wie de hele wet in acht neemt, maar op één punt struikelt, die is schuldig geworden aan alle geboden. Immers, Hij Die gezegd heeft: U zult geen overspel plegen, heeft ook gezegd: U zult niet doodslaan. Als u dan geen overspel bedrijft, maar wel doodslaat, bent u toch een wetsovertreder geworden. Spreek zó en handel zó als mensen die geoordeeld zullen worden door de wet van de vrijheid” (Jakobus 2:10-12).
Zonder de wet kan er geen overtreding zijn (Romeinen 4:15). Volgens Johannes betekent de wet van God afschaffen de zonde afschaffen (1 Johannes 3:4). De zonde wegdoen brengt ons tot de absurde conclusie dat we geen Verlosser nodig hebben. Zoals Paulus verklaarde: “Doen wij dan door het geloof de wet teniet? Volstrekt niet, maar wij bevestigen de wet” (Romeinen 3:31). Nee, beste vrienden, we hebben allemaal gezondigd – de wet van God gebroken – en we hebben allemaal de genade van God nodig door geloof in het offer van Jezus Christus.
Ik hoop dat deze korte verhandeling verhelderend en bemoedigend is. Iemand zou nog veel verder kunnen gaan om het onderwerp nog meer in detail te behandelen en nog meer Bijbelverzen aan te halen. Zij die vastbesloten zijn Gods wet te verwerpen kunnen mij ervan beschuldigen dat ik precies die verzen heb uitgekozen om mijn punt te bewijzen, maar ik hoop dat u ziet dat het in feite juist de antinomianisten zijn – degenen die genade tegenover de wet stellen – die dat doen. Gezien in het licht van het hele nieuwtestamentische verslag, met inbegrip van Paulus’ eigen ‘moeilijk te begrijpen’ geschriften, die zo vaak worden verdraaid en verkeerd begrepen, is het beeld duidelijk. De conclusie van de Bijbel is niet wet of genade; die conclusie is wet en genade.


