Dit is de vertaling van het Engelstalige artikel “Understanding the Coming Plagues of Prophecy” door Wyatt Ciesielka, verschenen in het Tomorrow’s World magazine van mei-juni 2020.

Waarom stond God de COVID-19 pandemie toe? Profetieën zeggen dat er plagen komen – is dit er één van? En waarom staat God lijden toe zoals oorlog, hongersnood en ziekte – en dit zelfs in sommige gevallen doelbewust bewerkstelligt? Wat is de zin van dit alles, als er al een zin is?

Er zijn wel degelijk antwoorden op deze vragen. Maar om ze te begrijpen moeten we eerst twee fundamentele waarheden begrijpen.

TWEE FUNDAMENTELE WAARHEDEN

De eerste is dat God ons intens liefheeft. Zoals Johannes 3:16 uitlegt, heeft God de Vader ieder mens zo lief dat Hij zijn Zoon heeft gegeven om voor ons te sterven, zodat zij die in Hem geloven eeuwig leven mogen ontvangen! Maar wij moeten begrijpen dat Zijn gave van eeuwig leven voorwaardelijk is. Lees ons boekje Johannes 3:16 – Verborgen waarheden van het gouden vers voor een grondige uitleg van deze grote belofte en de reactie die God van ons vraagt. Hoofdredacteur Gerald Weston schrijft op pagina 55: “Sterven of ophouden te bestaan is het natuurlijke gevolg van een zondig leven, maar dit vers geeft ons hoop voor na het graf.” Gods liefde is zo groot dat we niet voor altijd verloren hoeven te gaan. Hoewel wij geen onsterfelijke ziel in ons hebben zoals het valse christendom en veel heidense religies ten onrechte leren wil God onsde gave van onsterfelijkheid geven.

De tweede fundamentele waarheid is dat God niet verandert. Zijn doel staat vast. Dit is belangrijk omdat sommigen geloven dat de ‘God van het Oude Testament’ hardvochtig en wraakzuchtig is plagen, epidemieën en dergelijke stuurt terwijl de ‘God van het Nieuwe Testament’ aardig, liefdevol en vergevingsgezind is.

Deze karakteristieken zijn niet alleen onjuist, ze laten onbekendheid met een zeer belangrijk feit zien. Johannes 1:1 openbaart ons: “In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.” Degene die Jezus Christus werd, het Woord of de Woordvoerder, bestond in eeuwigheid naast Degene die de Vader zou worden. In feite onthult de Bijbel dat het Woord  nogmaals, Degene die Jezus werd het universum schiep (Johannes 1:3; Kolossenzen 1:16). Hij was Degene die interactie had met Abraham (Johannes 8:56–58). Tijdens al de plagen van Egypte, de uittocht door de Rode Zee en het geven van de Tien Geboden, was Hij de God van het Oude Testament die met Israël optrok (1 Korinthe 10:1-4). Er wordt ons verteld dat Mozes en de oudsten op een bepaald moment tijdens de uittocht “de God van Israël [zagen]” (Exodus 24:9-11) maar het was niet God de Vader die zij zagen (Johannes 1:18; 1 Johannes 4:12). De “God van Israël” was Degene die Jezus Christus zou worden.

In plaats van een wraakzuchtige God in het Oude Testament en een vergevingsgezinde God in het Nieuwe Testament, zien we dat Jezus vanaf het begin zijn Vader heeft vertegenwoordigd. Dit is waarom wat eerder over God werd gezegd even waar voor Christus Hij verandert niet. Zoals Hebreeën 13:8 zegt: “Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid.”
Met deze waarheden kunnen we de plagen waar de profetieën over spreken in de juiste context plaatsen.

WAT WIL GOD?

Bedenk: waarom leidde Degene die Jezus Christus zou worden Israël uit Egypte? Wat probeerde Hij te bereiken?

Hij verloste Israël uit slavernij vanwege Zijn verbondsbeloften aan Abraham, Izak, Jakob en Jozef (Genesis 12:2, 48:11-22), maar ook opdat Zijn volk Hem zou kunnen dienen en oprecht aanbidden (Exodus 7:16, 8:1, 34:14). God beloofde zelfs dat als zij Hem zouden gehoorzamen Hij “geen enkele van de ziekten” over hen zou brengen die Hij de over de Egyptenaren gebracht had: “… want Ik ben de HEERE, uw Heelmeester” (Exodus 15:26).

Eeuwen later zei Hij tegen koning Salomo dat als de Israëlieten “… zich [zouden] bekeren van hun slechte wegen …” Hij “… hun zonden [zou] vergeven en hun land zou genezen” (2 Kronieken 7:13-14). Jaren later, toen Juda tegenover een overweldigend vijandelijk leger stond en het vooruitzicht van oorlog, ziekte en hongersnood vreesde, riep koning Josafat een vasten uit tot bekering en ging de voorhof van de tempel binnen teneinde God om verlossing te bidden (2 Kronieken 20:1-12). De hele natie stond in gehoorzaamheid vóór de HEERE en God hoorde en redde hen (vv. 13-15).

Dus, wat wil God van ons? Hij wil bekering van zonde en slechtheid. Hij wil dat wij Zijn geboden onderhouden, zodat we gezond en gelukkig kunnen zijn en Zijn zegeningen kunnen ontvangen (Psalm 112:1, Openbaring 22:14), en zodat we kunnen leren te denken zoals Jezus Christus (Filippenzen 2:5). Dan zullen wij in Zijn liefde blijven (Johannes 15:10). “Want dit is de liefde tot God, dat wij Zijn geboden in acht nemen; en Zijn geboden zijn geen zware last” (1 Johannes 5:3). We moeten niet de fout maken te denken dat Jezus Christus, die niet verandert, Zijn eigen morele maatstaven of de dag van verering die Hij geboden had, de Sabbat op de zevende dag, heeft afgeschaft (Exodus 20:8).

Ware christenen danken God voor Zijn genade en barmhartigheid, omdat zij begrijpen dat “… allen hebben gezondigd en… de heerlijkheid van God [missen]” (Romeinen 3:23). Zij bidden ernstig dat God de wereld zal behoeden voor schade en lijden, en zij proberen anderen te helpen in hun tijd van nood (Deuteronomium 15:11, Lukas 14:12-14, Jakobus 1:27). Maar ware christenen begrijpen ook waarom God oorlog, hongersnood en ziekte toestaat en zelfs soms zelf stuurt. God verandert niet. Hij heeft ons intens lief. En omdat Hij ons liefheeft, wil Hij dat wij rechtvaardigheid en gehoorzaamheid kiezen en ons potentieel als kinderen in Zijn gezin omarmen.

BESCHERMING TEGEN DE LAATSTE PLAGEN

Dat thema het verlangen van een liefhebbende God om de mensheid te zien kiezen voor rechtvaardigheid en zich af te keren van goddeloosheid gaat zelfs vandaag en in onze geprofeteerde toekomst door.

Het boek Openbaring beschrijft Christus, het Lam, dat de beroemde ‘Vier Ruiters’ loslaat die valse religie, oorlog, hongersnood en ziekte vertegenwoordigen aan het einde van dit huidige tijdperk (Openbaring 6:1-8). De rit van deze ruiters in de eindtijd zal een angstaanjagende climax bereiken in de dagen voorafgaand aan de terugkeer van Christus.

Er zijn door de geschiedenis heen plagen en andere rampen geweest, maar er worden  nog veel ergere geprofeteerd. De vierde ruiter rijdend op een ziekelijk, grauw paard wordt in Openbaring 6:8 “de dood” genoemd en hij vertegenwoordigt achtereenvolgens de komst van ernstige ziekten en plagen op aarde (vgl. Mattheüs 24:4-7). De rit van deze ruiters zal doorgaan tot in de Grote Verdrukking en zal een climax bereiken in de dood van een kwart van de wereldbevolking!

Helaas zullen veel overlevenden, zelfs nadat dergelijke plagen op de aarde zijn losgelaten  ̶  evenals andere tekenen, waaronder grote rampen in de hemelen en op de aarde  ̶  zich nog steeds niet bekeren van hun slechtheid (b.v. Openbaring 9:20-21; 16:9, 11). Trouwe en gehoorzame christenen wordt echter een veilige plaats beloofd (Openbaring 12:12-14). Gelukkig zal Jezus Christus, voordat de mensheid zichzelf vernietigt, terugkeren met “… onder Zijn vleugels… genezing …” (Maleachi 4:2).

Oprechte  christenen bidden vurig voor de terugkeer van Christus (Mattheüs 6:10), wanneer Hij gerechtigheid en vrede op de hele wereld zal instellen (Jesaja 9:6; Micha 4:2–3). Tot die tijd moeten we ons ijverig tot God wenden, zodat wij in Zijn liefde mogen blijven en waardig worden geacht om te ontsnappen aan de komende plagen die geprofeteerd worden (Johannes 15:10; Lukas 21:36)!