Hoofdstuk 1

Wat is er gebeurd met de kerk?

Jezus Christus zei: “. . . Ik [zal] mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen” (Mattheüs 16:18, NBG 1951). Welke gemeente heeft Jezus gebouwd en wat is ermee gebeurd?

Wanneer de Bijbel over de Gemeente of Kerk spreekt, heeft zij het nooit over een gebouw of een menselijke organisatie onder wereldlijk gezag. Het woord in de Griekse taal dat in het Nederlands vertaald wordt met ‘gemeente’ of ‘kerk’ is ekklesia. Het is afgeleid van twee grondwoorden in het Grieks en betekent letterlijk ‘geroepen uit’ of ‘geroepen (weg) van’. In wereldlijk gebruik verwees het naar een vergadering van burgers die ‘geroepen’ waren ‘uit’ of ‘weg van’ de inwoners van de stad om over een of andere belangrijke zaak na te denken. Het werd vaak gebruikt in de Griekse vertaling van het Oude Testament om te verwijzen naar de congregatie of gemeente van Israël, of naar de vergadering van Gods volk. ‘Gemeente’ of ‘vergadering’ is dus ook de betekenis van het woord in het Nieuwe Testament.

Het aspect van ‘geroepen uit’ dat ekklesia betekent, is echter essentieel om de Kerk te begrijpen. In Genesis 12 lezen wij dat Abraham door God werd ‘geroepen uit’ Ur van de Chaldeeën. In Exodus 12 lezen wij over de afstammelingen van Abraham, de kinderen van Israël, dat ze door God ‘uit’ Egypte werden ‘geroepen’. Zij werden toen de gemeente van Israël of de “vergadering in de woestijn” (Handelingen 7:38, NBG 1951).

Een van Gods laatste waarschuwingen aan Zijn volk is een oproep om ‘uit’ Babylon te ‘gaan’ (Openbaring 18:4). De heiligen van God moeten niet meedoen met de zonden van die corrupte eindtijdcultuur, zodat zij geen deel zullen hebben aan de goddelijke straffen die ‘Babylon’ zal ontvangen.

Jezus maakte duidelijk dat iemand niet tot Hem kan komen, en deel van Zijn Kerk uit kan maken, zonder door de Vader geroepen te zijn (Johannes 6:44). Alleen zij die reageren op de roeping van de Vader, door bekering en doop, zullen Gods heilige Geest ontvangen (Handelingen 2:38) en alleen door Gods heilige Geest worden wij een deel van de Kerk die Jezus heeft gebouwd (Romeinen 8:9; 1 Korinthe 12:13).

Wat is er gebeurd met de Kerk waarvan Jezus Christus zei dat Hij deze zou bouwen? Heeft zij zich door de tijden heen aangepast en is zij veranderd door voortgaande openbaring? Is zij het spoor bijster geraakt en moest zij een reformatie ondergaan door mannen als Maarten Luther en Johannes Calvijn? Of bestaat er een groep van gelovigen die door de eeuwen heen dezelfde leringen is blijven geloven en praktiseren die Jezus Christus en de apostelen uit de eerste eeuw onderwezen?

Wanneer wij naar het verhaal van de heersende, officiële christelijke kerk door de eeuwen heen kijken, lijkt het een wezenlijk andere kerk te zijn dan die welke in de bladzijden van uw Nieuwe Testament wordt beschreven. In het boek Handelingen zien wij dat Gods Kerk joodse heilige dagen vierde (Handelingen 2:1; 13:14, 42, 44, 18:21), sprak over de terugkeer van Jezus Christus om de wereld te oordelen (Handelingen 3:20-21; 17:31) en geloofde in de letterlijke vestiging van Gods Koninkrijk op aarde (Handelingen 1:3, 6; 28:23).

Toch zien wij, minder dan 300 jaar later, een kerk die aanspraak maakt op apostolische afkomst, maar de ‘eerbiedwaardige dag van de zon’ viert in plaats van de Sabbat op de zevende dag. Toen die kerk haar bisschoppen vergaderde om doctrinaire zaken te bespreken op het Concilie van Nicea, werd de vergadering voorgezeten door een Romeinse Keizer − Constantijn! Hoe kon een dergelijke verbazingwekkende verandering hebben plaatsgevonden? Wat was er gebeurd?

In zijn boek The Story of the Christian Church [De geschiedenis van de christelijke Kerk] erkent de protestantse schrijver Jesse Lyman Hurlbut de dramatische verandering die plaatsvond. Hij schreef: “Gedurende vijftig jaar na het leven van St. Paulus hangt er een gordijn voor de kerk, waar wij tevergeefs doorheen trachten te kijken; en wanneer het uiteindelijk opengaat, omstreeks 120 n. Chr., met de geschriften van de vroegste kerkvaders, zien wij een kerk die in vele opzichten heel erg verschilt van die in de dagen van St. Petrus en St. Paulus” (pag. 41) .

De geschiedenis van de christelijke Kerk tussen het Pinksterfeest van 31 n. Chr. en het Concilie van Nicea in 325 n. Chr., bijna 300 jaar later, is echt verbazingwekkend. Het is het verhaal van hoe de orthodoxie van gisteren, de ketterij van vandaag werd en hoe oude ketterijen als orthodoxe, christelijke leerstellingen beschouwd gingen worden. Het is het verhaal van hoe kerktraditie en het onderwijs van bisschoppen het Woord van God begonnen te verdringen als een bron voor de leer. Het is een verhaal dat vreemder is dan fictie, maar toch historisch te verifiëren is.

Simon en ‘een ander Evangelie’

In Handelingen 8 maken wij kennis met een man die door Satan werd gebruikt om in Gods Kerk te infiltreren en deze te ondermijnen. Deze man was Simon, de tovenaar uit Samaria, in de geschiedenis van de wereld beter bekend als Simon Magus. Simon werd door de Samaritanen beschouwd als de goddelijk gekozen vertegenwoordiger van God (Handelingen 8:9-10). Eduard Lohse verklaart in The New Testament Environment [De nieuwtestamentische leefwereld] dat de uitdrukking “de grote kracht van God” (v. 10) Simons “aanspraak” weergeeft “de drager van goddelijke openbaring te zijn” (pag. 269). Simon was gedoopt en werd christen in naam, samen met de overige Samaritanen. De apostel Petrus doorzag echter de ware motieven van Simon. In Handelingen 8:22-23 berispte Petrus hem in de sterkste bewoordingen door te zeggen: “Want ik zie dat u zo bitter als gal bent en een kluwen ongerechtigheid.”

Wie waren de Samaritanen? Het boek 2 Koningen zegt ons dat, toen de noordelijke tien stammen van Israël gedeporteerd werden door de koning van Assyrië, er in hun plaats Babyloniërs gevestigd werden. Deze Babylonische Samaritanen gingen door met het praktiseren van hun oude Babylonische heidendom, maar zorgden, door dit te doordrenken met Bijbelse terminologie, voor versluiering van wat zij deden (2 Koningen 17:33, 41). Hoewel zij trouw aan de God van Israël voorwendden, gehoorzaamden zij niet werkelijk Gods wet (v. 34). In feite werden zij vijanden van het ware Werk van God, zoals duidelijk wordt gemaakt in de boeken van Ezra en Nehemia.

Evenals de Joden waren de Samaritanen, in de nasleep van de veroveringen van Alexander de Grote, verstrooid over de toen bekende wereld. Er waren Samaritaanse koloniën in verschillende belangrijke centra van het Romeinse Rijk, inclusief Alexandria, Egypte en Rome. Simon had bewonderaars en aanhangers onder deze mensen.

De Samaritaanse godsdienst, een mengeling van Babylonisch heidendom en lippendienst aan de God van Israël, werd ook sterk beïnvloed door de Griekse filosofie. Simon Magus voegde hieraan een erkenning toe van Jezus Christus als de Verlosser van de mensheid. Jezus legde evenwel uit: “Niet ieder die tegen Mij zegt: Heere, Heere, zal binnengaan in het Koninkrijk der hemelen, maar wie de wil doet van Mijn Vader, Die in de hemelen is” (Mattheüs 7:21). Simon gebruikte de naam van Jezus, maar stelde een andere boodschap in de plaats – een boodschap, die de noodzaak afschafte om God werkelijk te gehoorzamen en Zijn geboden te houden!

Eerdmans Handbook to the History of Christianity [Handboek voor de geschiedenis van het christendom] zegt: “De eerste christelijke schrijvers beschouwden Simon als de bron van alle ketterse dwaalleren” (p. 100). In haar artikel over Simon Magus identificeert The Encyclopaedia Britannica (11e editie) hem als de “stichter van een school voor gnostici en als een vader van ketterij”. De bekende historicus Edward Gibbon zegt dat de gnostici “het geloof van Christus vermengden met vele sublieme, maar duistere leerstellingen, die zij ontleenden aan oosterse filosofie” (The Triumph of Christendom in the Roman Empire [De triomf van het christendom in het Romeinse Rijk], p. 15).

Gnosticisme (de term is afgeleid van het Griekse woord voor kennis) was een hoogst intellectuele manier van leven. Het vertegenwoordigde een mengeling van Babylonische mysteriereligie en Griekse filosofische speculatie met een ‘overtrek’ van Bijbelse terminologie. Bij de gnostici werden Bijbelse verslagen niet letterlijk genomen, maar werden beschouwd als allegorieën die werden gebruikt om diepere ‘waarheden’ te onderwijzen. “Het Mozaïsche verslag van de schepping … werd door de gnostici met diepgaande spot bejegend” (Gibbon, p. 13). Gnosticisme beklemtoonde het heidense dualisme met zijn nadruk op de onsterfelijkheid van de ziel en het inherent kwaad zijn van materie. Het introduceerde ook veel nutteloze speculaties over de natuur van God en de geestelijke wereld. Diverse nieuwtestamentische boeken – inclusief het Evangelie van Johannes, Kolossenzen en 1 Johannes – zijn geschreven om de gnostische dwaalleringen, die Simon Magus en vele anderen begonnen te verspreiden, te weerleggen.

De Hellenistische cultuur, waarmee het Midden-Oosten en de gebieden van de Middellandse zee doordrongen werden, was een alternatieve wereldbeschouwing – een tegenstrever van het perspectief en de waarden van de Bijbel. Ze benadrukte de superioriteit van het denken en de logica in plaats van goddelijke openbaring. De latere Grieken, in verlegenheid gebracht door de ongepaste capriolen van hun oude goden en helden in de geschriften van Homerus en Hesiodus, trachtten deze weg te redeneren als diepgaande allegorieën. Deze benadering van hun geïnspireerde geschriften werd opgepakt door hellenistische Joden, zoals Philo van Alexandrië, en toegepast op de Bijbel. Dit gebruik van het Oude Testament als een allegorie was een handig middel voor gnostici en anderen die gehoorzaamheid aan duidelijke geboden wilden ontwijken.

Ongeveer 15 jaar na de doop van Simon Magus, vond de apostel Paulus het nodig om de Kerk in Thessalonica te waarschuwen: “. . . het geheimenis van de wetteloosheid is al werkzaam” (2 Thessalonicenzen 2:7). Ongeveer vijf jaar later waarschuwde Paulus de Korinthiërs dat zij in gevaar waren om weggetrokken te worden door valse apostelen die “een andere Jezus” en “een ander Evangelie” onderwezen. Simon en zijn volgelingen waren in werkelijkheid dienaren van Satan en deden zich voor als dienaren van Christus (2 Korinthe 11:3-4, 13-15).

In de jaren 60 n. Chr. spoorde de apostel Judas, broer van Jakobus en Jezus Christus, christenen aan vanuit de noodzaak om “. . . te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen overgeleverd is” (Judas 3). Hij waarschuwde verder dat er bepaalde mannen waren die onopgemerkt de kerkorganisatie waren binnengeslopen die trachtten genade in wetteloosheid te veranderen, door te onderwijzen dat Gods wet niet langer noodzakelijk was (v. 4). In de tijd van Judas was het ware geloof reeds voor eens en altijd overgeleverd. Moderne wetenschappers, die beweren dat het aan theologen uit de tweede en derde eeuw overgelaten werd om een nauwkeurig begrip van Gods natuur te formuleren, zouden er goed aan doen om Judas 3 te herlezen. Het is duidelijk dat Judas geen ‘progressieve openbaring’ toelaat!

Schrijvend aan het einde van de eerste eeuw, bijna 30 jaar nadat de rest van het Nieuwe Testament was voltooid, had de bejaarde apostel Johannes te kampen met ketterse dwaalleren, die veel meer wijdverspreid waren dan die in de dagen van Paulus en Judas. Johannes benadrukte herhaaldelijk de noodzaak van het houden van Gods geboden (1 Johannes 2:3; 3:4, 22; 5:3). Hij waarschuwde in 2 Johannes 7: “Want er zijn vele misleiders in de wereld gekomen . . .”. In 3 Johannes 9-10 had een leider met de naam Diotrefes de macht over enkele gemeenten in Klein-Azië naar zich toegetrokken en plaatste metterdaad ware christenen die loyaal bleven aan de bejaarde apostel Johannes en zijn leringen uit de Kerk.

De Kerk in overgang

Een gebeurtenis met verstrekkende gevolgen voor de nieuwtestamentische Kerk had ongeveer 25 jaar vóórdat Johannes begon te schrijven plaatsgevonden. Deze gebeurtenis was de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinse legers onder Titus in 70 n. Chr. De Kerk van God te Jeruzalem onder leiding van de opvolger van Jakobus, Simeon (volle neef van Jakobus en Christus), ontvluchtte Jeruzalem kort voor 70 n. Chr. en ging naar Pella, een afgelegen woestijngemeenschap. Na de dood van Simeon maakte de Jeruzalem Kerk van God grote instabiliteit door en had 13 leiders in de daarop volgende 28 jaar.

Vele dwaalleringen die eerder verbreid waren, kwamen nu tot volle bloei. Bovendien waren velen in de Kerk ontmoedigd en verward. De gebeurtenissen waren niet gegaan zoals in het algemeen was verwacht. De Kerk werd in toenemende mate een mengeling van nieuwe bekeerlingen uit de heidenen en leden van de tweede of zelfs derde generatie.

Tijdens het laatste deel van de eerste eeuw en het begin van de tweede, werd de Romeinse wereld in toenemende mate vijandig jegens de Joden. Buitengewoon onderdrukkende wetten en zware belastingen werden hun door het Romeinse Rijk als straf opgelegd. Tussen de eerste (66-73 n. Chr.) en tweede (132-135 n. Chr.) joodse opstand waren er vele gewelddadige (anti-joodse) pogroms in plaatsen zoals Alexandrië en Antiochië. In reactie hierop veroorzaakten de Joden oproer in Mesopotamië, Palestina en Egypte.

Regelmatig werden christenen het slachtoffer van deze uitbarstingen, omdat zij door de autoriteiten als een joodse sekte werden gezien. Door de joodse revolutionairen werden zij echter beschouwd als verraders van het judaïsme en van de joodse politieke ambities, omdat zij niet wilden strijden tegen de Romeinen. In die tijden kwamen honderdduizenden leden van synagoge en Kerk – degenen die de Sabbat hielden en de Schriften bestudeerden – om, door Romeinse handen of door volksmenigtes.

Tijdens dit gevaarlijke tijdperk begon de Romeinse kerk onder haar bisschop Sixtus (ca. 116-126 n. Chr.) zondagse erediensten te houden en hield ze op met het vieren van het jaarlijkse Pascha en stelde daarvoor paaszondag en de eucharistie in de plaats. Dit staat in een duidelijk verslag dat bewaard werd door Eusebius van Caesarea, een wetenschapper uit de late derde en vroege vierde eeuw, die bekend werd als de ‘vader van de kerkgeschiedenis’. Eusebius citeerde zijn informatie uit een brief van Irenaeus, de bisschop van Lyon (ca. 130-202 n. Chr.) aan bisschop Victor van Rome. Dr. Samuele Bacchiocchi bevestigt in zijn boek From Sabbath to Sunday [Van Sabbat naar Zondag]: “Er is een grote eenstemmigheid onder wetenschappers dat Rome inderdaad de geboorteplaats van paaszondag is. Sommigen bestempelen het in feite terecht als ‘Romeins-Pasen’” (pag. 201). En de Romeinen bleven het met het Latijnse woord voor Pascha: paschalis noemen, wat sprekers van andere talen dan de niet-Latijnse talen zich in het algemeen niet realiseren [Engelstaligen noemen deze dag bijvoorbeeld ‘Easter’].

Deze officiële breuk met de wet van God was het natuurlijke gevolg van het “geheimenis van ongerechtigheid”, dat genade verwarde met wetteloosheid en onderwees dat gehoorzaamheid aan de wet niet nodig was. Wanneer een praktijk niet nodig geacht wordt, is het slechts een kwestie van tijd totdat gemak gaat voorschrijven of deze gewijzigd of afgeschaft moet worden. Naarmate het conflict tussen het judaïsme en het Rijk verhevigde, ondernamen vele christenen in Rome, onder de leiding van bisschop Sixtus, stappen om elke mogelijkheid te vermijden dat zij als Joden werden beschouwd en daardoor met hen vervolging zouden moeten ondergaan.

In 135 n. Chr., aan het einde van de tweede joodse opstand, ondernam de Romeinse keizer Hadrianus (Publius Aelius Hadrianus) drastische stappen tegen de Joden. Hij gaf Jeruzalem een andere naam en noemde haar naar zichzelf en de ‘god’ Jupiter Capitolinus – Aelia Capitolina – en legde de doodstraf op aan iedereen, die ‘Jood’ genoemd werd en de stad durfde binnen te gaan.

Op dat moment werd Marcus, een Italiaan, bisschop van Jeruzalem, zoals Edward Gibbon vermeldt in het vijftiende hoofdstuk van zijn beroemde boek Decline and Fall of the Roman Empire [Verval en ondergang van het Romeinse Rijk]: “Door zijn [Marcus’] overtuigingskracht stapte het grootste deel van de gemeente af van het houden van de Mozaïsche wet, waarin zij meer dan een eeuw hadden volhard. Door dit prijsgeven van hun gebruiken en beperkende opvattingen verwierven zij vrije toegang tot de kolonie van Hadrianus en deden zij een stevige stap in de richting van hun eenwording met de katholieke kerk” (deel 1, pag. 390).

Hoe zat het met degenen die de wet van God bleven beschouwen als bindend voor christenen? Gibbon schrijft: “De misdaden van ketterij en kerkscheuring werden ten laste gelegd aan het onbekende overblijfsel van de Nazareners, die weigerden samen te gaan met hun Latijnse bisschop. . . . Binnen een paar jaar na de terugkeer van de kerk van Jeruzalem, werd het een kwestie van twijfel en heftig meningsverschil of een persoon die Jezus oprecht erkende als de Messias, maar die de wet van Mozes bleef houden, wel kon hopen op verlossing” (pag. 390).

Het was slechts een kwestie van tijd voordat belijdende christenen die waren gestopt met de viering van de Sabbat “hun judaïserende broeders zouden uitsluiten van de hoop op verlossing . . . [en] elke omgang met hen afwezen op het vlak van vriendschap, gastvrijheid en sociaal leven”.

Ongelooflijk! Dit gebeurde ondanks dat zij, een paar jaar eerder, allen gezamenlijk Gods Feesten hadden gevierd. Toch deden, nadat bisschop Marcus ‘nieuwe waarheid’ introduceerde, de meeste belijdende christenen met hem mee om die getrouwe christenen te veroordelen die vasthielden aan het historische geloof dat hun allen onderwezen was. Degenen die trouw bleven aan de waarheid werden spoedig gemeden als een bron van verdeeldheid door een meerderheid die historisch christendom wilde vervangen door iets anders.

Een theologie van ‘nieuwe waarheid’?

Veel van de verondersteld ‘christelijke’ geschriften die bewaard zijn vanaf de tweede eeuw, brengen een totaal andere theologie naar voren dan die van de apostel Johannes, die amper 10 of 20 jaar eerder schreef. Zoals Bacchiocchi betoogt: “Ignatius, Barnabas en Justinus, wier geschriften onze belangrijkste bron van informatie voor de eerste helft van de tweede eeuw vormen, waren getuige van en namen deel aan het proces van afscheiding van het judaïsme dat de meerderheid van de christenen ertoe aanzette de Sabbat op te geven en de zondag aan te nemen als de nieuwe dag van verering” (p. 213). Ignatius van Antiochië schreef in ongeveer 110 n. Chr.: “Het is afschuwelijk om over Jezus Christus te spreken en judaïsme in praktijk te brengen” (Magnesians, 10). Hij sprak ook over “het niet langer vieren van sabbatten”. Toch benadrukte Johannes die zijn evangelie nauwelijks 20 jaar eerder schreef dat Jezus dezelfde Feestdagen hield die de joodse gemeenschap hield (Johannes 7:2; 11:55).

Barnabas van Alexandrië, niet te verwarren met de apostel Barnabas, beweert in zijn epistel geschreven in ongeveer 130 n. Chr. dat het Oude Testament een allegorie is en niet bedoeld om letterlijk te begrijpen. Hij beschouwt de verbodsbepalingen van de wet tegen het eten van onrein vlees als een allegorie van het soort mensen dat door christenen gemeden hoort te worden (Epistle of Barnabas, 10). Hij tracht ook de Sabbat te allegoriseren en verklaart: “Wij houden de achtste dag om ons te verheugen, de dag waarop Jezus ook opstond uit de doden” (Epistle of Barnabas, 15).

Twee prominente theologen uit de tweede eeuw, die een belangrijke rol speelden bij de overgang van de verandering van Bijbelse theologie naar rooms-katholieke theologie, waren beide gedoopt in gemeenten die onder leiding stonden van de trouwe Polycarpus. Polycarpus (ca. 69-155 n. Chr.) was een persoonlijke discipel van de apostel Johannes geweest en was een van de weinige kerkleiders in zijn dagen die vasthielden aan de Waarheid. Deze twee mannen, Justinus Martyr (ca. 95-167 n. Chr. ) en Irenaeus (ca. 130-202 n. Chr.) probeerden, terwijl zij enige waarheden aanhielden die zij onder Polycarpus geleerd hadden, zich ook aan te passen aan de nieuwe richting van roomse theologie in de naam van ‘kerkelijke eenheid’. Irenaeus behield, hoewel hij veel van Polycarpus’ onderwijs had verlaten, levenslang bewondering voor Polycarpus als een groot man van God.

Justinus was een Griek uit Samaria die een platonisch filosoof werd en toen, onder invloed van Polycarpus en zijn discipelen, in ongeveer 130 n. Chr. tot christen werd gedoopt in Efeze. Hij kwam naar Rome in 151 n. Chr., stichtte een school en stierf vervolgens in 167 n. Chr. de marteldood. Na aankomst in Rome trachtte Justinus de middenweg te bewandelen wat betreft het onderwerp van de wet. Henry Chadwick schrijft:

Justinus geloofde dat een joodse christen volledig vrij was om de Mozaïsche wet te houden zonder ook maar enigszins te schipperen met zijn christelijk geloof, en zelfs dat een christen uit de heidenen zich aan joodse gebruiken zou kunnen houden als een joodse christen hem beïnvloed had om dat te doen; alleen moest het zich houden aan dergelijke gebruiken bekeken worden als een zaak van ondergeschikt belang en van individueel geweten. Maar Justinus moest erkennen dat andere christenen uit de heidenen er niet zo’n ruimdenkende kijk op nahielden en geloofden dat degenen die de Mozaïsche wet hielden niet behouden zouden worden” (The Early Church [De vroege Kerk], pp. 22-23).

Irenaeus groeide op in Klein-Azië en hoorde als tiener Polycarpus preken. Hij kwam als jonge man naar Rome en werd later in 179 n. Chr. bisschop van Lyon in Frankrijk. Irenaeus werd beschouwd als de eerste grote katholieke theoloog en schijnt zich veel moeite te hebben getroost om vrede en een verzoeningsgezinde geest te bevorderen. Zijn verlangen naar vrede was echter zo groot dat hij bereid was om compromissen te sluiten met de Waarheid om de eenheid van de kerk te behouden. De kerken in Klein-Azië onder leiding van Polycarpus vierden de Sabbat en de heilige Dagen. Toen Irenaeus naar Rome kwam paste hij zich evenwel toch dadelijk aan aan de roomse praktijken van het vieren van zondag en Pasen. In Lyon hielden sommigen het Pascha op 14 Abib en hielden anderen Pasen. Irenaeus hield Pasen, maar probeerde tolerant te zijn jegens degenen die nog het Pascha vierden.

Er vond inderdaad een theologische revolutie plaats in de Kerk van de tweede eeuw. “Justinus Martyr nam een centrale plaats in binnen de geschiedenis van het christelijk denken van de tweede eeuw.… Justinus vormde ook het denken van Irenaeus, bisschop van Lyon” (Chadwick, p. 79). Hoewel Justinus een belijdende christen werd in Efeze, “begreep hij niet dat dit betekende dat hij afstand moest doen van zijn filosofische onderzoekingen, noch dat hij alles diende te verwerpen wat hij had geleerd van het platonisme” (p. 75). Hij geloofde dat de God van Plato ook de God van de Bijbel was. “Justinus maakt geen strikte en exclusieve aanspraken op goddelijke openbaring aan de Hebreeën, om zodoende de waarde van andere bronnen van wijsheid tot nul te reduceren. Abraham en Socrates zijn beiden evenzeer christenen voor Christus”(p. 76). Deze benadering maakte het toneel gereed voor een omvorming van de christelijke theologie om veel van het Grieks filosofisch gedachtegoed betreffende de natuur van God te omarmen.

Ondanks dit alles erkende Justinus de autoriteit van het boek Openbaring en geloofde hij “dat Christus zou terugkeren naar een herbouwd Jeruzalem om met zijn heiligen duizend jaar te regeren (p. 78).

Irenaeus bewaarde, zwaar beïnvloed door Justinus, ook stukjes en beetjes van de Waarheid ondanks dat hij zich conformeerde aan roomse praktijken. Hij onderwees terecht: “Het doel van ons bestaan is het ontwikkelen van karakter door het overwinnen van moeilijkheden en het weerstaan van verleidingen (p. 81). Hij hield ook vast aan de letterlijke hoop op een aards millennium, tijdens welk Christus zou regeren op aarde, en onderwees tegen de interpretatie van de hoop op het millennium als symbolisch voor de hemel, hoewel hij de beklemtoning van dit punt in zijn latere werken temperde.

De Waarheid prijsgegeven voor eenheid en traditie

Er bestonden twee fundamentele dwalingen, die de belijdende christenen onderscheidden van degenen die de voortzetting van de Kerk die Jezus bouwde werkelijk vertegenwoordigden. Deze dwalingen hielden in of Gods wet nog steeds bindend was voor christenen, en wie en wat God is. Dwalingen op deze twee punten leidden tot een steeds verder uiteenlopend verschil tussen de belijdende christelijke kerk en de ware Kerk van God.

De betekenis van de wet was het belangrijkste terrein van controverse van ongeveer 50 n. Chr. tot 200 n. Chr. Tot het Concilie van Nicea (325 n. Chr.) en Laodicea (363 n. Chr.), toen de Romeinse staat erin verwikkeld raakte, werd deze niet definitief opgelost. De essentie van het conflict is bewaard in de confrontatie tussen Polycrates van Klein-Azië en Victor, bisschop van Rome, in ongeveer 190 n. Chr.. Polycrates was de opvolger van Polycarpus, die zelf een discipel van de apostel Johannes was. Irenaeus tekent aan dat Polycarpus in het midden van de tweede eeuw naar Rome was gereisd om Anicetus, bisschop van Rome, te ondervragen over en te overtuigen van de juiste tijd van het Pascha. Anicetus beweerde dat hij was gebonden door de traditie van zijn voorgangers vanaf bisschop Sixtus, terwijl Polycarpus verklaarde dat “Hij … het [Pascha] altijd [had] gehouden met Johannes, de discipel van onze Heer, en de rest van de apostelen, met wie hij omging” (Eusebius xxiv).

Ongeveer 50 jaar na de reis van Polycarpus probeerde Victor van Rome de kerken van Klein-Azië te intimideren om zich aan te passen aan de praktijk van het Romeinse Pasen. Polycrates schreef aan Victor:

Wij houden daarom de ware dag [van het Pascha] en voegen er niets aan toe en halen er niets van af. Want in Azië zijn grote lichten ontslapen, die op de dag van de verschijning van de Heer weer zullen opstaan, de dag waarop Hij in heerlijkheid vanuit de hemel zal komen en alle heiligen zal doen opstaan; Filippus, één van de twaalf apostelen, die in Hierapolis slaapt . . . Johannes, die rustte aan de boezem van onze Heer . . . Polycarpus van Smyrna. . . . Deze hielden allen de veertiende dag van het Pascha volgens het evangelie, in geen enkel opzicht afwijkend, maar de regel van het geloof volgend . . . en mijn familieleden hielden altijd de dag waarop de mensen het zuurdeeg weggooiden [14 Abib]. Daarom, broeders, ben ik, die nu 65 jaar in de Heer ben, die met de broeders in de hele wereld beraadslaagd heeft en alle heilige Schriften bestudeerd heeft, helemaal niet verontrust over die dingen waarmee ik word bedreigd, om mij te intimideren. Want zij die groter zijn dan ik hebben gezegd: ‘Wij moeten God meer gehoorzamen dan mensen’” (Eusebius, xxiv).

Toen er diverse controverses woedden gedurende de tweede eeuw, zou een nieuwe benadering van kerkbestuur enorme consequenties hebben. Deze benadering was meer het accent op wat werd aangeduid als ‘apostolische successie’ .

In de eerste eeuw had Paulus de Bereërs geprezen vanwege hun benadering om ‘hem te controleren’ door dagelijks de Schiften te onderzoeken om te zien of hij de waarheid onderwees (Handelingen 17:11). Hij spoorde de Thessalonicenzen aan: “Beproef alle dingen, behoud het goede” (1 Thessalonicenzen 5:21). In de hele eerste eeuw zien wij voortdurend dat er een beroep werd gedaan op de Schriften.

Maar te beginnen met de geschriften van Clemens, bisschop van Rome, zien wij een nieuw accent. Clemens schreef in ongeveer 100 n. Chr. een brief aan de kerk in Korinthe, waarschijnlijk zeer kort na de dood van Johannes. De redacteuren van Masterpieces of Christian Literature [Meesterwerken van christelijke literatuur] vatten de voornaamste ideeën van Clemens samen als: “De weg naar vrede en harmonie is door gehoorzaamheid aan gevestigde autoriteiten, de oudsten. Christus bestuurt de kerken door de apostelen, de bisschoppen die door hen benoemd zijn, en de goedgekeurde opvolgers van de bisschoppen.”

Ongeveer tien jaar later onderstreepte Ignatius hetzelfde punt: “Eenheid en vrede in de kerk en de legitimiteit van de kerk worden verworven door trouwe aanhankelijkheid aan de bisschop” (Masterpieces).

In het midden van de daarop volgende eeuw waren de aanspraken zo sterk gegroeid dat Cyprianus van Noord-Afrika verklaarde: “Het middelpunt van eenheid is de bisschop. Hem verlaten is de kerk verlaten en iemand kan God niet als zijn Vader hebben die niet de kerk als zijn moeder heeft” (Chadwick, p. 119).

Deze aanspraken werden gemaakt om broeders in een organisatie te houden die zich snel ontwikkelde tot wat wij tegenwoordig kennen als de rooms-katholieke kerk. Hoe anders zijn deze oproepen dan die van Paulus en de andere nieuwtestamentische leiders die voor de bevestiging van hun authenticiteit naar de Bijbel en naar de vruchten van hun bediening verwezen (vgl. 1 Korinthe 11:1; Handelingen 17:2). Omdat zij niet langer in staat waren om zich duidelijk op de Bijbel te beroepen, baseerden kerkleiders uit de tweede en derde eeuw in toenemende mate hun claim op de loyaliteit van de broeders op hun bewering dat zij volgens de regels geordineerde opvolgers van de apostelen waren en van de bisschoppen die dezen opvolgden. Hoewel zij in toenemende mate lieten vallen wat de apostelen onderwezen, trachtten deze misleiders de broeders bijeen te houden door een beroep te doen op eenheid en op de nagedachtenis van de apostelen.

 

Hoofdstuk 2

Een dramatische overgang

Hoe komt het dat velen zich zo ver en rap verwijderden? Dit is de vraag die zich eenvoudigweg aan ons opdringt als we de geschiedenis van de vroege Kerk bestuderen.

Ten tijde van de dood van de apostel Johannes aan het begin van de tweede eeuw n. Chr., vertoonde de christelijke beweging tenminste, hoewel onmiskenbaar overladen met vele problemen en belaagd door valse leraren, een herkenbare gelijkenis met de Kerk van God uit het boek Handelingen. Maar aan het begin van de derde eeuw n. Chr. vertoonden de meeste van diezelfde gemeenten, hoewel zij zich nog steeds Kerk van God noemden, veel meer gelijkenis in de leer met de middeleeuwse katholieke kerk dan met de Kerk van God tijdens de dagen van de apostelen Petrus, Jakobus, Paulus en Johannes. Hoe konden zovelen zo snel en ver verwijderd raken? Dit is de vraag die het eerst bij ons opkomt als wij de geschiedenis van de vroege Kerk bestuderen.

Tijdens de tweede eeuw vond er een aantal geleidelijke verschuivingen plaats in zowel de leer als de praktijk van het grootste deel van de kerkgemeenten. De basis voor die verschuivingen werd gelegd door sommige van de ideeën die slechts een paar jaar na de opstanding en hemelvaart van Christus werden verbreid. En ideeën hebben altijd gevolgen!

‘Een ander evangelie’

Christus wijdde Zijn ‘dienaarschap’ aan de prediking van het ‘Goede Nieuws’ van een komende goddelijke regering die de onderdrukkende menselijke regeringen, die de luisteraars van Jezus maar al te goed kenden, zou vervangen. De discipelen vroegen Hem om tekenen die zouden aangeven wanneer die tijd nabij zou zijn (Mattheüs 24:3). De laatste vraag die zij stelden, toen Hij zich klaarmaakte om naar de hemel op te stijgen, was of het nu de tijd was voor het Koninkrijk om gevestigd te worden (Handelingen 1:6). In de laatste fase van Paulus’ dienaarschap, waarvan wij nog enig verslag hebben, zien wij dat Paulus nog steeds “. . . het Koninkrijk van God [predikte] en . . . onderwijs [gaf] over de Heere Jezus Christus, met alle vrijmoedigheid, ongehinderd” (Handelingen 28:31)! Zelfs in het laatste geïnspireerde boek van de nieuwtestamentische canon inspireerde Jezus Christus de apostel Johannes door middel van visioenen aangaande de letterlijke vestiging van het Koninkrijk van God op deze aarde (Openbaring 19:11-21; 20:4-6; 21).

Ondanks dit heldere verslag van het duidelijke onderricht van Jezus Christus lezen wij in 2 Korinthe 11:3-15 dat valse dienaren de Kerk waren binnengeslopen, en binnen 25 jaar na haar oprichting predikten wat Paulus “een ander Evangelie” noemde. Tegen de tweede eeuw werd het ware Evangelie dat Jezus had onderwezen een ‘bedenkelijke opinie’ genoemd door de leiders van de ontluikende ‘orthodox’ christelijke kerk. Tegen de derde eeuw werd het eigen voorbeeld en onderricht van Christus beschouwd als je reinste ketterij. Gedurende de tweede en derde eeuw richtte het ‘evangelie’ dat toen werd gepredikt zich bijna uitsluitend op de persoon van Jezus. Ook nam in diezelfde tijd de acceptatie toe van heidense denkbeelden over de onsterfelijkheid van de ziel, alsook over hemel en hel.

Het juiste begrip betreffende het Koninkrijk van God werd tot in de tweede eeuw goed bewaard, zelfs door mensen zoals Justinus Martyr en Irenaeus. Natuurlijk waren zij op andere gebieden serieus het spoor bijster, zoals hun onderwijs aangaande Gods wet. Edward Gibbon schrijft over deze periode:

De zekerheid van zo’n Millennium werd zorgvuldig ingeprent door . . . [degenen] die in contact stonden met de directe discipelen van de apostelen. . . . Maar toen het bouwwerk van de kerk bijna was voltooid, werd de tijdelijke ondersteuning terzijde gelegd. De leer van Christus’ regering op aarde werd eerst als een diepzinnige allegorie behandeld en werd gaandeweg beschouwd als een twijfelachtige en nutteloze mening en werd op den duur afgewezen als het onzinnige bedenksel van ketterij en fanatisme” (Decline and Fall of the Roman Empire, deel 1, hfdst. 15).

Veel van deze vooruitgang was het gevolg van de invloed van Origenes. Origenes was, zoals wij zo meteen zullen zien, een van de minst met gezond verstand begiftigde individuen die ooit geaccepteerd zou worden als christelijke theoloog. Hij speelde een belangrijke rol in de formulering van het katholieke onderricht betreffende de Drie-eenheid, de onsterfelijkheid van de ziel en het Koninkrijk van God.

Dat men het fundamentele begrip van de ware essentie van het Evangelie en het Koninkrijk van God had verlaten, had veel rampzalige gevolgen. Een ervan was het deelnemen van kerkleden aan de politiek en in het leger. Historici zijn praktisch unaniem in de erkenning dat vroege christenen dergelijke betrokkenheid vermeden: “Maar hoewel bij hen de regels van passieve gehoorzaamheid ingeprent waren, weigerden zij elke actieve deelname aan het burgerlijk bestuur of in de militaire verdediging van het rijk” (Gibbon, The Triumph of Christendom in the Roman Empire [De Triomf van het christendom in het Romeinse Rijk], p. 41). Aan het einde van de derde eeuw waren er echter ‘christelijke’ legioenen in het Romeinse leger. Belijdende christenen werd verteld dat politieke participatie acceptabel was.

De onsterfelijke ziel

De leerstelling van de onsterfelijkheid van de ziel, vrijwel algemeen in het heidendom, wordt noch in het Oude noch in het Nieuwe Testament onderwezen. Let op de erkenning van The Interpreter’s Dictionary of the Bible op dit punt:

In de King James [ook in de Statenvertaling, red.] van het O.T. [deze aanwijzing is deels uitgewist uit de moderne vertalingen] wordt ‘ziel’ bijna uitsluitend als vertaling voor het Hebreeuwse nefesj gebruikt. Het woord ‘ziel’ . . . draagt in zich associaties die uiteindelijk uit het filosofische Grieks (platonisme) en uit het orfisme en gnosticisme komen, maar die in nefesj ontbreken. In het O.T. betekent het nooit de onsterfelijke ziel, maar is het het essentiële levensbeginsel of het levende wezen. . . . Psuche in het N.T. komt overeen met nefesj in het O.T.” (deel 4, p. 428).

Hoe kwam het concept van een onsterfelijke ziel in het christendom terecht? Al in de jaren 200 v. Chr. begonnen sommige joodse sekten dit idee, onder Griekse invloed, op te nemen en trachtten dit te vermengen met de Bijbelse lering van de opstanding. Dit wordt geïllustreerd door intertestamentaire apocriefe geschriften als het boek Jubileeën en het vierde boek Makkabeeën, alsook door zowel Philo als Josephus. De gnostici, met hun accent op heidens dualisme, legden de nadruk op de onsterfelijkheid van de ziel in tegenstelling tot de opstanding van het lichaam. De International Standard Bible Encyclopedia verklaart: “Er is een onderscheid tussen een platonisch geloof in de onsterfelijkheid van de ziel alleen en de Bijbelse leer met betrekking tot de opstanding van de doden” (deel 2, p. 810).

Schrijvers uit de late tweede en vroege derde eeuw, zoals Tertullianus en Origenes speelden een belangrijke rol in het ontwikkelen van de toekomstige katholieke leer met betrekking tot hemel, hel en de onsterfelijkheid van de ziel. De ISB Encyclopedia gaat verder: “De vroege christenen werden vaak beïnvloed door zowel Grieks als joods denken. Velen werden bijvoorbeeld beïnvloed door de leringen van Pythagoras over de splitsing van de ziel in diverse delen en de zielsverhuizing: Platonische en Neoplatonische (vooral van Plotinus) inzichten zitten achter Origenes’ kijk op de ziel. . . . Tertullianus volgde het stoïcijnse denken” (deel 4, p. 588). The Encyclopedia of Religion brengt naar voren dat vele latere invloedrijke katholieke theologen “allemaal de Bijbelse concepten van de ziel verklaarden langs platonische lijnen en in de algemene traditie van Origenes en zijn school.”

De Drie-eenheid

Er was niet slechts één dwaalleer betreffende de natuur van God, maar vele verschillende die elkaar tegenspraken. Er lijken bijna net zoveel verschillende ideeën als filosofische scholen en leraren te zijn geweest. Het reguliere katholieke denken, waaruit de orthodox-protestantse leer over het onderwerp voortkwam, vertegenwoordigt louter de specifieke dwaalleer die het had gewonnen van haar rivalen. Omdat het deze leer is die het met enige wijziging overleefd heeft tot in onze tijd, zullen wij deze het meest nauwlettend onderzoeken.

De achtergrond van de orthodoxie van de derde eeuw met betrekking tot het onderwerp van de Drie-eenheid wordt niet gevonden in de Bijbelse tekst, maar in Griekse filosofische geschriften. The Roman Catholic New Theological Dictionary [Het rooms-katholiek nieuw theologisch woordenboek] doet in dit verband een aantal openhartige bekentenissen. Wat betreft het Bijbelse onderwijs over de natuur van de heilige Geest geeft het in zijn artikel “Drie-eenheid” toe: “Als zodanig is de Geest nooit het uitdrukkelijk voorwerp van N.T. verering, noch wordt de Geest ooit in een N.T. gesprek opgevoerd als op een interpersoonlijke manier communicerend met de Vader en de Zoon”.

Later in hetzelfde artikel bekennen moderne katholieke wetenschappers, sprekend over de achtergrond van de orthodoxe leer van de Drie-eenheid, heidense invloeden op hun theologie:

Christenen . . . vertrouwd met de toen overheersende filosofie van midden-platonisme grepen de gelegenheid aan om de christelijke boodschap te verkondigen en te verhelderen door middel van een denkwijze die vol betekenis was voor de ontwikkelde klassen van de wijd verspreide Hellenistische samenleving. Deze beweging, die in het algemeen positief beoordeeld werd door de katholieke theologie, zal een enorme invloed hebben op de ontwikkeling van de christelijke theologie. . . . Ervan overtuigd dat de God die zij [de heidense Griekse filosofen] predikten de Vader van Jezus Christus was en het behoud dat zij verkondigden dat van Jezus was, pasten de apologeten [geloofsverdedigers] veel van de Hellenistische wereldbeschouwing in . . . [Tertullianus maakte] als eerste, voor zover bekend, gebruik van de term ‘drie-eenheid’.

Origenes eigende zich de filosofie van het midden-platonisme meer stelselmatig toe dan de apologeten en Tertullianus hadden gedaan. In feite was zijn ‘concept van de eeuwige generatie’ een aanpassing van de midden-platonische leer dat de hele wereld van geestelijke wezens eeuwig was. De Zoon is van eeuwigheid ontstaan (of gegenereerd) uit het bestaan van God zelf en daarom van het wezen van de Vader is, maar tweede na de Vader. . . . Origenes bedacht evenals Tertullianus een algemene term voor de ‘drie’ van het goddelijke drietal. De Vader, de Zoon en heilige Geest zijn ‘drie hypostasen’. . . . De belangrijkste bijdrage van Origenes aan de formulering van het trinitarische leerstuk is de gedachte van eeuwige generatie. Zijn algemene term voor de ‘drie’ (hypostasen) zal in de vierde eeuw aangenomen en verfijnd worden” (p. 1054).

Als wij naar de ontwikkeling van de ‘christelijke’ theologie in de late tweede en vroege derde eeuw kijken, blijven de namen van Tertullianus en Origenes naar voren komen. Tertullianus (ca. 150-225 n. Chr. ), de vader van de Latijnse theologie genoemd, was “een van de meest krachtige schrijvers van de tijd en bijna net zo invloedrijk als Augustinus voor de ontwikkeling van de theologie in het westen” (Eerdman, Handbook to the History of Christianity [Handboek voor de geschiedenis van het christendom], p. 77).

Tertullianus woonde in Carthago en was een van de eersten die onderwezen dat een vurige hel bij de dood begon. In zijn latere jaren brak hij met Rome en werd een montanist. Dit betekende dat hij de beweringen van twee door demonen bezeten vrouwen aanvaardde die zichzelf profetessen noemden. Zij kwamen in een staat van extatische waanzin en ‘spraken in tongen’, beweerden de ‘parakleet’ (een term voor de heilige Geest in het evangelie van Johannes) te zijn en onderwezen een boodschap die de ‘Nieuwe Profetie’ werd genoemd.

Origenes (ca. 185 - 254 n. Chr.) “was de grootste wetenschapper en de meest productieve schrijver van de vroege kerk” (Eerdman, p. 104). In ongeveer 203 n. Chr. volgde Origenes Clemens van Alexandrië op als leider van een beroemde school die bedoeld was om christenen voor te bereiden op de doop en die cursussen aanbood in filosofie en natuurwetenschap voor het grote publiek. Hoeveel begreep Origenes, gezien zijn reputatie als groot wetenschapper en theologieleraar, nu werkelijk? Volgens de vierde-eeuwse kerkhistoricus Eusebius castreerde Origenes zichzelf niet lang nadat hij de school in Alexandrië had overgenomen! Deze daad was gebaseerd op zijn begrip (of liever onbegrip) van de woorden van Christus in Mattheüs 5:29-30.

Dit zelfde uiterste gebrek aan gezond begrip van de ware betekenis en bedoeling van de Bijbel wordt pijnlijk gedemonstreerd in veel van zijn theologische geschriften. “Origenes introduceerde de mogelijkheid van een helende hel [vagevuur]” (International Bible Encyclopedia, “Hell”). Hij speelde ook een belangrijke rol in wat zich later ontwikkelde tot katholieke Mariaverering door als eerste met het idee te komen dat Maria na de geboorte van Jezus maagd is gebleven.

Religieuze kunst in de eredienst

Een van de meest ingrijpende veranderingen waarmee de kerk te maken kreeg na de eerste eeuw was de invoering van religieuze kunst in de eredienst. Deze vernieuwing die zo duidelijk deed denken aan de afgodenverering die door het tweede gebod verboden was, sloeg daarom langzaam aan. Lees hoe het ging:

Zowel Tertullianus als Clemens van Alexandrië beschouwden dit verbod als absoluut en bindend voor christenen. Afbeeldingen en cultische standbeelden behoorden tot de demonische wereld van het heidendom. In feite waren de enige christenen uit de tweede eeuw van wie bekend is dat zij afbeeldingen van Christus hadden radicale Gnostici. . . . Toch brachten al voor het einde van de tweede eeuw christenen hun geloof onverstoord op artistieke wijze tot uitdrukking” (Henry Chadwick, The Pelican History of the Church, p. 277).

Het vroegste voorbeeld van een kerkgebouw dat schilderingen op de muur had was een gebouw uit de derde eeuw in Dura aan de Eufraat. Zelfs toen waren het voornamelijk oudtestamentische taferelen. Tot aan keizer Constantijn waren vele leiders van de officiële christelijke kerk nog steeds geschokt bij de gedachte om portretten of afbeeldingen van Christus te hebben. We lezen:

In ongeveer 327 [n. Chr.] ontving de geleerde historicus Eusebius van Caesarea een brief van de zuster van de keizer, Constantia, die hem om een portret van Christus vroeg. . . . Eusebius schreef haar een zeer streng antwoord. Hij besefte goed dat er portretten van Christus en de apostelen te vinden waren. Zij waren op de markten van Palestina te koop en hij had ze zelf gezien. Maar Eusebius dacht zeker niet dat de schilders en verkopers die deze aandenkens aan pelgrims verkochten christenen waren . . . [hij] neemt het voor vanzelfsprekend aan dat het alleen bij heidense kunstenaars opkwam om dergelijke voorstellingen te maken” (ibid., pp. 280-281).

Epiphanius van Salamis, een kerkleider uit de vierde eeuw, was geschokt toen hij in een kerkportaal in Palestina een gordijn zag met een zogenaamde afbeelding van Christus. Hij diende niet alleen een fel protest in bij de bisschop van Jeruzalem, maar scheurde persoonlijk het gordijn af en vernietigde het. Tegen de tijd van zijn dood in 403 n. Chr. echter raakten portretten van Christus en de heiligen in toenemende mate wijdverspreid. Dit werd vergezeld door de verering van Maria, die in 400 n. Chr. een steeds grotere plaats innam bij persoonlijke vroomheid.

De keizerlijke kerk

Na bijna drie eeuwen van weer wel en dan weer niet vervolging door de Romeinse regering, werd in Milaan in 313 n. Chr. het Edict van Tolerantie uitgevaardigd. Spoedig daarna ging het christendom van gewoon officieel gedoogd door het Romeinse Rijk over tot het daadwerkelijk worden van de officiële staatsgodsdienst van het rijk. Betekende dit een succesverhaal voor de Kerk die Jezus Christus bouwde? Had waar Bijbels christendom in het Romeinse Rijk gezegevierd?

Verre van dat! Wat wij hebben gezien is een door het heidendom beïnvloede religie die zich christelijke terminologie toe-eigende, terwijl zij aan heidense tradities vasthield – dit alles opgelegd door de Romeinse keizer Constantijn. Ze was heel verschillend van de vervolgde, joods-christelijke Kerk, die door Jezus Christus Zelf in de eerste eeuw werd gesticht. Constantijn onderkende de belangrijke rol die religie kon spelen bij de éénwording van zijn rijk en bij het geven van een gemeenschappelijke identiteit aan zijn bevolking. In eerste instantie gemotiveerd door deze politieke belangen smeedde Constantijn een alliantie met de bisschop van Rome en begon het proces van het scheppen van een standaard christendom door zijn hele rijk. Hij speelde een grote rol in het bijeenroepen van het Concilie van Nicea in 325 n. Chr. en trad in feite zelf als voorzitter op. Onthoud dat Constantijn zelfs nog niet gedoopt was! Eigenlijk stelde hij de doop uit tot op zijn sterfbed en toen was hij te ziek om ondergedompeld te worden. Zijn persoonlijk voorbeeld van besprenkeld te worden droeg veel bij aan het opgeven van de onderdompeling ten gunste van besprenkeling.

Het Concilie van Nicea trachtte in de eerste plaats twee netelige kwesties op te lossen die eerder niet volledig waren geregeld. Het ging om de geschillen over de natuur van God en de Pascha-kwestie. Gesteund door de keizerlijke macht zegevierden de visies van de roomse kerk op het concilie. De hele oppositie werd de mond gesnoerd.

Constantijn was er ook verantwoordelijk voor dat ‘de eerbiedwaardige dag van de zon’ tot staatsfeestdag werd gemaakt, een dag waarop de rechtbanken gesloten moesten blijven en de meeste zaken hun deuren dicht moesten houden.

Deze Romeinse keizer was voorheen een aanbidder van Sol Invictus (de Onoverwinnelijke [of beter: Onoverwonnen] Zon) en met zijn ‘bekering’ kwamen veel motieven van zonverering, zoals het gebruik van het kruis en de halo in de kunst, het ‘christendom’ binnen. Op dat moment begonnen ook de massabekeringen van de bevolking. Om dit te bevorderen werden populaire feestdagen zoals de Saturnalia en Lupercalia hergebruikt voor nieuwe ‘christelijke’ vieringen, en werden nu Kerstmis en Valentijnsdag genoemd. De leiders van de kerk in Rome beweerden dat zij de weg slechts verbreedden om het christendom toegankelijker te maken voor de massa en zeker veel minder ‘joods’. Antisemitisme was een motiverende kracht in het Romeinse christendom.

Waar was de Kerk die Jezus Christus bouwde?

Wat was er gebeurd met de Kerk die gesticht was door een uitstorting van Gods heilige Geest op het Pinksterfeest in 31 n. Chr.? Waar was Christus en wat deed Hij op dat ogenblik?

In het tweede en derde hoofdstuk van het boek Openbaring vinden wij boodschappen die Jezus Christus heeft opgetekend voor de zeven Kerken in Klein Azië. In het eerste hoofdstuk zag de apostel Johannes een visioen van de verheerlijkte Christus die in het midden van zeven gouden kandelaars stond. Deze zeven kandelaars vertegenwoordigen de Kerk van God in haar totaliteit door de tijd heen (Openbaring 1:12-20). De zeven steden van Klein Azië die in Openbaring worden genoemd waren geografisch gelegen als opeenvolgende haltes op een Romeinse postroute. Wat is de betekenis van deze zeven boodschappen?

Het is duidelijk dat deze boodschappen historisch bedoeld zijn voor zeven letterlijke gemeenten in de eerste eeuw. Bovendien – en dit is voor ons vandaag de dag belangrijk – laten deze gemeenten echter houdingen en problemen zien die zowel de christelijke gemeenschap, alsook individuele christenen zouden kunnen karakteriseren voor de jaren sinds Johannes schreef (vgl. Openbaring 2:7).

Wanneer wij naar de samenhang van het boek Openbaring kijken, moeten wij onderkennen dat het voornamelijk als een profetie bedoeld is. Openbaring 1:1 laat zien dat het doel van het boek is om aan Gods dienaren dingen te tonen die spoedig zouden beginnen te gebeuren. De zeven Kerken moeten dus in de eerste plaats begrepen worden als staande voor de hele geschiedenis van Gods Kerk in zeven opeenvolgende kerktijdperken.

De eerste kerk die in Openbaring 2 wordt aangesproken is de Kerk in Efeze. Deze Kerk karakteriseerde het apostolisch tijdperk. In vers 2 lezen wij dat de grootste beproeving van dat eerste tijdperk lag in het vaststellen van wie de ware apostelen van Christus waren en wie leugenaars (vgl. 2 Korinthe 11:3-15). Dit was een tijdperk dat lang en hard werkte om het Werk van God te doen en dat tijdens dit werk met veel moeilijkheden en vervolging te kampen had. De ware christenen van het Efeze-tijdperk waren degenen die de praktijken van de Nikolaïeten (volgelingen van Simon Magus [ook wel ‘Simon de tovenaar’ genoemd]) afwezen en haatten.

Na de vernietiging van de Tempel in Jeruzalem in 70 n. Chr. zetten echter ontmoediging en geestelijke onverschilligheid in. De broeders hadden verwacht dat Christus spoedig zou terugkeren na de omsingeling van Jeruzalem door Romeinse legers. Maar nu lag het grootste deel van Judea en Galilea in puin, bezet door Romeinse legioenen. De joodse christenen werden door hun landgenoten als verraders beschouwd, en door de Romeinse autoriteiten als mogelijke onruststokers. Het leven was hard en gevaarlijk.

Dit tijdperk had haar eerste liefde verlaten, die vroegere ijver om het Werk te doen. De leden begonnen hun aandacht te verliezen voor de leerstellingen, praktijken en prioriteiten die hen hun ware identiteit en doel gaven.

De boodschap van de levende Christus aan christenen van het Efeze-tijdperk was dat, indien zij zich niet bekeerden en terug zouden keren naar hun eerste werken van het ijverig verkondigen van het Evangelie, Hij hun kandelaar zou wegnemen. De afvalligheid van de overgrote meerderheid van de Jeruzalemkerk in 135 n. Chr. (toen de tweede Joodse opstand tegen Rome totaal werd verpletterd) wordt in het algemeen genomen om het einde van het Efeze-tijdperk te markeren. Degenen die trouw bleven tijdens deze zware laatste dagen werden door de bredere kerk als “Nazarenen” (vgl. Handelingen 24:5) en ‘Ebionieten’ [armen] aangeduid. Zoals het tegenwoordig ook het geval is, bestond er naast de ware Kerk van God een grote verscheidenheid aan onafhankelijke groepen, die waarheid en dwaling in een grote diversiteit van ideeën vermengden. Deze groepen werden soms door de roomse kerk als mede-‘ketters’ op één hoop gegooid met de Nazarenen of Ebionieten.

De Kerk in Smyrna is de tweede van de zeven kerken [van Openbaring], die worden aangesproken. De apostel Johannes stierf in Efeze aan het einde van de eerste eeuw. De volgende trouwe leider in Klein-Azië was, zoals vermeld in het vorige hoofdstuk, Polycarpus, bisschop van Smyrna. Als jonge man was Polycarpus een persoonlijke discipel van Johannes geweest en had verschillende keren met hem het Pascha gehouden. Polycarpus werd bekend tijdens de eerste decennia van de tweede eeuw. De kerken onder zijn leiderschap behoorden tot de weinige plaatsen waar Gods Feesten gedurende de rest van de tweede eeuw bleven gehouden worden. Op hoge leeftijd maakte Polycarpus zelfs een reis naar Rome om te proberen de bisschop van Rome, Anicetus, te overtuigen van zijn dwalingen in het houden van een jaarlijkse paaszondagviering en een wekelijkse viering van de ‘eucharistie’ in plaats van de Bijbelse Paschadatum in acht te nemen.

In de laatste decennia van de tweede eeuw kwam Polycrates naar voren, een trouwe kerkleider die door Polycarpus persoonlijk was opgeleid. Hij bleef de enige Christelijke leider van betekenis die trouw was aan het voorbeeld van de apostelen van de Kerk van God in Jeruzalem. Polycrates onderwees het ware Evangelie van de letterlijke vestiging van het Koninkrijk van God op aarde, de onbewuste toestand van de doden die op de opstanding wachten, het belang van het houden van Gods wet en het houden van de Bijbelse Feesten.

Tegen het einde van de tweede eeuw was Victor, bisschop van Rome, begonnen Polycrates en degenen die zijn leringen volgden te bestempelen als ketters – bronnen van tweedracht en scheuring in de kerk. Polycrates bleef trouw ondanks zowel toenemende druk en isolatie van zogenaamde medechristenen als vervolging en vijandigheid van de omringende heidense gemeenschap. Na zijn dood weten we echter niet van een andere sterke, bekende leider onder die trouwe kerken in Klein-Azië.

In de beleving van het publiek verloren ware christenen terrein aan de veel populairdere en meer meegaande roomse kerk. Hun aantallen slonken en zij raakten in toenemende mate geïsoleerd. Veracht en bestempeld als ‘Ebionieten’ door de heersende kerk moesten individuen en groepen families die trouw bleven gedwongen verhuizen naar meer afgelegen gebieden van Klein-Azië.

Zelfs al aan het einde van de eerste eeuw werden er ware christenen uit de gemeenten gezet, die geleid werden door afvallige leiders (3 Johannes 9-10). Aan het begin van de tweede eeuw werden anderen, zoals het trouwe overblijfsel, die ‘nieuwe waarheid’ weigerden te accepteren van bisschop Marcus van Jeruzalem, gedwongen om zich terug te trekken uit gemeenten waarvan zij leden waren geweest. Dit gebeurde toen ontrouwe leiders de zichtbare kerk steeds verder van het rechte spoor brachten.

De grootste beproeving van het Smyrna-tijdperk lag op twee gebieden. De eerste was hun vermogen om onderscheid te maken tussen de voortzetting van de ware Kerk van God en wat in werkelijkheid de opkomende synagoge van Satan was. De andere lag in hun bereidheid om vervolging en zelfs de dood te ondergaan teneinde trouw te blijven aan God (Openbaring 2:9-10).

Fysiek waren de christenen uit dit tijdperk verarmd en werden vervolgd. Zij werden als ketters verworpen door de snelgroeiende ‘orthodoxe’ beweging, door de Joden bestempeld als afvalligen van de synagoge en door de omringende heidense Romeinse gemeenschap met minachting en achterdocht bekeken. Naar Gods oordeel, echter, werden degenen, die in deze verschrikkelijke tijd trouw bleven, beschouwd als mensen die geestelijke rijkdom van grote waarde hadden en uiteindelijk een kroon van het leven zullen ontvangen (Openbaring 2:9-10).

Nadat Constantijn begon met de systematische handhaving van het volgen van de roomse theologie in 325 n. Chr. , was het overblijfsel van de ware Kerk grotendeels gedwongen om over de grenzen van het Romeinse Rijk te vluchten naar de bergen van Armenië, en later naar de Balkan gebieden van Europa. Zij waren klein in aantal en het ontbrak hun volkomen aan aanzien of rijkdom en zij werden bestempeld als vijanden van de staat door een zogenaamd ‘christelijk’ Romeins Rijk.

In Gods ogen waren zij echter kostbaar. Het was niet Gods bedoeling dat Zijn ware Kerk uitgroeide tot een grote, machtige organisatie die de wereld zou christianiseren. Zijn ware Kerk zou een “kleine kudde” (Lukas 12:32) blijven. Haar continuïteit zou afgemeten worden, niet aan een opeenvolging van trotse, machtige bisschoppen die in een bepaalde stad de leiding hadden (vgl. Hebreeën 13:14), maar aan een opeenvolging van trouwe, bekeerde mensen die, hoewel verspreid en vervolgd, de Vader bleven aanbidden in geest en waarheid (Johannes 4:23-24).

Er zouden tijden komen dat God trouwe leiders zou doen opstaan om Zijn volk nieuw leven in te blazen en een soort Werk te doen dat algemeen zichtbaar was, tenminste op lokaal niveau. Er waren andere tijden dat Gods Kerk bleef bestaan, zo verspreid en zo onbekend dat zij slechts zichtbaar was voor God. Toch stierf zij nooit uit.

 

Hoofdstuk 3

De kerk in de woestijn

In de nasleep van het Concilie van Nicea probeerden keizer Constantijn en zijn opvolgers alle zich niet conformerende takken van het christendom uit te roeien. Groepen die weigerden zich te conformeren aan de leringen en praktijken van de ‘gevestigde’ kerk, die zichzelf nu de katholieke (universele) kerk van God noemde, werden niet alleen gezien als ketters, maar als ondermijnende vijanden van de Romeinse staat.

De ware Kerk, in Openbaring 12 gesymboliseerd als een vrouw, werd gedwongen naar de woestijn te vluchten voor 1.260 “dagen”. In Bijbelprofetie staat een “dag” vaak voor een jaar (Numeri 14:34; Ezechiël 4:6). De ware Kerk moest dus ondergedoken blijven voor 1260 jaren na het Concilie van Nicea. Dat is historisch ook wat er gebeurd is. Hoewel dit werkelijk donkere eeuwen waren, was er een licht dat bleef branden. Zijn vlam flakkerde soms, maar werd nooit uitgedoofd.

Elke kerkgeleerde of historicus die de omzwervingen van de ware Kerk tijdens deze 1260-jarige periode probeert na te trekken, wordt met diverse problemen geconfronteerd. Dit komt vanwege het feit dat de geschiedenis van de ware Kerk niet gaat over één permanente menselijke organisatie. De bewaarde geschiedenis van de Sabbat houdende Kerk van God is bijna geheel geschreven door haar vijanden die haar als ketters zagen. Wij lezen over groepen die door vijandige buitenstaanders werden bestempeld met namen zoals Pauliciërs, Bogomielen en Waldenzen – waarvan kleinere of grotere segmenten, op verschillende tijden, ware christenen blijken te zijn geweest naar de vorm van de Jeruzalem-Kerk van de eerste eeuw. Een andere moeilijkheid is dat de leerstellingen van elk van deze groepen na een tijd veranderden en in het algemeen meer begonnen te lijken op die van hun katholieke en protestantse buren.

Wij zien ook dat schrijvers vaak diverse groepen ‘ketters’ op één hoop gooiden, inclusief de ware Kerk, onder dezelfde naam en niet echt de verschillen in hun leerstellingen onderscheidden. De grote moeilijkheid in de kerkgeschiedenis is dus niet eenvoudig het identificeren van wie wat onderwees, maar te herkennen wanneer een kerk ophield een deel van de ware Kerk te zijn, en wanneer God die ware Kerk naar een andere plaats verhuisde.

De Kerk vlucht naar de woestijn

Gedurende de eerste drie eeuwen van haar bestaan maakte de Kerk van God terugkerende perioden van wrede vervolging mee. In die tijden werd zij er niet afzonderlijk uitgepikt, maar werd in het algemeen over één kam geschoren met de Joden en een grote verscheidenheid aan Christus-belijdende sekten. Die vervolgingen waren van beperkte duur en op lokaal niveau. De Romeinse keizer Diocletianus, van 303 tot 313 n. Chr. ontketende de ergste vervolgingen van voor het Concilie van Nicea. Dit zijn de “tien dagen” waar in Openbaring 2:10 naar verwezen wordt.

Toen Constantijn zijn macht in het Rijk stabiliseerde veranderden de dingen aanzienlijk. Gibbon zegt ons dat Constantijns religieuze toewijding “in het bijzonder gericht was op de genius van de Zon . . . en hij was verheugd om met de symbolen van de God van Licht en Poëzie afgebeeld te worden. De niet aflatende lichtbundels van die godheid, zijn stralende ogen . . . lijken hem aan te wijzen als de beschermheer van een jonge held. De altaren van Apollo werden gekroond met gewijde offers van Constantijn; en de goedgelovige massa werd geleerd te geloven dat het de keizer toegestaan was om met sterfelijke ogen de zichtbare majesteit van hun beschermgod te aanschouwen. . . . De zon werd wereldwijd plechtig bezien als de onoverwinnelijke gids en beschermer van Constantijn” (The Triumph of Christendom [De triomf van het christendom], p. 309).

Vier jaar voorafgaand aan het Concilie van Nicea vaardigde Constantijn een wet uit voor het Romeinse Rijk die verstrekkende gevolgen voor Gods volk zou hebben. “De vroegste erkenning van de inachtneming van de zondag als een wettelijke verplichting is een grondwet van Constantijn in 321 n. Chr., die bepaalde dat alle gerechtshoven, inwoners van steden en werkplaatsen op zondag moesten rusten (venerabili die solis, d.w.z. eerbiedwaardige dag van de zon). . . . Dit was de eerste van een lange serie keizerlijke grondwetten, waarvan de meeste opgenomen zijn in de Codex Justinianus.” Ongeveer 40 jaar later volgde de katholieke kerk deze keizerlijke verordening op met “canon [29] van het Concilie van Laodicea [363 n. Chr.], die christenen verbood te judaïseren en op de Sabbatdag te rusten, en hen eigenlijk voorschreef op die dag te werken” (Encyclopaedia Britannica, 11e ed., “Sunday”).

Het feit alleen al dat de roomse kerk het later in de vierde eeuw nodig vond om wetten te maken tegen de Sabbatsviering laat zien dat er trouwe mensen overgebleven waren, in het bijzonder in Klein Azië, die vasthielden aan de Waarheid. Deze in toenemende mate machtige kerk stond erop dat alle mensen nu de ‘gechristianiseerde’ versie van de Romeinse zonaanbidding moesten accepteren. Degenen die weigerden waren eenvoudig te identificeren en konden niet langer functioneren als zij in de stedelijke gebieden van het Romeinse Rijk bleven. Als gevolg daarvan verdwenen de christenen die in de vierde eeuw als Nazarenen bestempeld werden uit de dichtbevolkte gebieden van Klein-Azië. Drie eeuwen lang had het overblijfsel van de ware Kerk daar vertoefd, maar door het van kracht worden van deze Zondags wet door Constantijn werden zij gedwongen te vluchten. De katholieke historicus Epifanius uit de vierde eeuw beschrijft deze mensen die verschilden “van de Joden en [katholieke] christenen: met de Joden zijn zij het niet eens vanwege hun geloof in Christus en met de [katholieke] christenen omdat zij opgeleid zijn in de wet. . . . Deze ketterij van de Nazarenen bestaat in Beroea in de omgeving van Coele Syria en de Decapolis in de omgeving van Pella. . . . Van daaruit was het begonnen na de exodus uit Jeruzalem, toen alle discipelen in Pella gingen wonen” (Ray Pritz, Nazarene Jewish Christianity [Nazareens joods christendom], p. 34).

De ‘Pauliciërs’ doemen op in Armenië

In de vijfde eeuw kwam de Kerk tevoorschijn in de afgelegen gebieden van oostelijk Klein-Azië vlakbij de rivier de Eufraat en in de bergen van Armenië. Deze mensen werden door hun tijdgenoten bestempeld als ‘Pauliciërs’. Wie waren zij?

Volgens de Armeense wetenschapper Nina Garsoian in The Paulician Heresy [de Paulicische ketterij]: “Het zou dan blijken dat de Pauliciërs beschouwd dienen te worden als het overblijfsel van de vroege vorm van het christendom in Armenië” (p. 227). De schrijver verklaart ook dat de Pauliciërs ervan “beschuldigd werden erger te zijn dan andere sekten vanwege het toevoegen van judaïsme” (p. 213).

De boodschap van Christus aan deze derde fase van Gods Kerk (Pauliciërs) wordt gekarakteriseerd door de Kerk in Pergamus (Openbaring 2:12-17). Het woord Pergamus betekent ‘versterkt’ en de Kerkleden van dit tijdperk waren bekend vanwege hun verblijf in afgelegen, bergachtige gebieden. In Openbaring 2:13 zei Christus over de Pergamus-Kerk dat zij wonen waar Satans troon is. Pergamum was een centrum van de oude Babylonische mysteriereligie. In 133 v. Chr. stierf Attalus III, de laatste ‘god-koning’ van Pergamum en liet in zijn testament zijn koninkrijk en zijn titel Pontifex Maximus (‘Hoogste Bruggenbrouwer’ tussen de mens en God) aan de Romeinen na. De Romeinse heersers namen de titel aan en hielden deze totdat keizer Gratianus deze in 378 n. Chr. verleende aan paus Damascus. De katholieke pausen blijven tot op de dag van vandaag deze titel gebruiken. Ook wordt met de term de ‘troon van Satan’ historisch gezinspeeld op het oude koninkrijk van Nimrod waar in het verre verleden Armenië en de Opper-Eufraat toe behoorden (Genesis 10). De Pergamus-Kerk, de Pauliciërs, vestigden zich in datzelfde gebied nadat Constantijn de zondagsviering aan het Romeinse Rijk oplegde.

Tot de vijfde eeuw terug zien wij de Pauliciërs als ketters verworpen worden in katholieke documenten. Hoe dan ook, de eerste prominente leider onder hen, met wiens naam wij bekend zijn, is Constantijn van Mananali (ca. 620-681 n. Chr. ). In ongeveer 654 n. Chr. begon hij te prediken om te helpen de Kerk nieuw leven in te blazen. Voorafgaand aan zijn bediening bestond het grootste deel van de Kerkleden uit afstammelingen van christenen die meer dan twee eeuwen eerder uit Griekenland en Klein Azië waren gevlucht. Zij hadden de namen van hun originele gemeenten behouden en bleven naar zichzelf verwijzen als de ‘Kerk van Efeze’ of de ‘Kerk van Macedonië’, alhoewel zij zich honderden kilometers van de originele plaatsen bevonden.

In 681 n. Chr. werd Constantijn van Mananali terechtgesteld door Byzantijnse (Oost- Romeinse) soldaten onder bevel van een officier, Simeon genaamd. Danig overweldigd door het voorbeeld en de leringen van Constantijn, keerde deze Simeon in 684 n. Chr. terug, niet als een Romeins soldaat, maar als een bekeerling. Simeon werd een ijverige Paulicische prediker en stierf drie jaar later in 687 n. Chr. op zijn beurt de marteldood.

In 1828 werd in Armenië het manuscript van een oud boek getiteld The Key of Truth [De sleutel van de Waarheid] ontdekt. Het boek, waarvan delen uit 800 n. Chr. dateren, verschaft ons de belangrijkste bijzonderheden over de leringen van de Pauliciërs. Vertaald in het Engels door Fred Coneybeare rond 1900, weten we eruit dat de Pauliciërs het gebruik van het kruis in eredienst en religieuze kunst meden en het een ‘vervloekt hulpmiddel’ noemden. Zij veroordeelden oorlogvoering en vierden het Pascha op de veertiende dag van de eerste maand van de heilige kalender. De Pauliciërs verwierpen de aanspraak van de rooms-katholieke kerk de Kerk van God te zijn, en zij betwistten de pauselijke aanspraken op ‘apostolische opvolging’ . Zij beschouwden de Drie-eenheid, vagevuur en tussenkomst van de heiligen als on-Bijbels.

In de introductie van zijn Engelse vertaling van The Key of Truth, verschaft Coneybeare historische achtergrond van onschatbare waarde over de praktijken van de vroege Pauliciërs. “Wij weten ook van een notitie, die in Ananias van Shirak bewaard is gebleven, dat de Pauliciërs, die dezelfde mensen waren van een vroegere datum, Quartodecimani waren en op de primitieve manier Pasen hielden op de joodse datum. De taal van John van Otzun impliceert wellicht dat de gelovigen van weleer in Armenië tijdens de zevende eeuw Quartodecimani waren, zoals wij van hen zouden verwachten” (Coneybeare, intro., clii). Coneybeare verklaart verder: “De Sabbat werd mogelijk gehouden en er waren geen speciale zondagsvieringen” (p., cxiii). Hij gaat door met te zeggen over de Pauliciërs dat “zij waarschijnlijk het overblijfsel waren van een oude joods-christelijke kerk die zich noordelijk had verspreid via Edessa naar Siuniq en Albanië” (p., clxii).

Op een bepaald moment in hun geschiedenis lieten vele Pauliciërs zich echter verleiden tot een fatale vergissing. Zij redeneerden dat zij zich uiterlijk konden aanpassen aan vele praktijken van de katholieke kerk om vervolging te vermijden, zo lang zij in hun hart beter wisten. Deze weg van water bij de wijn doen had als gevolg, dat velen hun kinderen lieten dopen en dat anderen de mis bijwoonden. Christus profeteerde hierover en waarschuwde de Kerk in Pergamus voor degenen die zich hielden aan heidense, immorele doctrines (Openbaring 2:14-15). Het gevolg van hun compromissen was dat Christus toestond dat er zware vervolging over hen kwam. Toen de vervolging kwam besloten enige van de belaagde Pauliciërs dat de oplossing voor hun probleem lag in het sluiten van een verdrag met de moslim Arabieren die op dat moment serieuze aanvallen deden op het Byzantijnse Rijk. Tegenstellingen onder de Pauliciërs in deze jaren waren de oorzaak van verschillende afsplitsingen in de groep.

Vóór 800 n. Chr. kwam een leidende Kerkpersoonlijkheid, een man Baanes genaamd, aan de leiding bij de Pauliciërs in Armenië en verbreidde een leer van militaire vergelding. Kort daarna werd een andere dienaar bij de Pauliciërs, Sergius genaamd, prominent. Omdat Sergius oorlogvoering verwierp en het oneens was met de positie die Baanes had ingenomen, werd hij beschuldigd van het veroorzaken van scheuring binnen de groep. Maar ondanks de moeilijkheden duurde het dienaarschap van Sergius meer dan 30 jaar. Na zijn dood begonnen de meeste van zijn volgelingen echter eveneens deel te nemen aan oorlogvoering.

De opkomst van de Bogomielen

In de achtste en negende eeuw werden vele Armeense Pauliciërs door Byzantijnse keizers gedwongen om naar de Balkan te verhuizen. Zij werden daar als bolwerk tegen de binnenvallende Bulgaarse stammen geplaatst. Op hun nieuwe plek in de Balkan kregen de Pauliciërs de naam Bogomielen.

Wat onderwezen deze Bogomielen? “Alleen volwassen mannen en vrouwen kwamen in aanmerking voor de doop . . . beelden en kruisen waren afgoden” (Encyclopaedia Britannica, 11e ed. , “Bogomils”). Zij onderwezen ook dat bidden thuis moest gebeuren, niet in afzonderlijke gebouwen zoals kerken. Zij onderwezen dat de gemeente bestond uit de ‘uitverkorenen’ en dat elke persoon de volmaaktheid van Christus moest trachten te bereiken. Er wordt gezegd dat hun bediening zich bezighield met het genezen van zieken en het uitwerpen van demonen.

In de tiende en elfde eeuw verspreidden vele Bogomielen zich westwaarts en vestigden zich in Servië. Later, aan het einde van de twaalfde eeuw, namen grote aantallen hun toevlucht in Bosnië. Deze Bogomielen vormden “slechts één versie van een groep van verwante afvallige sekten die gedurende de middeleeuwen over heel Klein-Azië en Zuid-Europa opbloeiden onder tal van verschillende namen, waarvan de meest bekende de Patarenen, Katharen en Albigenzen zijn” (Encyclopaedia Britannica, 15e ed. , deel 29, p. 1098). Zij werden verworpen als ketters vanwege hun geloof dat “de wereld wordt geregeerd door twee principes, goed en kwaad en menselijke aangelegenheden gevormd worden door het conflict tussen deze; de hele zichtbare wereld is aan Satan overgegeven” (Encyclopaedia Britannica, p. 1098). Vanuit hun basis op de Balkan reikte de invloed van de Bogomielen, in eerste instantie gevoed door een handelsnetwerk, tot in Piedmont in Italië en het zuiden van Frankrijk. Tegen de tijd dat de Ottomaanse Turken aan de macht kwamen in Bosnië hadden de zaden van de Waarheid zich verspreid naar de gebieden van Piedmont, de Provence en de Alpen van Europa.

De Katharen en de Waldenzen

In het begin van de twaalfde eeuw kwam er met de oprichting van de volgende fase van de Kerk, onder het leiderschap van Peter de Bruys, in het zuidoosten van Frankrijk een opleving van de Waarheid. Dit stadium in de kerkgeschiedenis wordt gekarakteriseerd door de Kerk in Thyatira in Openbaring 2. De Piedmont valleien van zuidoost Frankrijk werden door Paus Urbanus II in 1096 beschreven als zijnde ‘vergeven van ketterij’. Het was uit een van deze valleien, de Vallei van Louise, dat Peter de Bruys in 1104 naar voren kwam en bekering begon te prediken. Aanvankelijk verwierf hij vele volgelingen onder de Katharen en later onder het grote publiek.

De Katharen (wat ‘puriteinen’ of ‘reinen’ betekent) onder wie De Bruys oorspronkelijk predikte, waren een overblijfsel van vroegere Bogomielen kolonies. Tegen deze tijd hadden de meeste echter diverse nieuwe en vreemde doctrines geaccepteerd en waren behoorlijk verdeeld onder elkaar. Zijn prediking en die van zijn opvolgers hadden een opgeleefde Kerk tot gevolg gedurende de eerste helft van de twaalfde eeuw in de valleien van het zuidoosten van Frankrijk. De Bruys verklaarde het christendom te herstellen naar zijn originele zuiverheid. Aan het einde van een dienaarschap van ongeveer 20 jaar werd hij op de brandstapel verbrand. Snel na elkaar na hem rees de ster van twee andere sterke dienaren, Arnold en Henri.

Na de dood van Henri in 1149 kwijnde de Kerk weg en leek van het toneel te verdwijnen. Een paar jaar later werd een rijke koopman in Lyon, Petrus Waldo, neergeslagen door een ongewone omstandigheid en begon in 1161 het Evangelie te prediken. Nadat hij, gechoqueerd door het plotseling overlijden van een goede vriend, nadacht over de ware betekenis van het leven, bemachtigde Waldo een kopie van de Bijbel en begon Gods Woord te bestuderen. Hij was spoedig verbaasd te ontdekken dat de Bijbel het tegenovergestelde onderwees van veel van wat hij tijdens zijn katholieke opvoeding geleerd had.

Historicus Peter Allix citeert uit een oud waldenzisch document, The Noble Lesson [De nobele les], en zegt ons: “De schrijver die in de veronderstelling was dat de wereld tot een einde kwam, riep zijn broeders op tot gebed, tot waakzaamheid. . . . Hij herhaalt de verschillende artikelen van de wet, niet vergetend hetwelk gaat over afgodenverering” (Ecclesiastical History of Ancient Churches of Piedmont [Kerkelijke geschiedenis van oude kerken van Piedmont], pp. 231, 236-237).

Ergens anders schrijft Allix, dat de waldenzische leiders “beweren dat zij de opvolgers zijn van de apostelen, apostolische autoriteit, en de sleutels van binden en ontbinden hebben. Zij beschouwen de kerk van Rome als de hoer van Babylon” (Ecclesiastical History [Kerkelijke Geschiedenis], p. 175).

Petrus Waldo maakte Lyon in Frankrijk tot centrum van zijn prediking van 1161 tot 1180 . Daarna verhuisde hij vanwege vervolging naar het noorden van Italië. Van ongeveer 1210 tot aan zijn dood zeven jaar later, besteedde Waldo zijn tijd aan de prediking in Bohemen en Duitsland. “Evenals St. Franciscus [van Assisi] leidde Waldo een leven van armoede, zodat hij vrij was om te prediken, maar met dit verschil, dat de Waldenzen de leer van Christus predikten, terwijl de Franciscanen de persoon van Christus predikten” (Encyclopaedia Britannica, 11e ed.).

Wat waren sommige van de andere leringen, die door de Waldenzen onderwezen werden? Is er bewijs dat de vroege Waldenzen de Sabbat hielden? Een van de namen, waardoor zij heel vroeger bekend waren, was die van Sabbatati! In zijn werk uit 1873, History of the Sabbath [Geschiedenis van de Sabbat], citeert historicus J.N. Andrews uit een vroeger werk van de Zwitserse calvinistische historicus Goldastus, geschreven in ongeveer 1600 . Sprekend over de Waldenzen schreef Goldastus: “Insabbatati [werden zij genoemd], niet omdat zij besneden waren, maar omdat zij de joodse Sabbat hielden” (Andrews, p. 410). Andrews verwijst verder naar het getuigenis van aartsbisschop Ussher (1581-1656 ) die erkende “dat velen begrepen dat zij [de namen Sabbatati of Insabbatati ] werden gegeven aan hen [Waldenzen], omdat zij op de Joodse Sabbat een eredienst hielden” (pag. 410). Klaarblijkelijk waren zelfs bekende protestantse geleerden aan het einde van de middeleeuwen bereid te erkennen dat vele Waldenzen de zevendedags Sabbat hadden gevierd.

In zijn werk uit 1845 The History of the Christian Church [De geschiedenis van de christelijke kerk], schreef William Jones:

Onderzoekers maakten een verslag voor Louis XII [die regeerde van 1498-1516 ], koning van Frankrijk, dat zij alle parochies hadden bezocht waar de Waldenzen woonden. Zij hadden al hun plaatsen van eredienst geïnspecteerd . . . maar zij vonden geen beelden, geen teken van de voorschriften die bij de mis hoorden, noch van enig sacrament van de Roomse kerk. . . . Zij hielden de Sabbatdag, zij hielden zich aan het voorschrift van de doop volgens de oorspronkelijke Kerk, onderwezen hun kinderen de artikelen van het christelijk geloof en de geboden van God. . . .

De Waldenzen konden een groot gedeelte van het Oude en het Nieuwe Testament uit het hoofd opzeggen. Zij verachten de uitspraken en verklaringen van heilige mannen [Rooms-katholieke kerkvaders], en zij pleiten alleen voor het testen van de Bijbel. . . .De tradities van de [Roomse] kerk zijn niet beter dan de tradities van de farizeeën en dat een grotere nadruk [door Rome] wordt gelegd op de inachtneming van menselijke traditie dan op het houden van Gods wet. Zij verachten Pasen [het feest van de opstanding van Christus op zondag, red.] en alle andere Roomse feesten van Christus en de heiligen” (A Handbook of Church History [Een handboek van kerkgeschiedenis], p. 234, 236-237).

Nog meer compromissen sluiten

Er was echter een serieus probleem dat de meeste waldenzische groepen tijdens de latere middeleeuwen trof, net zoals het de Pauliciërs last had veroorzaakt. Het was de tendens van velen om katholieke priesters toe te staan hun kinderen te ‘dopen’ evenals hun bereidheid om deel te nemen aan katholieke erediensten. In de wetenschap dat dergelijke ceremoniën nutteloos waren om behoud te verkrijgen, dachten velen dat uiterlijke overeenstemming met Rome vervolging zou vermijden en hen in staat zou stellen om in beslotenheid de Waarheid te praktiseren. Deze tendens was geprofeteerd voor de Kerk in Thyatira in Openbaring 2:20-24. Vanuit Gods standpunt stond wat zij deden gelijk met geestelijk overspel en was het deelnemen aan de katholieke communie ‘het eten van dingen die aan afgoden geofferd waren’[vgl. 1 Kor. 8].

Wat gebeurde er met de Waldenzen? “De Waldenzen verdwenen langzaam uit de belangrijkste bevolkingscentra en zochten hun toevlucht in de afgelegen dalen van de Alpen. Daar, in de schuilhoeken van Piedmont . . . werd een nederzetting van de Waldenzen gevestigd die haar naam aan deze valleien van Vaudois gaf. . . . Soms werden er pogingen gedaan om de sekte van de Vaudois te onderdrukken, maar de natuur van het land dat zij bewoonden, hun onbekendheid en hun isolement maakte de moeite van de pogingen om hen te onderdrukken groter dan de voordelen die eruit te behalen waren” (Encyclopaedia Britannica, 11e ed. , “Waldenses”).

In 1487 vaardigde paus Innocentius VIII een bul uit waarin hun uitroeiing vereist werd en werd er een serieuze aanval gedaan op hun vesting. Een mist die neerdaalde en de katholieke legers omsloot redde de Waldenzen van totale vernietiging. De meesten waren echter eenvoudigweg uitgeput en waren in een geest van compromissen sluiten vervallen. Toen de Reformatie een paar jaar later begon, zond de waldenzische leiding afgezanten naar de Lutherse kerk. “Zo,” zoals de Encyclopaedia Britannica schrijft, “hielden de Vaudois op overblijfselen uit het verleden te zijn en werden zij opgenomen in de algemene beweging van het protestantisme.”

Toen totale afval aan het einde van de jaren 1500 de meeste overgeblevenen van de Waldenzen opslokte, bewaarde God een trouw overblijfsel. Individuen die de vruchten waren van de laatste zeven jaren van Waldo’s bediening, waren in de dertiende eeuw bekeerd in Bohemen en Duitsland. In afgelegen gebieden van het Karpatische berggebied van Midden- en Oost-Europa overleefden individuen en kleine groepen. In feite heeft een trouw overblijfsel in afzondering in die gebieden overleefd tot de huidige tijd (vgl. Openbaring 2:24-25).

Toen de zeventiende eeuw naderde, was het volgende tijdperk van Gods Kerk klaar om op het toneel te verschijnen. Overgeblevenen van de Duitse Waldenzen, soms door buitenstaanders Lollarden genoemd, waren al vroeg in de veertiende en vijftiende eeuw doorgedrongen tot in Holland en Engeland. Het was echter pas in de laatste tientallen jaren van de zestiende eeuw dat de Kerk kon beginnen openlijk naar voren te komen in Duitsland en Engeland.

 

Hoofdstuk 4

Wortel schieten in een nieuwe wereld

Wat gebeurde er met de Kerk die Jezus stichtte? Ze handhaafde zich en overleefde tegen alle verwachtingen in! De mannen en vrouwen die de geestelijke voorouders van Gods volk van vandaag waren, waren een toonbeeld van geloof en moed. Keer op keer moesten zij door de eeuwen heen verhuizen om zich te verwijderen van vervolging van buitenaf of interne afval en compromissen. Op die momenten, wanneer het erop leek dat de vlam van Gods Waarheid zeer zwak flakkerde, deed Christus altijd een andere trouwe leider opstaan om Zijn volk te verzamelen en het Werk van God nieuw leven in te blazen.

Aan het einde van de jaren 1500 waren er gemeenten die door de wereld bestempeld werden als ‘Sabbatarische Anabaptisten’ voortgekomen uit hen die overgebleven waren van de Waldenzen en aan het groeien waren in Centraal-Europa, Duitsland en Engeland. Zij werden Sabbatariërs of Sabbatisten genoemd omdat zij de Sabbat van de zevende dag onderwezen en hielden. Zij werden anabaptisten genoemd, wat ‘herdopers’ betekent, omdat zij weigerden degenen die als baby’s slechts besprenkeld waren als christenen aan te nemen. Zij onderwezen dat de doop alleen voor volwassenen was die het Evangelie waren gaan geloven en zich van hun zonden bekeerd hadden (vgl. Handelingen 2:38).

Het verhaal van de ‘anabaptisten’

Er waren onder hen opmerkelijke mannen zoals Oswald Glaidt, Andreas Fischer en Andreas Eossi. Hun bedieningsgebied lag voornamelijk in Duitsland, Polen, Hongarije en delen van wat later bekend werd als Tsjechoslowakije en Roemenië. Deze mannen onderwezen gehoorzaamheid aan de Sabbat en de Heilige Dagen alsook de afwijzing van de kinderdoop en de Drie-eenheid. God gebruikte hen om het trouwe overblijfsel te versterken en een getuigenis van de Waarheid te geven waar de turbulente protestantse Reformatie zich uitbreidde over hetzelfde gebied.

Glaidt en Fischer ontmoetten elkaar tijdens een reis stroomopwaarts op de Donau rivier in 1527. Zij schreven beiden boeken ter verdediging van de Sabbat. In antwoord op degenen die hem beschuldigden van het trachten behoud te verdienen, omdat hij onderwees dat gehoorzaamheid aan de Tien Geboden noodzakelijk was, antwoordde Glaidt: “De morele wet zegt: ‘U zult niet doodslaan’ [“murder” [moorden], NKJV], en toch zal niemand in ernst bepleiten dat dit niet langer van kracht is, noch zal iemand bepleiten dat het afzien van moord een poging is om behoud te verkrijgen op basis van ‘werken’” (Daniel Liechty, Sabbatarianism in the Sixteenth Century [Sabbatisme in de zestiende eeuw], p. 31). Glaidt werd in 1546 in Wenen terechtgesteld. Kort voor zijn dood zei hij tegen zijn aanklagers: “Zelfs al verdrinken jullie mij, zal ik God en Zijn Waarheid niet verloochenen. Christus stierf voor mij en ik zal Hem blijven volgen en zou voor Zijn Waarheid willen sterven voordat ik deze zou opgeven” (p. 35). Boeken en traktaten over de Sabbat en andere verwante onderwerpen werden in de late jaren van 1500 ook uitgegeven door Eossi, een Hongaar van adellijke afkomst.

Tegen het midden van de zeventiende eeuw werden overgebleven mensen van de Kerk in Centraal-Europa in toenemende mate vervolgd door een weer opkomende katholieke kerk die daar opnieuw gezag begon te krijgen na de onrust van de Reformatie. Ware christenen werden geconfronteerd met de keus tussen ernstige vervolging of emigratie naar een gebied dat grotere vrijheid bood om hun geloof te praktiseren. Het afgelegen Trans-Karpatische berggebied, dat reeds het woongebied was van overgebleven Waldenzen, werd een toevluchtsoord voor velen. In de achttiende eeuw migreerden de meeste van de weinig overgebleven Duitse Sabbatshouders naar Pennsylvania. Er was ook een aantal mensen dat weliswaar verbonden was met de ‘anabaptisten-beweging’, maar die andere protestantse leringen van de Reformatie erkenden. Daarvan stammen tegenwoordige groepen als de baptisten, mennonieten en de amish af.

Intussen waren overgeblevenen van de ware Kerk in Engeland gekomen. Het toneel was gereedgemaakt voor de vijfde fase in de geschiedenis van de Kerk van God, gekarakteriseerd door de Kerk in Sardis. Onze eerste duidelijke verslagen van Sabbat houdende kerkgemeenten in Engeland dateren van de tachtiger jaren van de zestiende eeuw. In het begin van de zeventiende eeuw werd er een publiek debat gevoerd over de vraag of de Bijbelse Sabbat nog steeds van kracht was of niet meer. Tijdens deze periode werden over het onderwerp van de wet van God en de Sabbat nogal wat boeken geschreven, die het veelal hebben overleefd.

John Traske was een van de eersten in Engeland die een boek publiceerde over de Sabbat. Toen hij rond 1618 schreef, werd hij gevangen genomen vanwege zijn inspanningen. Sommigen schrijven het stichten van de Mill Yard Kerk in Londen aan hem toe, de oudst bekende Sabbat houdende kerk die nog steeds bestaat en de moederkerk is van latere Sabbatarische kerken in Amerika. Hoewel sommige andere historici de stichting van Mill Yard in de vroege jaren tachtig van de zestiende eeuw dateren, ruimschoots vóór de tijd van Traske, heeft hij de Kerk zeker in de vroege jaren van de zeventiende eeuw als pastor gediend. Traske werd later gearresteerd en in de gevangenis gezet. Toen hij daar was schijnt hij zijn leringen te hebben herroepen teneinde vrijlating te verkrijgen, hoewel zijn vrouw weigerde dit te doen; zij bleef trouw aan de Waarheid en bracht de resterende 15 jaar van haar leven in de gevangenis door.

In 1661 werd John James, een andere dienaar van de Kerk van God in het gebied rond Londen, gearresteerd vanwege de prediking van de Waarheid. De auteur Ivor Fletcher schrijft in zijn boek The Incredible History of God’s True Church [De ongelofelijke geschiedenis van Gods ware Kerk]:

In zijn laatste woorden tot de rechtbank vroeg hij hun slechts de volgende Bijbelverzen te lezen: Jeremia 26:14-15 en Psalm 116:15. . . . na zijn terechtstelling werd zijn hart uit zijn lichaam genomen en verbrand, de vier delen van zijn gevierendeelde lichaam aan de poorten van de stad vastgehecht en zijn hoofd op een paal geplaatst in Whitechapel tegenover de steeg waar zijn ontmoetingshuis stond. Dat was de afschuwelijke prijs die sommigen bereid waren te betalen voor gehoorzaamheid aan God in het zeventiende-eeuwse Engeland” (p. 176).

Een andere opmerkelijke leider was Francis Bampfield, van wie een kopie van zijn autobiografie The Life of Shem Acher [Het leven van Shem Acher], bewaard is in de bibliotheek van het Brits Museum. Van 1662 tot aan zijn dood in 1683 bracht hij het grootste deel van zijn tijd door in de gevangenis of was hij op de vlucht voor de Engelse autoriteiten. Zelfs toen hij vastzat in de Dorchester gevangenis, stroomden de mensen daar samen om hem te horen prediken. Het was in deze tijd van vervolging dat er een gebeurtenis met verstrekkende gevolgen plaatsvond: Stephen Mumford en zijn vrouw, leden van de Kerk, verlieten Engeland voor de Nieuwe Wereld en kwamen in 1664 naar Rhode Island. In de beginjaren van de achttiende eeuw was de Kerk van God in Engeland praktisch dood. De meeste dienaren in die tijd traden, naast het prediken op de Sabbat, ook op als voorganger in zondagsdiensten van kerken om extra geld te verdienen. Het sluiten van compromissen eiste zijn tol.

De Kerk in vroeg Amerika

Bij aankomst in Rhode Island, de enige Amerikaanse kolonie die gegrondvest was op het principe van religieuze vrijheid, begonnen de Mumfords de bijeenkomsten van de baptisten in Newport bij te wonen. Zij hielden zich echter niet stil over hun geloof in de Sabbat. In 1665, in het eerste jaar van de aankomst van de Mumfords, begon Tacy Hubbard de Sabbat met hen te houden en werd de eerste bekeerling in Amerika. Kort daarna volgde haar man Samuel haar. In 1671 begon de eerste Sabbat houdende kerk in Amerika officieel met zeven leden. William Hiscox was de eerste pastor van de kerk en diende van 1671 tot zijn dood in 1704.

In 1708 werd een tweede kerk officieel opgericht in Westerly, Rhode Island (later Hopkinton hernoemd). In de hele achttiende eeuw schijnen Rhode Island, Pennsylvania en New Jersey de voornaamste gebieden van Sabbat houdende kerken te zijn geweest. In deze tijd immigreerden Duitse Sabbatshouders naar Pennsylvania. Peter Miller was de meest bekende dienaar van de Duitse Sabbatshouders in Pennsylvania en was een vriend van Benjamin Franklin.

De tijd van de Amerikaanse Revolutie was voor velen van Gods volk moeilijk. De geschiedenis van dat tijdperk laat ook zien hoe geestelijk dood velen van de dienaren en leden waren. Verschillende gemeenten waren zeer verdeeld over de kwestie van oorlogvoering en politieke betrokkenheid. Jacob Davis, pastor van de Kerk van God te Shrewsbury, New Jersey, sloot zich aan bij de Continentale legermacht als aalmoezenier. Vele leden volgden zijn voorbeeld en gingen ook in het leger. Eén lid, Simeon Maxson, liet krachtig zijn afkeuring blijken en bestempelde elk kerklid dat voor materiële oorlogvoering was als ‘kind van de duivel’. (Richard Nickels, Six Papers on the History of the Church of God [Zes verhandelingen over de geschiedenis van de Kerk van God], p. 60). Hij werd vanwege zijn standpunt uit de gemeente gezet.

Sabbatshouders in het gebied van Shrewsbury waren door de oorlog verarmd en verdeeld. Velen verplaatsten zich naar Pennsylvania na de Revolutie en de meesten van hen verhuisden vóór 1800 naar Salem, Virginia (later West-Virginia). Het gebied rond Salem werd één van de belangrijkste centra van Gods volk vanaf ongeveer 1800 tot in de twintigste eeuw. De geschiedenis van Gods volk in dit gebied is echter niet het verhaal van eenheid en van een groot werk dat gedaan werd. Het is voor de meerderheid het verhaal van verdeeldheid, afvalligheid en futloosheid – veel hiervan in de hand gewerkt door de invloed van de vooraanstaande familie Davis, die in de achttiende en negentiende eeuw vele leidinggevende dienaren voortbracht. Het merendeel van de broeders schijnt zo geestelijk dood te zijn geweest dat zij de afvallige dienaren blindelings volgden naar het protestantisme.

William Davis, in 1663 in Wales geboren, ging van de kerk van Engeland naar de quakers en werd daarna baptist. In 1706 aanvaardde hij de Sabbat en vroeg het lidmaatschap aan bij de Newport kerk, maar werd afgewezen omdat hij er verkeerde leerstellingen op nahield. Tenslotte werd hij in 1710 aangenomen als lid en kreeg hij in 1713 toestemming om te prediken en te dopen. Toch geloofde hij in de Drie-eenheid, de onsterfelijkheid van de ziel en in ‘naar de hemel gaan’ – totaal in tegenstelling met de doctrines die in die tijd door de Kerk onderwezen werden! Voor de rest van zijn leven was Davis afwisselend in en uit de gemeenschap van de Kerk. “Davis speelde een belangrijke rol in het vormgeven van de toekomst van Sabbatarische baptisten” (Nickels, p. 55).

In de vroegste dagen werd er geen speciale aandacht gegeven aan een officiële naam voor de Kerk. In hun correspondentie met elkaar verwezen de gemeenten naar zichzelf als ‘de Kerk van Christus die in Newport is’ of ‘de Kerk van God die in Piscataway verblijft’. De meeste leden noemden het eenvoudig ‘de Kerk’. Buitenstaanders verwezen naar hen als Sabbatariërs of Sabbatarische baptisten. Toen de Kerk in Newport in 1819 een officiële oorkonde van de staat ontving (zij was gesticht in 1671, maar wettelijke vereisten waren veranderd), werd ze geregistreerd onder de naam ‘Zevendedags Baptisten Kerk van Christus’.

In 1803 werd een algemene conferentie georganiseerd door acht Sabbat houdende gemeenten in het noordoosten teneinde hun evangelisatie-inspanningen te coördineren en samen te werken bij het publiceren van literatuur. In 1805 namen zij de naam “De Sabbatarische Algemene Conferentie” aan. In de loop van 1818 werd de naam veranderd in Zevendedags Baptisten Algemene Conferentie en was de organisatie gegroeid door ook Sabbat houdende congregaties buiten het noordoosten op te nemen.

De Kerk onderging vele veranderingen. Wij kunnen een ontwikkeling waarnemen van niet de Drie-eenheid belijdend tot het wel aanhangen hiervan, een positie die werd verdedigd door de familie Davis en anderen. Een verklaring geschreven in 1811 handhaafde de traditionele leer van de Kerk en noteert “dat Sabbatarische baptisten geloofden dat de Heilige Geest de actieve kracht of geest van God is. . . . Er zijn enigen . . . die geloven dat de Vader, Zoon en Heilige Geest drie absoluut onderscheiden personen zijn, gelijkwaardig . . . en toch één God” (Nickels, p. 91). Slechts 22 jaar later echter, was de officiële positie in de Expose of Sentiments [Ontmaskering van sentimenten] van 1833 geworden: “Wij geloven dat er een eenheid bestaat tussen de Vader, de Zoon en de Heilige Geest; en dat zij op dezelfde wijze goddelijk zijn en op dezelfde wijze recht hebben op onze aanbidding” (Nickels, p. 91). Zelfs nog in 1866 werd bevestigd dat sommige dienaren nog steeds een sterke afkeer hadden om het woord ‘Drie-eenheid’ te gebruiken.

In deze periode waren vele dienaren en leden zo ver van de Waarheid afgeweken dat zij nu louter protestanten waren die op zaterdag bijeenkwamen. De uitgave van The Westerly Sun krant van 18 november 1983 beschreef het jubileumfeest van de oudste Sabbat houdende kerk in de Verenigde Staten met deze krantenkop: “De Kerk zal 275 jaar getekend door verandering vieren”. Het artikel in de krant zei dat de “kerk dit weekeinde haar 275ste jubileum zal vieren – een periode die getekend is door verandering onder maatschappelijke druk, ondanks haar Sabbat houdende gewoonte”.

De veranderingen die hebben plaatsgevonden worden gekenmerkt door een aanhoudende verwatering van de Waarheid en een verschuiving naar het traditionele protestantisme. In feite zijn de Zevendedags Baptisten kerken in Rhode Island al lang geleden opgehouden onderdak te bieden aan de levende Kerk van God. Het zijn slechts oude gebouwen, musea vanwaar de Waarheid eens werd onderwezen en het Werk van God eens werd voortgezet. De gemeenten die daar nu samenkomen geloven in de Drie-eenheid, vieren Kerstmis en Pasen, en zijn zelfs teruggegaan tot het bouwen van kerktorens – uitgesproken heidense symbolen – op sommige oude gebouwen.

Terwijl het merendeel van de Sabbatshouders steeds verder van de Waarheid wegdreef, waren er individuele leden en gemeenten die trouw bleven. Wij treffen documenten aan uit het begin van de negentiende eeuw van de South Fork kerk in West-Virginia, die het Pascha vierde en onrein vlees vermeed. Deze kleine groep werd gedwongen zich terug te trekken uit “de Algemene Conferentie en alle andere Zevendedags Baptisten organisaties, vanwege doctrinaire verschillen” (Nickels, p. 68). Tegen de jaren zeventig van de negentiende eeuw verscheen een andere generatie op het toneel en aanvaardde uiteindelijk het merendeel van de South Fork kerk de Zevendedags Baptisten organisatie.

Een andere groep die zichzelf de Kerk van God in Wilbur noemde, werd in 1859 opgericht door Oudste J.W. Niles uit Pennsylvania. Deze bestond nog steeds in de jaren dertig van de twintigste eeuw en werd door Andrew Dugger in zijn boek A History of the True Religion [Een geschiedenis van de ware godsdienst], “de oudste nu nog functionerende ware Kerk van God in de staat West-Virginia” (p. 311) genoemd.

De adventistenbeweging

In de jaren dertig van de negentiende eeuw kwam er een beweging op onder protestantse kerken in westelijk New York die zich richtte op de terugkeer van Jezus Christus naar deze aarde, en op de vestiging van Zijn letterlijke Koninkrijk. Deze boodschap die voor het eerst krachtig verkondigd werd door William Miller was totaal verschillend van de geaccepteerde protestantse leer. Zijn leringen over profetie trokken veel belangstelling en wekten toenemende aandacht toen zijn voorspelde datum van 1844 voor de terugkeer van Christus naderde. Na wat ‘de grote teleurstelling’ genoemd werd, raakten deze protestantse adventisten in verwarring. Belachelijk gemaakt door gewone protestanten raakten sommigen verder gedesillusioneerd en gaven de godsdienst helemaal op. Anderen bleven de Bijbel onderzoeken om te zien waar zij fout waren gegaan.

Frederick Wheeler was een dienaar bij de methodisten in Washington, New Hampshire, die de boodschap van de adventisten over de tweede komst van Christus en de letterlijke vestiging van Zijn Koninkrijk had geaccepteerd. In het begin van 1844 ontving hij een bezoeker in zijn gemeente. Ene Rachel Oakes, een lid van een Zevendedags Baptistengemeente in Verona, New York, was haar dochter komen opzoeken.

Toen zij de heer Wheeler zijn gemeente hoorde oproepen God te gehoorzamen en in alles Zijn geboden te houden, confronteerde mevrouw Oakes hem na de dienst met de waarheid dat het houden van de Sabbat een wezenlijk onderdeel was van het gehoorzamen van Gods geboden. Van zijn stuk gebracht beloofde hij het onderwerp te bestuderen. Binnen enkele weken was hij overtuigd van de waarheid van de Sabbat en begon deze te verkondigen. De waarheid van de Sabbat verspreidde zich als een lopend vuurtje onder de gedesillusioneerde adventisten. Honderden anderen reageerden ook op de simpele waarheid van het ware Evangelie en van gehoorzaamheid aan alle geboden van God.

In de gemeenschap van deze vurige Sabbatarische adventisten kwam Roswell Cottrell, iemand die al lang dienaar en Sabbatshouder was. Zijn familie had tot de eerste leden van de Kerk van God in Rhode Island behoord, maar de familie Cottrell had zich vanwege de leer teruggetrokken uit de gemeenschap die toen de kerk van de Zevendedags Baptisten werd genoemd. Dit was in de tijd dat veranderingen als de Drie-eenheid en de onsterfelijkheid van de ziel werden aanvaard als officiële leer van de Zevendedags Baptisten. 15 jaar nadat hij in de gemeenschap van de Sabbatarische adventisten kwam, raakte hij opnieuw verwikkeld in onenigheid. Oudste James White, die naar voren was gekomen als de belangrijkste leider bij de Sabbat houdende Adventisten Kerken van God, drong aan op een organisatorische conferentie en een officiële naam: Zevende-dags Adventisten Kerk. Er waren er die deze verandering verwierpen als onbijbels en er ook tegen waren om geloof te hechten aan de visioenen van de vrouw van oudste White, Ellen G. White. Roswell Cottrell verwierp de organisatorische veranderingen van de heer White. Hij schreef in de Review and Herald van 3 mei 1860: “Ik geloof niet in papisme; noch geloof ik in anarchie; maar in Bijbelse orde, discipline en bestuur in de Kerk van God” (Nickels, p. 162).

Op een conferentie in Battle Creek, Michigan, in oktober 1860, verwierp de overgrote meerderheid van de aanwezigen de naam ‘Kerk van God’ en namen de naam Zevende-dags Adventisten aan als een naam die hun geloofsovertuigingen goed omschreef. Dit was de naam die door de Whites naar voren werd geschoven. De visioenen van mevrouw White werden in toenemende mate gepropageerd als nieuwe waarheid voor de Kerk.

Gedurende de jaren zestig van de negentiende eeuw werd de breuk tussen het merendeel dat de Whites volgde en het verstrooide overblijfsel dat dit niet deed, meer en meer doorslaggevend. Tijdens de Burgeroorlog namen leden van de Kerk van God een vastberaden standpunt in als gewetensbezwaarden, in tegenstelling tot de Zevende-dags Adventisten onder het leiderschap van de Whites. Een delegatie van de Kerk van God had een ontmoeting met president Abraham Lincoln in 1863 om de status van gewetensbezwaarde in te stellen voor de jonge mannen in de Kerk.

Een citaat uit een rondschrijven van broeders in Marion, Iowa, gepubliceerd in de uitgave van 7 september 1864 van The Hope of Israel [De Hoop van Israël], de publicatie van de Kerk, geeft een proefje van wat in die tijd gebeurde:

Op 10 juni 1860 hebben iets meer dan 50 van ons een vorm van kerkverbond aangenomen , opgesteld door [M.E. Cornell]. . . . Bijna anderhalf jaar daarna hield dezelfde boodschapper publiekelijk enkele andere boeken naast de Bijbel omhoog . . . en drong er bij ons op aan de leringen daarin ook te aanvaarden, als een regel van geloof en discipline. Een deel van ons voelde er niets voor deze nieuwe onderdelen binnen het systeem van onze Kerk te accepteren. . . . Het resultaat was dat ongeveer de helft van de Kerk besliste deze boeken als geldende heilige geschriften te accepteren, en van ons afhaakte, of liever gezegd ons afweerde en ons als rebellen wegzette. . . . Nu wij beschouwd worden als rebellen, verklaren wij vrijmoedig dat wij geen rebellen zijn. Wij hebben niet gerebelleerd tegen de grondwet die wij aanvaard hebben, want wij staan daar nog rotsvast achter . . . dus de beschuldiging van rebellie kaatst beschamend op hen terug, die deze gedaan hebben; zij zijn degenen die hun eerste positie verlaten hebben en een nieuwe hebben ingenomen (Robert Coulter, The Story of the Church of God Seventh Day [De historie van de Kerk van God Zevende Dag], p. 16).

In augustus 1863 werd in Michigan begonnen met het drukken van het kleine kerkblad, The Hope of Israel [De Hoop van Israël] genoemd. Het begon met minder dan veertig abonnees. In 1866 werd het verplaatst naar Marion, Iowa, en in 1888 verhuisde het opnieuw naar Stanberry, Missouri. Met de jaren onderging de krant diverse naamsveranderingen en werd ten slotte The Bible Advocate [De Bijbel Advocaat] genoemd.

Eén van de meest prominente figuren in de Kerk van God in deze periode was Jacob Brinkerhoff. Hij was redacteur van de krant van 1871 tot 1887 en opnieuw van 1907 tot 1914. In 1874 werd A. F. Dugger sr. uit Nebraska voltijds dienaar in de Kerk van God. Vanaf de jaren 1870 tot de jaren net voor de Eerste Wereldoorlog schreven de oudsten Brinkerhoff en Dugger vele artikelen die ertoe bijdroegen de leer in de Kerk te verhelderen en te verstevigen. Artikelen over profetie, rein en onrein voedsel, tienden betalen, de juiste viering van het Pascha en wat het betekent om ‘wedergeboren’ te worden, werden gedrukt.

Al in 1866 onderwezen artikelen over profetie dat de Joden teruggebracht zouden worden naar een thuisland in Palestina. Er werd enige waarheid hersteld en onderwezen, maar al met al waren de inspanningen van de Kerk zwak en werden er slechts kleine aantallen mensen bereikt, voornamelijk in de buitengebieden van het Middenwesten.

De fase van de Kerkgeschiedenis waarop wij ons in dit hoofdstuk hebben geconcentreerd wordt het beste omschreven door de boodschap van Christus aan de Kerk te Sardis in Openbaring 3:1-6. Aan deze Kerk werd gezegd dat, hoewel zij de naam had dat zij leefde, zij eigenlijk geestelijk dood was. “Wees waakzaam en versterk het overige dat dreigt te sterven . . .” (Openbaring 3:2). Hoewel deze Kerk als geheel geestelijk futloos of zelfs dood was, waren er enkelen onder hen, waarvan Christus zegt: “. . . die hun kleren niet bevlekt hebben, en zij zullen met Mij wandelen in witte kleren, omdat zij het waard zijn” (v 4).

 

Hoofdstuk 5

Scheuringen, afscheidingen en een nieuwe start

De twintigste eeuw was ongetwijfeld de tijd van de meest snelle verandering in de menselijke geschiedenis. De eeuw begon met paard en wagen als belangrijkste vervoermiddel en toch was binnen de eerste 70 jaar de mens naar de maan en terug gereisd! Deze eeuw zag twee grote wereldoorlogen en de introductie van massavernietigingswapens. Voor de eerste keer in de menselijke geschiedenis was het mogelijk om alle leven van deze planeet te vernietigen, precies zoals Jezus Christus voorspelde (Mattheüs 24:22).

Een andere profetie, die deze eindtijd op unieke wijze karakteriseert, is dat het ware Evangelie van Gods Koninkrijk in de hele wereld als een getuigenis gepredikt zal worden en dan het einde zal komen (v. 14).

Het eerste kwart van de twintigste eeuw

Aan het begin van de twintigste eeuw was de Kerk van God klein en verspreid met minder dan 1000 leden, voor het grootste deel gevestigd in het Amerikaanse Middenwesten. De Algemene Conferentie van de Kerk van God was in 1900 in de staat Missouri wettelijk erkend. Het nieuwsblad van de Kerk onderging in datzelfde jaar een naamsverandering en werd The Bible Advocate [De Bijbel-Advocaat].

In 1903 stierf op de leeftijd van 89 jaar Gilbert Cranmer, een dienaar sinds de jaren 1850 en een van de belangrijkste bouwers van de Kerk in de nasleep van de breuk in de jaren 1860 tussen de Zevende-dags Adventisten en de Kerk van God. In 1910 stierf ook Alexander Dugger die vanaf het begin had gediend als leider van de Algemene Conferentie en ook als redacteur van The Bible Advocate. Een derde trouwe pionier, Jacob Brinkerhoff, stierf in 1916. Hij had van tijd tot tijd van 1871 tot 1914 gediend als redacteur van de Advocate. De heer Brinkerhoff werd door velen beschouwd als de meest vooraanstaande leider van de Kerk in zijn tijd. “Jacob Brinkerhoff had de Kerk van God meer dan 40 jaar gediend. . . . In 1874 gebruikte Brinkerhoff zijn geld voor de koop van drukpersapparatuur voor de Advent en Sabbath Advocate in plaats van voor de koop van een huis. . . . Het lijkt er op dat hij eigenhandig de totale ineenstorting van het Werk had voorkomen” (Richard Nickels, History of the Seventh Day Church of God [Geschiedenis van de Zevendedags Kerk van God] p. 85).

Andrew N. Dugger, zoon van Alexander Dugger, begon zijn dienaarschap voor de Kerk van God in 1906. Toen Jacob Brinkerhoff het redacteurschap van The Bible Advocate in 1914 neerlegde, werd Andrew Dugger zowel president van de Algemene Conferentie als redacteur. “Tijdens zijn ambtsperiode als president en redacteur oefende Dugger veel invloed uit op de Kerk. In de vroege periode van Duggers leiderschap maakte de Kerk van God enkele van haar snelste en grootste groeiperiodes door ” (Coulter, pp. 41-42). Andrew Dugger behield het leiderschap van juni 1914 tot 1932.

De kwestie van organisatie en bestuur was reeds lang een bron van onenigheid in de Kerk van God. Zich realiserende dat er geen Werk van betekenis gedaan kon worden met het povere bedrag aan geld dat bij het hoofdkantoor in Stanberry, Missouri, binnenkwam (minder dan $ 1.000 in 1917) ondernam Andrew Dugger stappen om de situatie te verbeteren. Hij stuurde in 1922 een enquête onder de leden om te weten te komen hoeveel tienden zij over het voorafgaande jaar hadden betaald en aan wie deze waren betaald. Het werd duidelijk dat de meeste tienden werden geïnd door individuele dienaren en dat één bepaalde dienaar die ‘weinig werkte’ het leeuwendeel had geïnd. Spoedig werd het beleid dat alle tienden betaald moesten worden aan Conferenties in de staten en dat een tiende van die tiende aan de Algemene Conferentie gezonden moest worden. In 1923 sprong het inkomen van de Algemene Conferentie in Stanberry naar meer dan $ 18.000.

Omstreeks 1904 werd G.G. Rupert dienaar in de Kerk van God. De heer Rupert was daarvoor dienaar in de Zevende-dags Adventisten kerk geweest en had gemeenten gesticht in Zuid-Amerika. Na verscheidene jaren van groeiende doctrinaire onenigheid verliet hij de adventisten in 1902. De heer Rupert was onder andere gaan begrijpen dat zowel de Sabbat als de jaarlijkse Heilige Dagen bindend waren voor de nieuwtestamentische Kerk. In 1913 publiceerde Jacob Brinkerhoff een serie artikelen van G.G. Rupert in The Bible Advocate die het onderwerp van de wet van God bespraken en betoogden dat de Heilige Dagen van Leviticus 23 bindend waren voor de nieuwtestamentische Kerk. Hoewel de Kerk in de Verenigde Staten weinig aandacht schonk aan deze leer, volgden velen van de Zuid-Amerikaanse gemeenten die door de heer Rupert waren gesticht niet alleen zijn voorbeeld door de gemeenschap van de adventisten te verlaten, maar accepteerden zij ook Gods Heilige Dagen. Vanwege onenigheid tussen de heren Dugger en Rupert over enkele doctrinaire kwesties, in het bijzonder over die van kerkorganisatie en -bestuur, ging de heer Rupert verder als een ‘onafhankelijke’ dienaar van de Kerk van God en publiceerde tot zijn dood in 1922 zijn eigen tijdschrift The Remnant of Israel [Het overblijfsel van Israël].

De jaren 1930 en 1940: Een nieuw begin

In de late twintiger jaren en in het begin van de jaren dertig van de twintigste eeuw zien we dat de Kerk van God praktisch verlamd werd door onderlinge politieke en doctrinaire strijd. De Conferentie van de Kerk in 1929 werd gekenmerkt door aanzienlijke verwarring en verdeeldheid. De controversiële thema’s draaiden om ‘wedergeboren’, rein en onrein voedsel, het gebruik van tabak, de datum van het Pascha (Nisan 14 of 15) en de werking van de heilige Geest (Pinksterbeweging). Het aantal bekeringen nam af en het Werk van de Kerk kwam praktisch tot stilstand.

Het was op dat ogenblik, in de herfst van 1926, dat het leven van de heer Herbert W. Armstrong vervlochten raakte met de geschiedenis van Gods Kerk. Het dienaarschap van de heer Armstrong had ongetwijfeld grotere invloed op meer mensen dan dat van enig andere dienaar van de Kerk van God sinds de eerste eeuw. Uitgedaagd door zijn vrouw over welke dag de Christelijke Sabbat was, alsook door een schoonzuster over de kwestie van evolutie, begon de heer Armstrong aan een zes maanden durende periode van intensieve studie. Tegen het voorjaar van 1927 was hij gaan begrijpen dat veel van wat hij geloofde toen hij opgroeide geen Bijbelse Waarheid was. Hij leerde dat zowel de zevendedags Sabbat als Gods jaarlijkse Heilige Dagen vandaag door christenen gehouden moeten worden!

In de nasleep van zijn intensieve studie worstelde de heer Armstrong met de vraag: ‘Waar is de ware Kerk?’ Uiteindelijk kwam hij terecht in de gemeenschap van de broeders van Gods Kerk in de Willamette Valley in Oregon, omdat hij zag dat zij meer Waarheid hadden dan enig andere groep.

In 1928 begon de heer Armstrong artikelen aan te leveren voor publicatie in The Bible Advocate. Omdat er op dat moment geen dienaar was in Oregon, vroegen de broeders in Eugene hem regelmatig om tot de gemeente te spreken. In juni 1931 werd de heer Armstrong geordineerd tot dienaar door de Oregon Conferentie van de Kerk van God en begon aldus aan een dienaarschap dat bijna 55 jaar duurde!

Intussen stapelden zich voor Gods Kerk als geheel de problemen op. Op de Algemene Conferentie, gehouden in augustus 1933, verloor Andrew Dugger, de belangrijkste kerkleider van de afgelopen 20 jaar, zijn positie met één stem. Dit versnelde een crisis die de Kerk in tweeën splitste. “Aan de ene kant hielden Andrew N. Dugger en anderen vast aan de ‘reorganisatie’ van het kerkbestuur, rein voedsel, geen tabak en het Pascha op de 14e Nisan. Aan de andere kant leidde Burt F. Marrs een groep ‘onafhankelijken’ die voor varkensvlees en tabak waren, en meenden dat het Pascha op de 15e Nisan moest zijn. Over de kwestie van wanneer het Pascha te houden werd drie dagen gedebatteerd ten tijde van de splitsing” (Nickels, p. 151). Andrew Dugger trok zich terug uit de Algemene Conferentie van de Kerk van God met het hoofdkantoor in Stanberry en hield in november 1933 een vergadering om de Kerk in Salem, West Virginia, te reorganiseren. Er werd een nieuwe organisatorische structuur ingesteld met ‘twaalf apostelen’, ‘zeventig oudsten’ en ‘zeven’ die over de financiën gingen.

Ambten werden door loting toegewezen in plaats van door te stemmen. De heer Armstrong uit Oregon werd gekozen als een van ‘de zeventig’. Hij en de meeste broeders uit Oregon sloten zich, in plaats van de Stanberry-organisatie, aan bij de nieuwe organisatie die in Salem haar hoofdkantoor had. Hoewel de heer Armstrong geen salaris ontving van Salem, accepteerde hij hun geloofsbrieven en leverde hij maandelijks predikantsverslagen aan.

“De scheiding in de Kerk van God (Zevende Dag) veroorzaakte veel leed bij de leden en leiding. Vele leden en aspirant-leden raakten ontmoedigd door de veelvuldige aanvallen die de ene kerk op de andere deed. In sommige gevallen veranderden dienaren van organisatie tot verbijstering van hun leden. In andere gevallen werden de leden pionnen in de strijd tussen dienaren die met elkaar wedijverden om hun loyaliteit en steun. De groei van het ledenaantal van de jaren twintig werd in de jaren dertig en veertig niet meer gerealiseerd en zelfs niet benaderd” (Coulter, p. 55). In feite liep het ledenaantal terug in deze periode.

In de tijd dat dit alles gebeurde werd het fundament gelegd voor een Werk van God dat een ongekende wereldwijde invloed zou hebben. In plaats van zijn energie te verspillen aan politieke machtsstrijd in de Kerk begon de heer Armstrong een vaste wekelijkse radio-uitzending te maken gericht op de prediking van het Evangelie aan de wereld. Het programma, Radio Church of God [Radio Kerk van God] geheten, werd voor het eerst uitgezonden op KORE, een 100-watt radiostation in Eugene, op de eerste zondag in januari 1934. In februari van dat jaar begon de heer Armstrong met de publicatie van een gestencild ‘magazine’, The Plain Truth [De Echte Waarheid] genoemd, dat de eerste keer aan 200 mensen werd toegezonden. Weinig realiseerde hij zich in die tijd dat Christus hem gebruikte om het zesde tijdperk van de Kerk op te richten, gekenmerkt door de Kerk in Filadelfia (Openbaring 3:7-13).

Behalve de wekelijkse radio-uitzending hield de heer Armstrong evangelisatiecampagnes door de hele omgeving. Hoewel er verscheidene kerken werden gesticht als gevolg van zijn inspanningen, vielen deze nieuwe gemeenten gewoonlijk uit elkaar of weken ze van de weg af vanwege het gemis aan trouwe, toegewijde dienaren om de kudde te hoeden. In deze periode kwam de heer Armstrong in toenemende mate in conflict met het hoofdkwartier van de Kerk in Salem vanwege zijn leringen over de identiteit van Israël en de jaarlijkse Sabbatdagen. Hoewel Andrew Dugger in een persoonlijke brief had toegegeven dat de leringen over de ‘verloren tien stammen’ juist waren, weigerde de heer Dugger een artikel over het onderwerp in The Bible Advocate te plaatsen.

Uiteindelijk kwam de kwestie van de Heilige Dagen in 1937 tot een uitbarsting. Het volgende citaat komt uit de notulen van de zakelijke bijeenkomst, gehouden van 5 tot 10 mei 1937 in Detroit, Michigan, door de Raad van de Twaalf Apostelen van het hoofdkwartier van de Kerk van God (Zevende Dag) te Salem, West Virginia: “7 Mei, 13.00 uur, voorlezing van de brief van Oudste Armstrong aan de Twaalf. Voorlezing van elk van de artikelen van Oudste Armstrong in twintig minuten voor elk, over het Feest van Ongezuurde Broden, het Pascha, Pinksterfeest, Loofhuttenfeest enz., telkens gevolgd door besprekingen van de voors en tegens door de Oudsten. . . . Er werd een beslissing genomen zoals in het volgende besluit vastgelegd: ‘Voor zover sommigen de Kerken verontrust hebben door hen te onderwijzen dat zij het Feest van Ongezuurde Broden en jaarlijkse Sabbatten zouden moeten vieren . . . bevestigen wij opnieuw de leer van de Kerk van God op dit punt . . . dat wij er dergelijke gebruiken niet op na houden’”. (Johan Kiesz, History of the Church of God [geschiedenis van de Kerk van God], p. 180). Volgens de officiële verslagen aangeleverd door Virginia Royer, boekhoudster van het uitgeversbedrijf van de Kerk van God in Salem: “Het was in 1938 dat hem [de heer Armstrong] werd gevraagd om zijn geloofsbrieven in te leveren vanwege het voortzetten van de prediking in strijd met de Kerkleer” (p. 180).

Alhoewel de heer Armstrong na 1938 niet langer over de geloofsbrieven voor het predikambt van de Kerk van God (Zevende Dag) beschikte, ging hij krachtiger dan ooit door met onderwijs en prediking. Zoals bericht in de Good News [het Goede Nieuws] van april 1939, bereikte de wekelijkse uitzending van de Radio Church of God 100.000 luisteraars in het noordwesten aan de Grote Oceaan. Dat was ook het jaar dat het eerste volledige achtdaagse Loofhuttenfeest in Eugene werd gehouden, bijgewoond door 42 mensen. (Van 1933 tot 1938 werden de diensten alleen op de Heilige Dagen gehouden.) Behalve de heer Armstrong waren er andere oudsten van de Kerk van God als John Kiesz gastsprekers op het Feest, tot ongeveer 1945.

Halverwege 1942 werd de naam van het radioprogramma veranderd van Radio Church of God in The World Tomorrow [De Wereld van Morgen] en werd er in de omgeving van Los Angeles een experimentele periode van dagelijkse uitzendingen begonnen. In de nazomer van 1942 woonden meer dan 1.700 mensen een evangelisatiecampagne bij die de heer Armstrong hield in het Biltmore Theater in Los Angeles. Het Werk dat God tot stand bracht door de heer Armstrong groeide en droeg vrucht. In augustus 1942 werd The World Tomorrow landelijk uitgezonden in een zondagsuitzending van WHO in Des Moines en in 1943 werd de zender WOAI in San Antonio toegevoegd. In 1944 bereikte de oplage van The Plain Truth het aantal van 35.000.

Naarmate de invloed van het Werk, dat God door de heer Armstrong deed, groeide, bleef de Kerk van God (Zevende Dag) zich verder splitsen en versplinteren in steeds meer onafhankelijke kerken en dienaren. Er werden pogingen tot eenwording gedaan die in 1949 resulteerden in het samengaan van de Salem en Stanberry groepen. Dat samengaan bracht zelf echter weer enkele splitsingen voort. Twintig jaar later, in 1969, had de belangrijkste publicatie van die Kerk, The Bible Advocate, een oplage van net over de 2.000. De Kerk van God (Zevende Dag) vertegenwoordigde de laatste fase van wat in Openbaring 3 wordt beschreven als de Kerk in Sardis, een Kerk die wordt beschreven als geestelijk dood, hoewel er enkele van haar leden met Christus in witte klederen zouden wandelen.

Open deuren en spectaculaire groei

In 1946 begon God de Radio Church of God en het Werk dat door de heer Armstrong werd gedaan in gereedheid te brengen voor spectaculaire groei. Geconfronteerd met de druk van dagelijkse radio-uitzendingen (waarvoor Hollywood heel goed uitgerust was om technische steun te verlenen) en de noodzaak erkennend voor een academie voor de opleiding van trouwe dienaren, onderzocht de heer Armstrong de mogelijkheid van een verhuizing naar Zuid-Californië. Hij vond een geschikt landgoed in Pasadena en begon onderhandelingen om het te kopen.

Ook in deze tijd maakten de heer en mevrouw Armstrong een reis naar Europa om de mogelijkheid te onderzoeken voor de vestiging van een tak van de academie om dienaren voor te bereiden voor een wereldwijd Werk. Niemand kan de heer Armstrong beschuldigen van bekrompen denken! Toch zouden de meeste mensen zijn idee als totaal onrealistisch beschouwd hebben. Per slot van rekening woonden in 1946 slechts 50 mensen het Loofhuttenfeest in Belknap Springs bij! Er was zelfs nog geen Amerikaanse academie actief – alleen maar grote dromen en een vervallen landgoed met twee gebouwen die de heer Armstrong probeerde te kopen. Anderen, zowel in als buiten de Kerk van God spraken over “wanneer deze onderneming mislukt”. Hoe dan ook, visie en het talent om ‘groot te denken’ [‘think big’] waren kwaliteiten, die de heer Armstrong in veel grotere mate tentoonspreidde dan enig andere leider van de Kerk van God in zijn dagen. Ambassador College opende zijn deuren in het najaar van 1947 met vier studenten en acht leerkrachten. Uitbreiding, en een Europese tak van het college, zouden moeten wachten – voor een korte tijd.

In 1949 voerden studenten van Ambassador College hun eerste landelijke ‘doop-rondreis’ uit. Veel van de vrucht van die vroege, door studenten geleide doopreizen werd weerspiegeld in de sprong van het aantal aanwezigen op het Feest in 1951 van 150 naar 450 in 1952. In december 1952 ordineerde de heer Armstrong de eerste evangelisten van deze fase van de Kerk van God: Richard Armstrong, Raymond Cole, Herman Hoeh, C. Paul Meredith en Roderick C. Meredith. In februari 1953 werden Marion en Raymond McNair geordineerd, het totaal op zeven brengend. Dit was het begin van een periode van snelle groei en ontwikkeling in het Werk.

Nadat de eerste twee klassen studenten van Ambassador College waren afgestudeerd, werd een Hogeschool voor Theologie voor afgestudeerden opgericht . De heer Armstrong gebruikte de Hogeschool voor Theologie als een springplank voor meer diepgaande studie in een aantal onderwerpen, waarvan de belangrijkste de natuur van God en de bestemming van de mens betroffen.

Door haar geschiedenis heen is de Kerk van God geen aanhanger van de leer van de Drie-eenheid geweest en heeft ze nooit de formuleringen van de vroege katholieke concilies als geldige leidraad voor christenen geaccepteerd. In de moderne tijd duurde het echter tot het voorjaar van 1953 dat de heer Armstrong en de andere dienaren een helder begrip begonnen te krijgen van de Bijbelse leer dat God een goddelijk Gezin is waarin bekeerde mensen geboren zullen worden bij de opstanding. Eerst probeerden zij dit begrip vanuit de Bijbel te logenstraffen. In plaats daarvan vonden zij deze belangrijke waarheid steeds bevestigd door heel Gods Woord. Hoewel dit begrip het duidelijke voortvloeisel was van veel wat al eerder onderwezen werd, vonden de heer Armstrong en de anderen het een uitdaging om deze eenvoudige – en toch ingrijpend belangrijke en overweldigende – waarheid te accepteren. Dit centrale leerstuk van de Bijbel – dat wij geboren kunnen worden in het Gezin van God – is misschien wel de grootste waarheid die God door de heer Armstrong herstelde voor de Kerk van God.

Twee gigantische sprongen voorwaarts in de prediking van het Evangelie vonden plaats in 1953. Het jaar begon met de opening van een van de grootste deuren in de geschiedenis van het Werk. Op 1 januari begon Radio Luxemburg – op dat moment het meest krachtige radiostation op aarde – The World Tomorrow uit te zenden naar Europa. Bovendien verwierf de heer Armstrong de tijd voor een dagelijkse radio-uitzending die over het hele ABC radionetwerk werd uitgezonden.

In februari 1953 opende Richard Armstrong (de oudste zoon van de heer Armstrong, die in 1958 bij een auto-ongeluk om het leven kwam) een postverwerkingskantoor in Londen. In 1954 hield de heer Armstrong, vergezeld van zijn vrouw Loma, Richard Armstrong en Roderick C. Meredith, evangelisatiecampagnes in Groot-Brittannië. In 1956-57 keerde de heer Meredith terug voor meer campagnes. In 1958, weer terug in de V.S., werd hij benoemd tot tweede vice president van de Kerk.

In mei 1959 kondigde de heer Armstrong aan dat de heer Meredith nog een serie campagnes in Groot-Brittannië zou leiden. Dit is wat hij schreef aan de Britse medewerkers: “De heer Meredith is volledig ingewijd, volkomen oprecht. . . . Hij gaat u dingen vertellen die u nergens anders te horen kunt krijgen. . . . U zult geschokt en verrast zijn – u zult op één avond van deze bijeenkomsten meer echte waarheid horen dan de meeste mensen in jaren leren van de prediking van tegenwoordig!” (19 mei 1959). In oktober 1960 opende het tweede Ambassador College zijn deuren in Bricket Wood, Engeland, en in 1964 werd een derde campus geopend in Big Sandy, Texas.

Naarmate het aantal dienaren dat beschikbaar was om doop-rondreizen te maken en pastor van een kerk te worden toenam, werd ook de oogst die door het Werk werd binnengehaald groter. Het aantal mensen dat een Feest bijwoonde sprong van 750 in 1953, naar meer dan 2.000 in 1957. In 1961 was het aantal bijna 10.000 en in 1967 meer dan 40.000. In 1964 bereikte de oplage van The Plain Truth [De Echte Waarheid] het half miljoen en in 1967 één miljoen. Eind zestiger jaren werd The World Tomorrow dagelijks uitgezonden en door tientallen miljoenen mensen rond de wereld beluisterd. Tijdens deze wereldwijde explosie van interesse in Gods Woord werd de wettelijk erkende naam van de organisatie veranderd van Radio Church of God in ‘Worldwide Church of God’ [Wereldwijde Kerk van God].

Tijdens de roerige jaren zestig was Garner Ted Armstrong (de jongere zoon van de heer Armstrong) werkzaam als de belangrijkste spreker voor The World Tomorrow en als vice president van de Kerk. De heer Roderick C. Meredith (die in januari 1966 zijn doctoraat in de theologie ontving van de Ambassador College Hogeschool voor Theologie) werd benoemd als directeur van de dienaren in de V.S..

In 1967 stierf mevrouw Loma Armstrong op de leeftijd van 75 jaar. Aan het einde van de jaren zestig kwamen er al tekenen aan de oppervlakte van toekomstige problemen voor het Werk.

In januari 1972 werd de Kerk geschokt door de ontheffing van Garner Ted Armstrong uit al zijn verantwoordelijkheden. Vier maanden later werd hij in ere hersteld. De jaren zeventig zagen in de Kerk, alsook in Amerika als geheel, de opkomst van een toenemende liberale, tolerante geest. Een aantal dienaren en leden verliet in 1974 de Kerk; toenemende doctrinaire verwarring, gekoppeld aan beschuldigingen van schandalen, overvielen het Werk. Na voorlopig herstel van een ernstige hartstilstand in 1977 ontnam de heer Armstrong uiteindelijk in het voorjaar van 1978 zijn zoon al diens verantwoordelijkheden en verwijderde hem in juni uit de gemeenschap van de Kerk.

In januari 1979 werd de Kerk tijdelijk onder curatele gesteld door de Staat Californië . De heer Armstrong benoemde vanuit Tucson, Arizona (waar hij nog herstellende was van hartproblemen), dr. Meredith in zijn oude ambt als directeur van de dienaren, teneinde in deze tijd van onrust de stabiliteit in de Kerk en onder de dienaren te herstellen. Tegelijkertijd trachtte de heer Armstrong de ‘Kerk’ in doctrinair opzicht ‘weer op het juiste spoor terug te brengen’, na de liberale, met doctrinaire verwatering behepte benadering van de jaren zeventig. Toen hij in januari 1986 stierf, had The Plain Truth een oplage van meer dan acht miljoen exemplaren, gedrukt in zeven talen. Het aantal aanwezigen op het Loofhuttenfeest naderde wereldwijd de 150.000.

Toen Joseph Tkach [sr.] het roer van de Worldwide Church of God [Wereldwijde Kerk van God] na de dood van de heer Armstrong in januari 1986 overnam was de Kerk ogenschijnlijk een harmonisch lichaam. Ze leek gericht op het Werk van God dat vóór haar lag en toegewijd aan de Waarheid. Er waren evenwel problemen onder de oppervlakte. Zij werden in toenemende mate duidelijk, eerst nauwelijks waarneembaar en daarna steeds helderder.

De laatste fase van de geschiedenis van de Kerk

In Openbaring 3 lezen wij over de twee laatste fasen van de geschiedenis van de Kerk van God. De Kerk van Filadelfia wordt gekenmerkt door een ijver om het Werk te doen. God beloofde hun een “open deur” te geven om het Evangelie te prediken (v. 8), alsook om hen te beschermen tegen de komende Grote Verdrukking (v. 10). Er wordt echter een laatste zevende stadium van de Kerk beschreven, de Kerk in Laodicea. Deze Kerk wordt gekenmerkt door geestelijke lauwheid en lusteloosheid (vv. 15-17). Het werd steeds duidelijker dat er vanaf de vroege jaren zeventig twee verschillende ‘geesten’ naast elkaar bestonden in één organisatie – hoewel de heer Armstrong de Kerk tijdens de laatste zeven jaren van zijn leven weer ‘op het juiste spoor’ zette.

Ongeveer een jaar na de dood van de heer Armstrong ontstond er een geleidelijke tendens terug naar de tolerante, liberale benadering van de jaren zeventig. Binnen een paar jaar gingen de veranderingen veel verder dan die van de jaren zeventig, namelijk naar totale afval van de Waarheid – zelfs tot het punt dat de Drie-eenheid werd onderwezen en dat gehoorzaamheid aan Gods wet (inclusief de Sabbat, Heilige Dagen, tiendenbetaling en onrein voedsel) niet meer noodzakelijk werd geacht. In december 1992, veertig jaar na zijn aanstelling, werd dr. Meredith uit de Wereldwijde Kerk van God gezet vanwege zijn weigering om compromissen te sluiten met de overhand krijgende krachten van de afval. In samenwerking met trouwe broeders en dienaren ondernam dr. Meredith snel stappen om het Werk van God weer tot leven te brengen onder het vaandel van de ‘Global Church of God’ [Mondiale Kerk van God]. Binnen zes weken begon de Kerk een wekelijks radioprogramma. In mei 1995 begon de Kerk een wekelijks televisieprogramma.

In januari 1995 liet de leiding van de Wereldwijde Kerk van God alle pretentie van het voortzetten van de historische leer van de Kerk van God vallen en omarmde openlijk protestantse theologie. Dit bracht een praktische ‘ineenstorting’ van de organisatie teweeg en leidde tot het vertrek van zowel duizenden broeders als vele tientallen dienaren wereldwijd. Helaas bracht dit vertrek na 1995 vele wedijverende organisaties voort, en leidde dit tot de formatie van een groot aantal afzonderlijke ‘bedieningen’ die voort zijn gegaan met zich te splitsen en op te delen.

In november 1998 trachtten meerdere leden van het hoofdbestuur van de Global Church of God (GCG) een ‘overname van de organisatie’ op touw te zetten door dr. Meredith, tegen de wensen van een meerderheid van de Raad van Oudsten van de Kerk, buiten spel te zetten. De meeste Kerkleden en dienaren bleven echter achter dr. Meredith en zijn Raad van Oudsten staan, als de menselijke leiders van de Kerk onder Jezus Christus. Onmiddellijk na zijn uitzetting uit de GCG blies dr. Meredith het Werk onder de vlag van ‘Living Church of God’ [Levende Kerk van God] nieuw leven in, daarbij gesteund door duizenden trouwe broeders en dienaren, en was in minder dan twee maanden terug op televisie – op hetzelfde televisiestation en op dezelfde zendtijd die de leden van het GCG-bestuur hadden geannuleerd!

Veertig weken nadat dr. Meredith de vorming van de ‘Levende Kerk van God’ aankondigde, kreeg de GCG te maken met faillissementsprocedures. Van toen af aan hebben de splintergroepen die ontstonden uit de bankroete organisatie niet opgehouden zich te verspreiden en te delen. De tien mannen die in december 1998 na de afzetting van dr. Meredith in de opnieuw gevormde GCG Raad van Oudsten zaten, gingen binnen een paar jaar uiteen in tenminste zeven verschillende Kerk van God-organisaties. Sommige van die organisaties bestaan nog steeds; andere mislukten binnen een paar jaar na hun oprichting. Nog weer andere hadden te lijden onder nog meer scheidingen en splitsingen die hun doelmatigheid om de wereld met de ware Evangelieboodschap te bereiken in hoge mate hebben doen afnemen.

De Levende Kerk van God blijft gericht op het doen van het Werk – de wereld trachten te bereiken met de ware Evangelieboodschap van Jezus Christus. U leest dit boekje omdat de geest van teamwerk en eenheid het de Levende Kerk van God mogelijk heeft gemaakt om de ‘Filadelfia-ijver’ vast te houden als haar gemeenschappelijke ideaal, en om de geest van eigenzinnigheid en ‘op zijn lauweren rusten’, die zoveel Laodicese leden van Gods Kerk heeft aangetast, te verwerpen. De Levende Kerk van God is toegewijd om te leven bij ieder woord van God – inclusief ‘de grote opdracht’ van Jezus Christus: “Ga heen in heel de wereld, predik het Evangelie aan alle schepselen” (Markus 16:15).

Na het Werk van Jezus Christus gedurende 64 jaar standvastig te hebben gediend, heeft Dr. Meredith zijn wedloop voltooid en stierf hij in alle vrede op 86-jarige leeftijd in mei 2017. Voordat hij stierf heeft hij echter zijn best gedaan te verzekeren dat het Werk in de toekomst tot Christus’ terugkeer krachtig zou doorgaan. In 2016 heeft hij de heer Gerald Weston  – geordineerd tot dienaar in de Kerk in 1971, en door dr. Meredith tot evangelist geordineerd in 2007  – aangesteld om hem op te volgen als de menselijke leider van de Levende Kerk van God, om door te gaan met het uitvoeren van het Werk dat God Zijn Kerk te doen heeft gegeven. De heer Weston gaf hiervóór leiding aan de verkondiging van het ware Evangelie in het Verenigd Koninkrijk, Europa, Canada, en Hongkong en werd door dr. Meredith geselecteerd om medepresentator te zijn van het Tomorrow’s World televisieprogramma. Na de dood van dr. Meredith werd de heer Weston president-evangelist van de Levende Kerk van God, en het Werk van God is onverminderd doorgegaan onder zijn leiding.

We kunnen overal rondom ons zien hoe Satan verwarring en ontmoediging gezaaid heeft. Veel broeders zijn beschadigd en boos, of zijn overweldigd door de zorgen van dit leven. Anderen zijn misleid door valse leraren, en zijn afvallig geworden. Nog weer anderen zijn zo futloos en lauw geworden dat zij hun visie zijn kwijtgeraakt en louter lokale gemeenten in stand wensen te houden, en zich er niet langer om bekommeren het Werk te doen. Dit is een vervulling van Christus’ waarschuwing aan de Kerk in Mattheüs 24:10-13.

Het Evangelie zal echter in deze eindtijd aan de wereld gepredikt worden (Mattheüs 24:14) en er is een groeiende vergadering van gelovigen die zowel ijverig is voor de volle Waarheid alsook om Gods Werk te voltooien. Net zoals Gods volk het vanaf de eerste eeuw heeft moeten doen, zo moet Zijn volk nu “. . . tot het uiterste te strijden voor het geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd is” (Judas 3, NBG 1951). God verklaart duidelijk dat “. . . wat Hij gesproken heeft, . . . de Here [zal] doen op de aarde, volledig en snel (Romeinen 9:28, NBG 1951). Wie zal Hij gebruiken om dit te doen? Volgens Daniël 11:32 [NBG 1951] is het “. . . het volk dat zijn God kent, [dat] . . . sterk [zal] zijn en daden doen.”

Waar is de Kerk die Jezus bouwde? Zij is niet uitgestorven! Zij heeft de poorten van de hel getrotseerd en zij trotseert deze nog steeds op wonderbaarlijke wijze. Vandaag de dag gaat de Levende Kerk van God door met het doen van Gods Werk en verkondigt ze het ware Evangelie aan een wereld die in een neergaande spiraal haar ondergang tegemoet gaat. Dank zij het trouwe en toegewijde leiderschap van dr Meredith hebben miljoenen door de Levende Kerk van God een waarschuwende boodschap ontvangen over Gods tussenkomst in de wereldaangelegenheden in de eindtijd. En, nu onder de heer Weston, gaat dat werk tot op deze dag door.

Bent u degene die door God gebruikt wordt om Zijn Werk in de eindtijd te voltooien? Hebt u de ware geest van [de Kerk van] Filadelfia die zich uitstrekt naar de hele wereld in oprechte liefde en bezorgdheid om Gods boodschap van Waarheid en hoop te delen? Vindt u het belangrijk dat het Huis Israël wordt gewaarschuwd voor de ophanden zijnde tijd van Jakobs benauwdheid, de Grote Verdrukking? Is het Werk van God belangrijker voor u dan uw eigen persoonlijke comfort?

Wij in de Levende Kerk van God geloven dat wij een voortzetting zijn van het Filadelfia-tijdperk dat Christus vele jaren geleden door de heer Herbert W. Armstrong heeft opgericht. Wij worden in deze jaren die de directe opmaat vormen tot de Grote Verdrukking gemotiveerd door een gevoel van dringende noodzaak. Wij geloven werkelijk wat Jezus Christus leerde – dat wij de werken van de Vader moeten doen zolang het nog dag is, want de nacht komt zeker wanneer niemand kan werken! (vgl. Johannes 9:4). Zult ook u de woorden van Christus ter harte nemen?